Ik ben vrij up-to-date

Richard Hamilton, grondlegger van de Engelse Pop Art, begon in 1948 met het illustreren van de `Ulysses' van James Joyce. Het project houdt hem al zijn hele leven bezig.

We zitten in de Lege Lijsten Kamer van Museum Boijmans Van Beuningen, een vergaderkamer met hoog aan de muren een aaneengesloten rij lege schilderijlijsten. Richard Hamilton vertelt hoe de collage die hem wereldberoemd maakte, Just what is it that makes today's homes so different, so appealing?, in een ochtend tot stand kwam. ,,Voor ik begon had ik opgeschreven wat er allemaal in moest: ruimte, man, vrouw, geschiedenis, bandrecorder, tv, telefoon, bioscoop, enzovoort. Mijn vrouw en een vriend verzamelden al die dingen voor me. Ik zat te plakken en hoefde alleen maar te zeggen: `Geef me dit, geef me dat', en dan gaven ze me wel tien tv's. Die zin Just what is it... raapte ik van de grond, ik zag hem op een verknipte bladzijde. Een geniale titel, puur toeval. In een paar uur was het hele ding af. Nou ja, dan vergeet ik even dat ik op dat moment al drie jaar met mijn vrienden aan het discussiëren was over de onderliggende ideeën. Zo eenvoudig was het nu ook weer niet om over te stappen op de dingen waarin we geïnteresseerd waren, zoals films en Elvis Presley, en toch te blijven zeggen: ik ben een kunstenaar.''

Het jaar is 1956, en de hoofdfiguur op de collage, een bodybuilder, draagt een lolly ter grootte van een tennisracket met de woorden `Tootsie POP'. In de tijd daarna groeit het kunstwerk uit tot de icoon die de geboorte van de twintigste-eeuwse Pop Art markeert.

Maar nu is de inmiddels 81-jarige, opmerkelijk vitale Hamilton in Rotterdam om een heel andere reden: de tentoonstelling van illustraties die hij maakte bij het boek Ulysses van James Joyce. Het project houdt hem al zijn hele kunstenaarsleven bezig, hoewel het ruim dertig jaar heeft stilgelegen. Tijdens zijn diensttijd in 1947 las en herlas hij Ulysses, en in 1948 begon hij te tekenen.

Joyce graaft psychologisch diep in `Ulysses', maar beschrijft nauwelijks hoe personages als Leopold Bloom of Stephen Dedalus eruit zien. Hoe kreeg u daar een beeld van?

,,De datum is natuurlijk erg precies, hoe zagen Dubliners eruit in de eerste jaren van de twintigste eeuw? Maar zulke vragen hoefde ik me niet eens te stellen, het beeld zat al in mijn hoofd. Bloom had een snor en was kalend, zo tekende ik hem meteen. Jaren later wilde een uitgever die tekening voor op het omslag van een boek over Italo Svevo, hij zag Svevo erin. Joyce zou de figuur Bloom trouwens ook gemodelleerd hebben naar de Italiaanse schrijver toen hij aan zijn boek werkte in Triëst, waar Svevo woonde. Dat wist ik allemaal niet. Maar het gekke is, iederéén maakt er zo'n type van, kijk maar naar Ulysses-verfilmingen. Zero Mostell zag er in zijn rol van Bloom net zo uit. Blijkbaar heeft Joyce de toverkracht een beeld van de man in je hoofd te zetten door alleen diens gedachten te beschrijven.''

In 1948 en 1949 heeft u een hele reeks tekeningen gemaakt, maar dan houdt het plotseling op. Hoe kwam dat?

,,In 1950 vroeg de ICA in Londen mij een Joyce-tentoonstelling te helpen inrichten die eerder in Parijs was geweest, in La Hune, de boekhandel van Bernard Gheerbrant. Er waren Ulysses-illustraties van Frank Budgen, een vriend van Joyce, en nogal decoratieve tekeningen van Matisse die geen directe relatie hadden met het verhaal. Matisse had het boek duidelijk niet gelezen. Ik liet Gheerbrant mijn eigen tekeningen zien en daarvan nam hij er drie in de tentoonstelling op. De opening werd verricht door T.S. Eliot, die toen directeur was bij Faber and Faber. Ik stelde hem voor van Ulysses een geïllustreerde oplage te maken, maar dan moest het boek opnieuw gezet worden en dat vond hij te ingewikkeld. Bovendien zou er te weinig vraag zijn, aangezien ik niet direct een Matisse of Picasso was. Hij zei het aardig maar het ontmoedigde me wel. Commercieel gezien had hij natuurlijk gelijk en het duurde tot 1981 voor ik Ulysses weer oppakte.''

Hommage

De motor kwam weer op gang toen Hamilton in 1971 werd uitgenodigd een kunstwerk te maken als hommage aan Picasso, die in dat jaar negentig werd. Hamilton aarzelde. ,,Ik hield meer van Duchamp, zijn intellect was mij liever dan Picasso's stierachtige energie'', zegt hij. Maar omdat hij direct kon samenwerken met de bewonderde drukker van Picasso's etsen, Aldo Crommelynck, deed hij het toch. Het resultaat was een prachtige ets getiteld Picasso's meninas, een pastiche van Velasquez' beroemde schilderij Las Meninas, waarbij de figuren zijn afgebeeld in de verschillende stijlen die Picasso beoefende.

De samenwerking met Crommelynck zette door, en in 1981 leidde dat eindelijk weer tot een Ulysses-illustratie, een echo van Picasso's meninas. Opnieuw is elke figuur afgebeeld in een andere stijl. Bloom is geportretteerd à la Cézanne, Stephen Dedalus als Napoleon zoals geschilderd door Antoine-Jean Gros. Verder zien we onder meer de stijl van Rembrandt, Bellini en het kubisme. In Horne's house, zoals de titel luidt, is Hamiltons impressie van het Ulysses-hoofdstuk Runderen van de zon, dat speelt in een kraamkliniek.

,,Die episode interesseerde mij bovenmatig'', zegt Hamilton, ,,omdat het behalve over de geboorte van een kind, ook gaat over de geboorte van de taal. Dat blijkt al uit de eerste drie woorden, `Deshil Holles Eamus', een soort bezwering, niemand weet wat dat betekent. Het hoofdstuk is één grote stroom door de Engelse literatuurgeschiedenis, Chaucer, Marlowe, Shakespeare en zo verder, en daardoor kwam ik op het idee van een parodie in verschillende kunststijlen.''

Je zou `Picasso's meninas' en `In Horne's house' collages van stijlen kunnen noemen. Is er voor u een verband met `Just what is it...'?

,,Nee, ik heb niet het gevoel dat ze veel contact hebben. Het ene is de oplossing van het ene probleem, namelijk hoe je Ulysses illustreert. Het andere lost iets heel anders op.''

Vergeleken met uw werk uit de Pop-periode zijn de `Ulysses'-illustraties traditioneel. Prachtig getekend maar technisch conventioneel.

,,Dat is waar, maar ik heb dat teken- en schildertalent nu eenmaal, van jongs af. Op mijn twaalfde won ik al een kunstwedstrijd, op mijn dertiende maakte ik ambitieuze houtskooltekeningen. Toen ik veertien was werd ik aangenomen op de Royal Academy, maar wel pas voor twee jaar later want ze vonden me te jong. Ik overbrugde de tijd met avondlessen en baantjes. Op mijn vijftiende stuurde iemand mij naar Burlington Galleries, waar een tentoonstelling was van Picasso's Guernica, inclusief alle voorstudies. Ik wist niet wat ik zag. Op mijn zestiende werd ik een van de jongste Royal Academy-studenten ooit. Achttien maanden lang, tot de oorlog kwam, deed ik niets anders dan naakte vrouwen tekenen, erg plezierig voor een tiener. Na de oorlog ging ik terug naar de Royal Academy, maar daar waren ze helemaal gek geworden en binnen een paar maanden werd ik eraf gestuurd. Toen kwam mijn diensttijd en in 1948 begon ik Ulysses te illustreren. Picasso oefende duidelijk zijn invloed uit, maar Duchamp kende ik toen nog helemaal niet.''

In diezelfde tijd ging u naar de Slade School, die veel progressiever was dan de Royal Academy. U leerde daar collega's kennen met wie u in 1952 de Independent Group vormde. Volgens de Engelsen is in die groep de Pop Art uitgevonden, maar de Amerikanen menen dat dat iets later aan hun kant van de oceaan gebeurde. Hoe denkt u daarover?

,,Ik denk niet dat het de Engelsen waren die de Pop Art hebben uitgevonden. Wat mijzelf betreft, ik heb een zekere theoretische basis gelegd en die ook opgeschreven, maar ik betwijfel of dat ook was wat alle anderen ervan dachten. Wij discussieerden vaak over de oude opvatting van kunst als een piramide, een brede basis van populaire cultuur, handvaardigheid, volkskunst, die dan laag voor laag omhoog gaat in een hiërarchie, met aan de top de grote kunstenaars. Picasso! Lawrence Alloway, de criticus, stelde daar zijn theorie van het pop art fine art continuüm tegenover. Aan de ene kant heb je Picasso en aan de ander kant Elvis Presley, je kunt niet zeggen dat Picasso beter is dan Elvis. Ik ging nog een stap verder en zei: veronderstel dat je de uiteinden samen neemt en een ring vormt. Dan zijn de uiteinden samengebracht en is de afstand opgeheven. Als ik iets claim met betrekking tot de Pop Art, dan is het dat idee.''

Waar in die ring bevinden zich uw `Ulysses'-illustraties?

,,Dat is geen kunst die daarin past. Die is van jaren daarvoor.''

En van jaren daarna. Het merendeel maakte u de laatste twintig jaar.

,,Ja, maar interessant genoeg is er in de loop van de tijd nauwelijks ontwikkeling. In de nieuwere tekeningen blijk ik heel weinig te hebben uitgevonden. Blijkbaar zijn ze vroeger al helemaal uitgedacht en bovendien heb ik steeds mijn oude schetsen gebruikt. U moet bedenken, Joyce gaat maar over één dag. Het gaat niet over een eeuw of een decennium, het is maar één dag die hij laat verschijnen. Die ene dag weet hij ten volle op te roepen, en dat is ook mijn doel.''

Heeft u weleens de behoefte gevoeld nieuwe manifesten te maken, in een of andere vorm? Er is zoveel gaande in de ontwikkeling van de kunst. Wat zou nu uw manifest zijn?

,,Het manifest van nu is precies hetzelfde! Het zegt: waarom gaan we drie keer per week naar de bioscoop en dan weer naar huis om abstracte schilderijen te maken? Wat heeft dat met het leven uit te staan? Wij kunstenaars moeten deel zijn van wat ons omringt, en wanneer mensen zich associëren met stilistische trends moeten wij ons daar ook in verdiepen. Ik ben vrij up-to-date, heb me bijvoorbeeld vanaf het eerste begin verdiept in de computer. Enkele recente Ulysses-tekeningen heb ik ook op de computer gemaakt, op een andere manier had ik het waarschijnlijk nooit voor elkaar gekregen.''

Diagram

Dan komt het gesprek op Marcel Duchamp, met wie Hamilton ruim tien jaar samenwerkte, van 1957 tot Duchamps dood in 1968. ,,Ik was als een zoon'', zegt hij. Hamilton richtte tentoonstellingen in over Duchamp en maakte kopieën van diens kunstwerken, waaronder Het Grote Glas. In 1956 had Hamilton een diagram van dat werk gemaakt en naar Duchamp opgestuurd. Die reageerde bijna een jaar later met de vraag of Hamilton wilde meewerken aan een vertaling van zijn aantekeningen over Het Grote Glas, verzameld in De Groene Doos. In Boijmans heeft Hamilton nu ook een vitrine ingericht met deze multiple.

Wat is voor u het meest indrukwekkend aan Marcel Duchamp?

,,Dat alles wat hij doet een intellectuele beslissing is. En elk idee is bij hem anders, hij doet alles maar één keer, bedenken kan al volstaan. `Gebruik een Rembrandt als strijkplank', dat schrijft hij op en dat is genoeg. Maar soms is het niet genoeg en moet iets echt gemaakt worden, en zelfs handmatig zeer kunstig gemaakt. Je kunt alles kiezen, en zelfs niet kiezen, vermijden te kiezen. Al die mogelijkheden onderzocht hij. En dan zei hij: dit verschilt zo van wat ik eerder heb gedaan dat ik een andere naam moet hebben, Rose Sélavy. Een vrouw, het tegenovergestelde van Marcel en dan ook nog Rose, een naam waar hij het minst van hield. Hij was uiterst sensitief.''

Uw twee grote helden, Joyce en Duchamp, zijn behalve uitgesproken taalmensen ook radicale vernieuwers.

,,Ik denk dat de beeldende kunst zowel afhankelijk is van methoden uit het verleden als van een voortdurende vernieuwing, net als alle andere kunsten. Maar ik blijf gehecht aan statische beelden, binnen een lijst, met grenzen, altijd aanwezig. Film, muziek en literatuur moet je ervaren gedurende een zekere tijd, schilderijen niet, die zijn veel geconcentreerder. Ze zijn in één klap te overzien en toch moeten ze de kracht hebben in je gedachten te blijven.''

Denkt u dat over honderd jaar de mensen nog geïnteresseerd zijn in zulke contemplatieve beelden? Zullen die tegen die tijd niet uit de aandacht zijn weggedrukt door allerlei veel snellere media?

,,Een kunstwerk is nooit hetzelfde, zoals Duchamp schreef. Als je het gemaakt hebt verandert het al, fysiek, de meeste lijden verschrikkelijk. Het Grote Glas brak, etcetera. Maar een kunstwerk verandert ook omdat de mensen die ernaar kijken veranderen. In 1950 ben ik in Lascaux geweest, de grotschilderingen waren niet lang daarvoor ontdekt, het stond in alle kranten. Maar de plaatselijke toeristenbureaus zeiden: nooit van gehoord, en dus zochten we in alle grotten. In een daarvan stond op de wand een afbeelding, niet geverfd, alleen gekrast. Je gaf een man een paar franc en hij hield er dan een lamp bij. Toen zagen we een hert, voorover gebogen om te drinken in een stroom. En precies daar liep water langs de wand, al duizenden jaren. En daar had zo'n grotbewoner dus een hert bij gekerfd. Waarom zou ik dan denken dat mensen over honderd jaar minder zullen genieten van Het Grote Glas of Las Meninas?''

De tentoonstelling `Ulysses verbeeld. Richard Hamiltons illustraties bij James Joyce' is t/m 31/8 te zien in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Inl: 010-4419400 of www.boijmans.nl