De cultuurstrijd van D66

Een kinderhand is gauw gevuld. Dat geldt al helemaal voor de hand van D66-leider Boris Dittrich. Hij heeft de afgelopen weken een reuzenzwaai gemaakt van verklaarde oppositiepartij naar enthousiaste regeringspartner. En dat alles in ruil voor een zeer bescheiden pakketje politieke toezeggingen.

De oude regeringspartijen CDA en VVD hoefden niet op steun te rekenen van D66, verklaarde hij ferm na de verkiezingen van 22 januari. ,,Zolang wij zes zetels hebben, de derde nederlaag op rij, en zolang CDA en VVD geen vernieuwing van ons bestel willen, niets doen voor natuur en milieu, geen miljardenimpuls willen geven aan de versterking van het onderwijs en de kenniseconomie, moeten wij niet mee willen regeren'', aldus Dittrich in zijn eerste toespraak als aanvoerder van de Democraten op het congres van zijn partij, begin februari.

Inmiddels praat D66 als volwaardige aanstaande coalitiegenoot driftig mee over een nieuw regeerakkoord. Het waren de bevindingen van de informateurs Hoekstra en Korthals Altes die de afgelopen week voor D66 de deur naar het regeringswalhalla definitief openden. Maar waarom eigenlijk? In hun tussentijdse verslag van vorige week moeten de D66-lekkernijen met een lantaarntje worden gezocht. De door Dittrich geëiste miljardenimpuls voor onderwijs is verschrompeld tot enkele honderden miljoenen extra, de milieuvriendelijk aandoende afspraak dat boren naar gas in de Waddenzee de komende tien jaar niet zal worden toegestaan is woordelijk overgeschreven uit het regeerakkoord dat CDA, VVD en LPF vorig jaar met elkaar sloten. In datzelfde akkoord stond ook reeds de rechtstreeks gekozen burgemeester aangekondigd die nu als D66-doorbraak wordt gepresenteerd. En de herziening van het kiesstelsel ten slotte, waardoor het mandaat van individuele volksvertegenwoordigers moet worden versterkt, was reeds beloofd in het regeerakkoord van het eerste paarse kabinet.

Voor de inhoud had D66 dus niet hoeven toe te treden. Temeer omdat tegenover het ogenschijnlijke zoet straks een heleboel uit de miljardenbezuinigingen voortvloeiend zuur zal komen te staan. En toch heeft D66 er goed aan gedaan het huwelijk met CDA en VVD aan te gaan. Niet uit programmatische overwegingen maar uit strategische. Want in de afweging tussen wegkwijnen in de oppositie of profileren in de coalitie, is de keuze snel gemaakt.

Dan is direct wel de vraag hoe D66 als coalitiepartner zich met kans op electoraal succes kan profileren. De geschiedenis van de partij laat immers zien dat regeren bijna altijd tot desastreus verlies leidt. De aanwezigheid in het tweede kabinet-Van Agt bracht D66 in 1982 terug van zeventien naar zes zetels; het eerste paarse kabinet, nota bene geforceerd door Hans van Mierlo, kostte de Democraten tien van de 24 zetels terwijl de andere twee partners PvdA en VVD fors wonnen; de steun aan het tweede paarse kabinet moest D66 bekopen met nog eens zeven zetels verlies. Nee, dan D66 in de oppositie: negen zetels winst toen begin jaren tachtig strijd geleverd werd tegen het eerste kabinet-Van Agt en twaalf zetels winst toen Hans van Mierlo begin jaren negentig oppositie voerde vóór een centrumlinks beleid.

Het telkens terugkerende probleem van D66 in een kabinet is de onzichtbaarheid. Van `aanschuiven' wilde D66-leider Dittrich niet horen toen de partij enkele weken geleden na het mislukken van de formatiebesprekingen tussen CDA en PvdA in beeld verscheen als mogelijke regeringspartner. Het doet enigszins denken aan het gesputter van de confessionele partijen ten tijde van de vorming van het kabinet-Den Uyl in 1973. Die wilden in een dergelijk kabinet geen `bijwagen' van de progressieve partijen zijn. Een klacht waarover Wim Kan destijds opmerkte: ,,Bijwagen? Ze mogen nog niet eens de rails schoonmaken!''

Als leverancier van niet meer dan zes van de in totaal 78 coalitiezetels is de D66-inbreng alleen al rekenkundig gesproken minimaal. Natuurlijk zijn het wel cruciale zetels die D66 levert, want nodig voor een meerderheid, maar een partij met slechts zes zetels die zich bovendien graag als redelijk afficheert, kan het zich niet veroorloven de veel grotere coalitiepartners telkens in gijzeling te houden. De prijs die D66 voor kabinetsdeelname wil hebben, moet nu tijdens de kabinetsformatie worden betaald. En die prijs is dus grotendeels bekend.

Als er programmatisch voor D66 weinig meer uit de coalitie valt te halen, moet de `reden van bestaan' in het kabinet ergens anders worden gezocht. Wat resteert voor D66, is het diffuse begrip bestuursstijl. In het voor hem zo kenmerkende spraakgebruik bestempelde oprichter Van Mierlo D66 vroeger altijd als een `houding' tegenover politiek. Dat is nu exact het terrein dat braak ligt. Als de vorig jaar in opstand gekomen kiezers iets gemeenschappelijks hadden was het de afkeer tegen de regenteske gesloten bestuurscultuur die in Den Haag heerst. D66 werd 37 jaar geleden om diezelfde reden opgericht.

Inmiddels maakt de partij volop deel uit van `Het Systeem'. Maar anders dan bij partijen als de PvdA, de VVD of het CDA is de maatschappelijke verankering die de perverterende ons-kent-ons-mentaliteit in stand houdt bij D66 nagenoeg afwezig. D66'ers en dat zijn er niet zoveel hebben alleen zichzelf. Dat biedt de mogelijkheid voor een open wijze van besturen. De vanzelfsprekendheden die uit de Haagse mores voortvloeien, hoeven voor D66 nu juist geen vanzelfsprekendheden te zijn. Als regeringspartij kan D66 van binnenuit de strijd met de zo omstreden Haagse cultuur aanbinden. In Den Haag wordt al gesproken over een minister `van ontregeling' die de strijd met de bureaucratie zou moeten aangaan. Als deze figuur dan ook nog bestuurscultuur tot zijn takenpakket rekent, kan D66 zich geen betere ministerspost wensen. Dan kan eindelijk zichtbaar worden gemaakt waarvoor de partij ook al weer bedoeld was.