Hogere macht verlost ons niet van plastic kip

In de strijd tegen de uitwassen in de bio-industrie moet niet teveel op hulp uit het buitenland worden gerekend. Wij moeten ons eerst zelf eens gaan schamen over de manier waarop we in Nederland met dieren omgaan, meent Diny Schouten.

Hoe voer je doeltreffend actie tegen een dierenindustrie waarvan je hart zich omdraait? Kregen buitenlanders maar net zo'n hekel aan de Nederlandse slachtkippen als de Duitsers aan de Wasserbombe-tomaat. Dan zou de slachtkippenbranche zich net zo rotschrikken als de glastuinbouw, en dán zou je eens zien tot welke verbeteringen dat leidt, verzucht Wim Köhler bij de nieuwste voedselcrisis (`Pak de bio-industrie wereldwijd aan', Opiniepagina, 26-27 april). Hij merkt op dat de Nederlandse bio-industrie bovenal een exportindustrie is, waar volgens hem ,,Nederlanders, en de Nederlandse politiek'' weinig over te zeggen hebben. Vandaar dat hij zijn hoop op onze reputatie in het buitenland heeft gesteld.

Köhlers bede is reeds verhoord, nog voordat hij zich erover uitsprak. Vorige maand hebben Britse kranten geschokt gereageerd op de plastic chicken uit Nederland. Dit naar aanleiding van berichten over het injecteren van meer water in kipfilets dan er op de etiketten stond.

De fraude werd verergerd doordat varkens- en runder-eiwitten als `waterbinders' waren gebruikt, en de Nederlandse exportbedrijven de chicken breasts – die wettelijk alleen `kipproduct' mogen heten als `halal' bleek te verkopen. De afnemers waren vooral een extra reden voor verontwaardiging – Aziatische cateringbedrijven en Indiase restaurants.

Aan het verzoek van de Britse Food Standard Agency om deze frauduleuze handelingen te bekeuren, kan de Nederlandse Keuringsdienst van Waren nauwelijks voldoen. Wat `halal' is, is niet omschreven in de Nederlandse wet. De industrie mag `alles van alles' maken, mits de hulpstoffen en de percentages water maar worden vermeld op het etiket. De betrokken Nederlandse pluimveebedrijven spreken daarom verontwaardigd van ,,een hetze'', ingegeven door ,,Britse marktbescherming''.

Die plastic kip, nog letterlijker een waterbom dan de beruchte Westlandse tomaat destijds was, is wel `Nederlands' – het injecteren schijnt een Nederlandse specialiteit te zijn maar is daarentegen niet uit Nederland afkomstig. Het is kip die door Nederland geïmporteerd is uit goedkoper producerende landen: Brazilië en Thailand. Ontdooien en uitsnijden in een Nederlandse pluimveeslachterij geeft recht op een NL-slachtstempel; het is dezelfde sluipweg die het Albert Heijn mogelijk maakte om ontdooid batterijkonijn uit China te verkopen als `vers wild'.

Die export-van-import maakt de zaak erg ingewikkeld. Je kunt wel van mening zijn dat de slachtkuikens-bio-industrie de wereld uit moet, om te beginnen uit Nederland, maar dat is op zich een ontoereikend, kruisraketachtig antwoord.

Ook oud-landbouwminister Brinkhorst en bijna-oud-landbouwminister Veerman vinden dat de voedselvoorziening gebaat is bij veel minder dieren in Nederland. Dat is een geweldig goed idee, maar als je kijkt naar de consequenties van die uitspraak, zit toch die import in de weg. De grenzen sluiten voor Thaise en Braziliaanse kip (veelvuldig in opspraak wegens het gebruik van hier verboden antibiotica), kan niet zomaar.

Of is Köhlers implicatie dat Nederland voor zijn voedselvoorziening ruim voorzien moet worden door de pluimvee-bio-industrie in Thailand en Brazilië? Zodat wij tenminste schone handen houden? Zó zal het toch niet zijn bedoeld.

Ik neem aan dat Köhler graag zou zien dat in Nederland alleen boeren overblijven die er een gezond aantal dieren op nahouden, zo gezond dat ze weerstand bezitten tegen een akelig pluimveevirus, en dat die voor de prijs die ze werkelijk kosten, kunnen worden afgezet. Maar hoe krijgt een pluimveehouder dat voor elkaar? Door de import van heel veel goedkoop kipvlees (gestimuleerd door de wereldhandelsorganisatie WTO) is de prijs van Nederlandse kip onder druk komen te staan, en inmiddels gedaald tot een ongeloofwaardig niveau.

De prijs van kip in de winkel (minder dan drie euro per kilo) wijst vanzelf naar wat de mester krijgt: ongeveer zestig cent per `vleeskuiken' van zes weken. Een kippenmester moet 350.000 kuikens per jaar grootbrengen, dan heeft hij één minimuminkomen verdiend, maar het is er niet een waarmee hij zijn leningen kan aflossen, en gezonder voer kan inslaan. Wil hij het anders doen (veel minder dieren), dan is er geen bank die hem een lening geeft om zijn bedrijf te reorganiseren. De bank weet dat er geen afzet is voor een duurdere, gezonde kip, dat heeft het Landbouw Economisch Instituut zeer gedegen uitgezocht.

Om het moeilijker te maken: zo'n beoogde, natuurlijker gegroeide, gezonde kip is nog wat weer iets anders dan een scharrelkip. In Nederland is geen enkel bedrijf met `scharrel'-vleeskuikens. De scharrelkippen die wij kennen zijn leghennen, waarvan Köhler terecht zegt dat de huisvesting niet overtuigend veel beter is, en evenmin is er iets kwalitatief-hoogstaanders voor voorgeschreven in veterinair opzicht.

De kip die wij eten is uitsluitend de snel-groeiende `Cobb-kip'. Een Cobb-kip is een beest dat zichzelf in veertig dagen doodeet. Het `onafhankelijke' Voedingscentrum, dat zichzelf op de borst slaat met de slogan `eerlijk over eten', en dat overheidsvoorlichting geeft over wat we moeten eten om gezond te blijven, publiceert er dagelijks receptjes mee.

Nederlanders en de Nederlandse politiek kunnen maar weinig doen, schrijft Köhler. Zijn voorstel is dat de WTO wellicht wat tegen de ongezonde, inmiddels mensenlevensbedreigende bio-industrie kan ondernemen, door de kwestie `hoger op de agenda' te plaatsen.

Dat lijkt op bidden dat een hogere macht (geholpen door `buitenlanders') ons verlossen zal van die akelige Nederlandse bio-industrie. Maar als Nederland een voorbeeldland moet zijn, laten we ons dan eerst eens zelf gaan schamen.

Diny Schouten heeft een eetrubriek in Vrij Nederland.

WWW.NRC.NL/OPINIE: artikel Wim Köhler