De mens blijft nog even

De titel van Joke J. Hermsens essaybundel Heimwee naar de mens suggereert dat de mens er niet meer is. Een echo van Foucault wellicht, die ooit voorspelde dat de mens zou verdwijnen als een gezicht in het zand van de vloedlijn? Hoewel het postmodernisme niet ongemerkt aan Hermsen voorbij is gegaan, blijkt het zover toch nog niet te zijn. We worden hoogstens bedreigd: consumptiedrang en sensatiezucht, economie en technologie (waaronder internet en virtual reality) vormen een gevaar voor onze menselijkheid. Deze bundel lijkt bedoeld als een soort tegenwicht, want in haar essays heeft Hermsen naar eigen zeggen `een aantal hoogtepunten' verzameld van het door haar zo gewaardeerde `mens-zijn'.

`Mensen' zijn bij haar vooral vrouwen, van Belle van Zuylen tot Lou Andreas-Salomé en van Louise Colet tot Virginia Woolf. Over al deze schrijfsters staan informatieve, levendig geschreven essays in de bundel. Maar Hermsen begint met Antigone, de protagoniste van Sophokles' gelijknamige tragedie. Antigone's menselijkheid blijkt te bestaan uit haar `vermogen tot opstand', haar weigering om Creon te gehoorzamen en haar gestorven broer Polynices onbegraven te laten. De menselijkheid waarnaar Hermsen heimwee heeft is een zaak van `moed' en `eigenzinnigheid', maar dat niet alleen: zij vindt het ook van belang dat mensen openstaan voor het vreemde en onbekende (zowel binnen als buiten henzelf) en zichzelf en hun opvattingen niet verabsoluteren.

Het gaat om morele categorieën, die met de antieke tragedie niet zo veel te maken hebben. Wanneer Hermsen van Antigone een dappere rebel maakt en van de literatuur een vorm van `revolte', dan toont zij – heel anachronistisch – haar romantische inborst. Maar al te bont mag het kennelijk niet worden, getuige de aandacht voor Antigone's gematigde zuster Ismène, een personage dat in de Antigone-receptie soms volledig is genegeerd. In Ismène ziet Hermsen een min of meer humanistische tegenpool van Antigone's rebelse extremisme en tegelijkertijd een heilzame aanvulling daarop. Wat betekent dat het verzet dat zij de mens toewenst, een verzet tegen onrecht, zich niet zou mogen bezondigen aan dat wat het bestrijdt.

Dat klinkt nogal obligaat en braaf, maar in een ander boeiend essay (`Boze schoonheid') geeft Hermsen er een iets spannender draai aan, door met veel empathie de `sublieme' kunst van Armando en Marlene Dumas te verdedigen. Zij parasiteren volgens haar niet sensatiebelust op de gruwelen van de werkelijkheid, maar zij doen er iets bijzonders mee. Het gevolg is dat de ontvankelijke kijker van zijn of haar stuk wordt gebracht, gefascineerd raakt en in beweging komt. De ware – morele – menselijkheid hoeft dus niet de ogen te sluiten voor de dubbelzinnigheid van gruwel en verschrikking.

Een en ander wordt gedemonstreerd met behulp van het Griekse begrip `to deinon' (te vertalen met unheimlich), dat Heidegger uitvoerig bespreekt in zijn Antigone-Vorlesungen uit 1942. `Antigone-lezingen'? Die bestaan volgens mij niet. Even de bibliografie erop nageslagen. Daar staat het inderdaad: `,,Die Griechische Deutung des Menschen in Sophocles' Antigone.'' In Antigone-Vorlesungen, Gesamte Werke, band 53. Suhrkamp'. Hier moet iets zijn misgegaan, want de tekst die Hermsen lijkt te bedoelen maakt deel uit van Band 53 van Heideggers Gesamtausgabe (Gesamte Werke kent het Duits niet), uitgegeven bij Klostermann, en de titel daarvan luidt: Hölderlins Hymne `Der Ister'.

Toch blijf ik me afvragen wat onze essayiste nu precies gelezen heeft. Want het betreffende gedeelte van Heideggers Hölderlin-colleges beslaat niet, zoals Hermsen schrijft, `honderden' maar om op de kop af negentig bladzijden. Evenmin klopt het dat Heidegger Antigone's geslacht `onvermeld' zou hebben gelaten. Zij wordt ondubbelzinnig de `dochter van Oedipus' genoemd. Wèl is het waar dat de denker van het Zijn zich niet druk maakt om `kwesties als gender en etniciteit'. Maar dat laatste zou in 1942 (toen etniciteit onder het kopje `rassenleer' in Duitsland veel populariteit genoot) ook niet in zijn voordeel hebben gesproken.

Laten we het erop houden dat Joke Hermsen soms een beetje slordig is. Dat heeft haar niet verhinderd om een interessant essay te schrijven over Laclos' meesterlijke brievenroman Les liaisons dangereuses (1782), waarin zij alle nadruk legt op de wraakzucht tussen de beide libertijnse hoofdpersonen. En verder bevat de bundel onder meer een welkome introductie van de Franse filosofe Sarah Kofman (een minder beroemde geestverwante van Derrida cum suis) en een verkapte apologie van haar eigen roman Tweeduister (2001) waarin Virginia Woolf als personage ten tonele wordt gevoerd.

In deze essays staat het `heimwee naar de mens' naar mijn indruk op een wat lager pitje. Maar de morele kant van de bedreigde `menselijkheid' komen we opnieuw tegen in een verhelderend essay over `taal en extase' bij Ingeborg Bachmann, Virginia Woolf, Jeanette Winterson en Georges Bataille. Hermsens voorkeur gaat uit naar de dames, omdat hun extatische verkenningen van de grenzen van de taal altijd worden ingegeven door `hoop op verandering' – een `utopisch element' dat aan Batailles `innerlijke ervaring' ontbreekt. Voor mij zou dat juist een reden zijn om Bataille te prefereren. Maar dat komt vast door het verschil tussen `de vrouwelijke en de mannelijke hang naar extase', dat Hermsen in haar essay ter sprake brengt.

De slordigheid, tenslotte, steekt weer even de kop op in het op een na laatste essay, waarin Hermsen de visie van Hannah Ahrendt en Harry Mulisch op het Eichmann-proces bespreekt. Daarmee is op zichzelf niets mis, al vernemen we weinig nieuws of verrassends. De slordigheid zit hem in het verwijt aan Mulisch, dat hij in zijn recente roman Siegfried zijn ideeën over het kwaad `radicaal' zou hebben `bijgesteld'. In De zaak 40/61 verzet Mulisch zich nog tegen de demonisering van Eichmann door de openbare aanklager, betoogt Hermsen, terwijl hij er in de latere roman met betrekking tot Hitler zelf op los `demoniseert en mystificeert'.

Ik zal het niet ontkennen, maar wat Hermsen over het hoofd ziet is dat Hitler en Eichmann voor Mulisch geen lieden van dezelfde orde zijn – ook niet in De zaak 40/61, waarin Hitler nota bene wordt geanalyseerd als een `mythische held' en wordt opgevoerd als een volstrekt unieke `categorie' onder de jodenmoordenaars. Dat kun je uiteraard onterecht vinden, maar het verschilt nauwelijks, laat staan `radicaal', van hetgeen we veertig jaar later in Siegfried zullen aantreffen.

Joke J. Hermsen: Heimwee naar de mens. Essays over kunst, literatuur en filosofie. De Arbeiderspers, 247 blz. €19,95