De zeeman en de bibliothecaresse

In de Koninklijke Taalacademie van je land benoemd worden en er tegelijk de best verkopende schrijver te zijn is waarschijnlijk de ultieme droom van iedere auteur. De Spaanse bestseller-schrijver Arturo Pérez-Reverte is het overkomen, al ging dat in het eerste geval niet zonder mopperen. Veel gewicht leggen zijn boeken voor de Spaanse literatuur niet in de schaal en in zijn taalgebruik is hij zelden op een vernieuwende formulering of beklijvende wending betrapt.

De oude zeekaart is het zesde boek van Pérez-Reverte dat in het Nederlands is vertaald, voor het eerst niet bij de uitgeverij De Prom (die de fictie heeft afgestoten) maar bij De Fontein. Overdonderend succes hebben zijn boeken in Nederland tot nu toe niet gehad, in vergelijking met de verkoopcijfers in Frankrijk, Duitsland en de Engelstalige wereld, en dat kan niet aan zijn vakmanschap liggen. Zijn boeken zijn goed gedocumenteerd, snedig van toon en doorspekt met een fikse dosis half-cynische wereldwijsheid.

Voor De oude zeekaart onderbrak Pérez-Reverte zijn zesdelige reeks historische romans rond de zeventiende-eeuwse Kapitein Alatriste, waaruit eerder het derde deel, De zon van Breda (over de val van die stad in 1625) in het Nederlands werd vertaald. Het werd na Het trommelvel uit 1995 zijn dikste boek, maar er gebeurt opmerkelijk weinig in. Manuel Coy, zeeman-aan-wal met een kort lontje en een grote charme, ontmoet de fraaie maritiem-bibliotecaresse Tanger Soto, die meent te weten waar halverwege de achttiende eeuw het schatschip Dei Gloria na een entering door mediterrane kapers gezonken moet zijn. Kapers zijn er ook in de twintigste eeuw weer op de kust en de rest van het boek wordt gevuld met cartografische naspeuringen, duikexpedities en enkele terloopse schermutselingen met onguur geboefte.

Het resultaat is een jongensboek voor volwassenen, ergens halverwege Desmond Bagley en Bob Evers, met een seksuele stereotypie die Pérez-Reverte maakt tot de mannelijke evenknie van soft-feministische auteurs als Isabel Allende. Heldinnen zijn bij hem altijd op dezelfde manier mooi maar doortrapt, en zijn helden even ruw van bolster als blank van pit om over de bad guys nog maar te zwijgen. Toch schrijft hij zijn boeken met merkbare zorg, die hij minder aan literaire subtiliteit dan aan research en zakenkennis besteedt. In welke wereld zijn verhalen zich ook afspelen de Vaticaanse politiek, het schaakwezen, de oude boekdrukkunst of, zoals nu, de cartografie en maritieme geschiedenis , steeds steunen zij op een brede achtergrondinformatie, die Pérez-Reverte al even breed tentoonspreidt.

Is dat laatste de kenmerkende ondeugd van de autodidact, bewonderenswaardig is het vernuft waarmee Pérez-Reverte tijdens die lange informatiesessies zijn lezers op het puntje van hun stoel weet te houden. Coy en Tanger kunnen in De oude zeekaart nog zo lang redetwisten over de verschillende manieren waarop in de achttiende eeuw de breedtegraad berekend werd, het blijft spannend en interessant genoeg om de neiging tot doorbladeren te onderdrukken.

Daarmee ontpopt Pérez-Reverte zich op zijn eigen terrein, de lichte avonturenroman, toch nog als een grootmeester, en dat zoiets verre van eenvoudig is, bewijst de debuutroman De Dante-club van de jonge Amerikaan Matthew Pearl. De titel doet onmiddellijk denken aan De club Dumas van Pérez-Reverte zelf, verschenen in 1993 en zijn meest geslaagde roman tot nu toe. Ook Pearl grijpt een literair gegeven aan voor een beschaafd-culturele thriller en ook hij schrijft met kennis van zaken: als wetenschapper onderzocht hij de invloed van Dante op de Amerikaanse literatuur.

In 1865 werkt de dichter Longfellow in Boston met vier toegewijde Dante-kenners in het geheim aan een vertaling van De goddelijke komedie. Dat is zeer tegen de zin van een oppermachtige clan Harvard-bestuurders, die van dergelijke paapsheden een catastrofale invloed op de puriteinse levenswijze en geloofsovertuiging vrezen. Pijnlijk wordt het Dante-gezelschap verrast, wanneer vooraanstaande leden van de Bostonse society op gruwelijke wijze worden vermoord, precies naar het model van de helse kwellingen uit de zojuist door hen vertaalde canto's van de Inferno.

Pearl weet vaardig de benepen sfeer op te roepen van het Boston uit het midden van de negentiende eeuw, de religieuze bigotterie van de later zo beroemde universiteit en het onverholen racisme dat zelfs in deze Noordelijke stad direct na de Burgeroorlog het openbare leven domineerde. Maar terwijl Pérez-Reverte in De club Dumas het thema van het negentiende-eeuwse feuilleton perfect wist samen te smelten met de stijl van zijn eigen boek, wil er bij Pearl tussen zijn eigen Dickensiaanse zedenschets en de danteske hellefolteringen maar geen amalgaam ontstaan.

De vergrijpen waarvoor de omgebrachte notabelen moeten boeten, staan niet in verhouding tot hun staffen en de beweegredenen van de dader passen weliswaar mooi in het plot, maar blijven te zeer bedacht om te overtuigen. Wellicht heeft het met de hoekigheid van Pearls verhaalopbouw en scènewisselingen te maken dat de lezer zijn ongeloof minder makkelijk laat varen dan bij de op zichzelf nauwelijks waarschijnlijkere intriges van Pérez-Reverte. Eén verdienste heeft zijn roman echter zonder twijfel. Na lezing ervan haal je onvermijdelijk De goddelijke komedie uit de kast.

Arturo Pérez-Reverte: De oude zeekaart. Uit het Spaans vertaald door Jean Schalekamp. De Fontein, 510 blz. €19,98 Matthew Pearl: De Dante-club. Uit het Engels vertaald door Peter Abelsen. Bert Bakker, 426 blz. €22,50