Geloven in de shoah

`Auschwitz' is de dominante `publieke religie' van onze samenleving geworden, met eigen rituelen en heilige plaatsen. Literatuur- wetenschapper Jan Oegema worstelt met dat geloof.

Stel, Hitler had wat langer succes gekend als veldheer. Hij had heel Afrika veroverd en was daar begonnen aan de deportatie en vernietiging van zwarten met dezelfde ernst en toewijding die hij aan de dag legde bij de massamoord op joden in Europa. Een andere Eichmann had ze stipt op treinen gezet en een andere Höss, de kampcommandant van Auschwitz, had ze vermoord in een ander vernietigingskamp, in de Sahara. En later was Duitsland alsnog verslagen.

Hoe had onze 4 mei er dan nu uitgezien? Had die genocide dan ook holocaust geheten? Had die dezelfde morele betekenis gehad voor onze maatschappij? En had Jan Oegema de collectieve herinnering aan die massamoord dan kunnen beschrijven als een publieke religie?

Het zijn zinloze vragen, natuurlijk, maar ze scheppen misschien de ruimte om ons goed te realiseren hoezeer de vorm van onze herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in de loop der jaren is bepaald door het feit dat wij de joden als voornaamste slachtoffer van die oorlog zijn gaan zien. Dat had niet per se gehoeven: in het voormalig Oostblok prevaleerde de herinnering aan 20 miljoen dode Russen altijd boven de moord op vijf, zes miljoen gedode joden – als die al werd gememoreerd.

De prevalentie van de jodenmoord in de Nederlandse oorlogsherinnering heeft volgens Jan Oegema zijn beslag gekregen in de periode 1980-2000. Dan overvleugelt de genocide, schrijft hij in Een vreemd geluk, definitief de nationale oorlogsherinnering van collaboratie en verzet die, gekoppeld aan de verering van het Oranjehuis, van 1945 tot 1965 in Nederland de boventoon voerde. In de afgelopen twintig jaar is Auschwitz de dominante `publieke religie' in Nederland geworden, die de belangrijkste kenmerken van `gewone' religies vertoont – dat is het uitgangspunt van Oegema's studie.

Oegema (1963, afgestudeerd in de literatuurwetenschap en redacteur bij een uitgeverij) leent de definitie van de Amerikaan Robert Bellah, die een publieke religie ziet waar `een natie haar grondwaarden telkens weer op rituele en emotionele wijze herbevestigt, doorgaans op speciale dagen en op historisch betekenisvolle locaties'. Nu, dat kunnen wij van de shoah – het begrip dat Oegema hanteert – gerust zeggen. Die heeft hier zijn eigen heiligen (Anne Frank) en duivels (haar verrader, wie het ook is), zijn heilige teksten (Etty Hillesum), zijn heilige plaatsen (de Hollandse Schouwburg, Westerbork) en zijn heilige dagen (de Februaristaking, 4 mei).

De shoah heeft zijn eigen geboden en taboes: het gebod van solidariteit met de slachtoffers, in de eerste plaats, en het verbod op afbeelding – hoewel ik Oegema over honderd jaar nog wel eens zou willen herinneren aan zijn bewering dat `verfilming van een daadwerkelijke executie ondenkbaar' is. De shoah is, kortom, losgezongen van zijn historische context en heeft een bovenhistorische betekenis gekregen, die van `ijkpunt niet alleen van psychisch leed maar van politiek, bestuurlijk en maatschappelijk handelen in het algemeen'.

Geen reden om hierover met Oegema in discussie te gaan, al is het jammer dat Een vreemd geluk eindigt in het jaar 2000. Het lijkt erop dat de laatste jaren de irritatie over dat ijkpuntige van de Tweede Wereldoorlog begint toe te nemen. De historicus Chris van der Heijden eindigde een artikel in Vrij Nederland twee weken geleden met de zin `de oorlog is afgelopen, voorgoed'. Dat was geen feitelijke constatering van de schrijver van Grijs verleden – dan had de redactie wel even naar de kalender gewezen: `Hee, Chris, de oorlog is al bijna 58 jaar afgelopen.' Het was een bezwering – of het nou eindelijk eens afgelopen kon zijn met die oorlog.

IJkpunt

Zaterdag schreef emeritus hoogleraar Von der Dunk in de Volkskrant met een zekere opluchting dat de `hardnekkige conservering van de oorlog als moreel ijkpunt de echte zin en waarde ervan in een nieuwe wereld en een nieuwe eeuw uitgehold' heeft. En in het laatste nummer van maandblad M van deze krant merkte Maarten Huygen op dat het woord Ausweis vorig jaar niet gevallen is in de discussie over een algemene identificatieplicht in Nederland. `Voor 2002', schrijft hij, verwijzend naar de opkomst van Pim Fortuyn, `konden met verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog politieke voornemens nog worden gesmoord'. We begrijpen: het is goed dat we dáár vanaf zijn.

Hoewel Oegema met nadruk zegt dat zijn boek niet is bedoeld `als een aanval op of ontmaskering van', en hij inderdaad nergens het venijn van de aangehaalde auteurs tentoonspreidt, proef je in dit boek wel enige afstand tot de publieke religie rond Auschwitz. Maar het is een recent bevochten afstand, daar doet Oegema niet geheimzinnig over, en dat maakt Een vreemd geluk zo'n eigenaardig boek. De worsteling van de auteur met zijn eigen religiositeit is het eigenlijke onderwerp. `Ik ontdekte dat de religieuze conditionering van mijn [streng-gereformeerde] kinderjaren een rol speelde in een soms ongekende behoefte om met de shoah bezig te zijn.' Even verderop: `De shoah was mijn tweede geloof geworden.' En: `Ook ik heb de zuigkracht van die religie ondervonden.'

Met andere woorden: nu ben ik verder: `We zijn wijzer geworden, wijzer, nuchterder, sceptischer', schrijft hij terugblikkend op het omstreden boek Hitler's willing executioners van Daniel Goldhagen. Maar de religieuze verbanden en bijbetekenissen blijven op de loer liggen en hun verlokkende logica voor Oegema houden. `Credo quod refutandum', schrijft hij: ik geloof wat ik afwijzen moet.

De zin van de shoah bijvoorbeeld, een essentieel onderdeel van de publieke religie. Oegema bespreekt de idee dat de moderne burger, door zichzelf de shoah als schrikbeeld voor te houden, een model-democraat zal worden, tolerant en respectvol. En de idee dat de doden de schuld van ons als toeschouwers delgen door hun offer. Oegema wijst deze notie af én kan haar toch weer niet afwijzen. De ene bladzijde schrijft hij dat de suggestie dat de shoah zin heeft gehad, `een volstrekt onaanvaardbare gedachte' is. De volgende bladzijde schrijft hij over Anne Frank: `Ik ontkom er niet aan haar dood als een offer te aanvaarden.' Nee, deze afvallige is nog lang niet bekeerd.

In een reeks hoofdstukken behandelt Oegema het heil dat `geloven' in de shoah aan de moderne burger belooft. Hij brengt de mythe van het uitverkoren volk ter sprake, enerzijds bestemd om te lijden voor de mensheid, anderzijds object van eeuwige jaloezie, en de idee dat de heiden (of de christen) Hitler de joodse god om zeep wilde brengen.

Oegema bespreekt de filosofie van Levinas die de lijdende medemens centraal stelde, de wijze waarop kunst omgaat met het onderwerp, de mystieke figuren van Etty Hillesum en Titus Brandsma, die beide min of meer vrijwillig de dood in het concentratiekamp tegemoet traden, en de kunstenaar Lucebert, door Oegema naar eigen zeggen `als stille heilige vereerd', die na de oorlog om redenen van `morele hygiëne' vluchtte in een innerlijke wereld.

Het zijn zeer uiteenlopende onderwerpen en Oegema moet soms alle zeilen bijzetten om ze in zijn betoog te wringen. Hij lijkt zich van daarvan wel bewust geweest, als hij schrijft: `Intussen vraag ik me af: sla ik niet door? Ga ik niet te ver in mijn verwoede speurtocht naar verborgen betekenissen? Is dit hoofdstuk niet verzand in één lange, tomeloze speculatie?'

Daar is hij misschien een beetje al te streng voor zichzelf. Hij zoekt naar een bepaalde betekenis van een bepaalde historische gebeurtenis en dat die betekenis hem steeds ontglipt, zodat hij regelmatig naar het wapen van de paradox moet grijpen (credo quod refutandum) kun je hem eigenlijk niet kwalijk nemen. De historicus Frank van Vree schreef in 1995 al: `De Endlösung doet zich voor als een zinloze gebeurtenis, maar tegelijkertijd is de herinnering eraan zo overweldigend aanwezig, dat zij zich niet laat wegschrijven.'

Altaar

Wat je Oegema wel kwalijk kunt nemen, is dat hij de religieuze dimensies van Auschwitz exclusief verbindt met de moord op de joden. Dat komt hem goed uit. In de joods-christelijke geloofstraditie neemt het lijden en het offer een centrale plaats in en vanuit dat standpunt hebben ook veel filosofen en theologen over de moord op de joden geschreven. Van daar is de stap naar de publieke religie gauw gemaakt. Oegema heeft geen zin kunnen vinden voor vermoorde zigeuners of geestelijk gehandicapten, die ook zo hun plaats hadden in Hitlers gigantische rassenproject, noch voor het moorddadige optreden van de Duitse troepen in de Sovjet-Unie. De publieke religie heeft voor deze lijders geen plaats op het altaar gemaakt en omdat Oegema niet onderzoekt waaróm niet, omdat hij ondanks zijn eigen woorden nog altijd midden in de shoah-religie staat, is zijn beeld van het geloof niet compleet.

Zijn worsteling met zijn eigen opvattingen van tien, misschien twintig jaar geleden projecteert Oegema op het brede doek van de gehele samenleving. Daar zit een element van hoogmoed in: `Ik was', schrijft Oegema, `het levende bewijs van de stelling [...] dat religie nimmer verdwijnt, maar telkens nieuwe verschijningsvormen aanneemt.' En er zit ook, bij alle belezenheid die Oegema heeft en etaleert, een element van bekrompenheid in. Dat híj de dood van Anne Frank als een offer opvat, en daar staat hij beslist niet alleen in, wil nog niet zeggen dat iedereen dat doet. Oegema denkt van wel. `Ook voor de meer bewuste deelnemers aan de publieke religie', schrijft hij met zekere zelfvoldaanheid, `blijft Auschwitz een offerplaats, een Golgotha-achtige gebeurtenis'.

Er is in zijn betoog geen ruimte voor de opvatting dat de dood van Anne Frank na haar arrestatie even onontkoombaar, wreed en zinloos was als die van haar zuster Margot en alle anderen die in de kampen werden vermoord. Als Jan Oegema haar dood als een offer opvat, als de verre echo van Christus' kruisdood (want dat kan hij toch niet laten), zegt dat meer over hem dan over het historisch feit zelf of over de publieke religie die hij daaruit ziet voortvloeien. Niet iedereen ziet Jezus in de beeldengroep op de Dam.

Jan Oegema: Een vreemd geluk. De publieke religie rond Auschwitz. Balans, 376 blz. €22,50