Coalitie IJsland wordt bedreigd

Morgen zou er een einde kunnen komen aan de sinds haar oprichting in 1929 vrijwel onafgebroken regeerperiode van de IJslandse Onafhankelijkheidspartij. De coalitie van de conservatieve Onafhankelijkheidspartij van premier David Oddsson en de kleinere centrum-rechtse Progressieve partij, met traditioneel veel aanhang onder de boeren, dreigt bij de parlementsverkiezingen van morgen haar meerderheid te verliezen. Opiniepeilingen, ook al worden ze bijna dagelijks gehouden, zijn echter in IJsland niet erg betrouwbaar. Want een derde van de IJslandse stemgerechtigden maakt traditiegetrouw pas op het laatste moment een keuze.

David Oddsson is al twaalf jaar premier en wil dat graag blijven. Onder zijn leiding werden staatsbanken geprivatiseerd en werd de economie gevarieerder, onder meer door de stimulering van bedrijven voor computertechnologie en medisch onderzoek. En ook al is de economie nog steeds in hoge mate afhankelijk van vangst en export van vis, de modernisering heeft bijgedragen tot IJslands hoge welvaartsniveau. Dit beleid heeft echter ook een keerzijde. IJslands sterk egalitaire traditie wordt bedreigd. Er komen steeds meer nieuwe rijken en extreem rijken en, daar tegenover, ook meer armen – 20.000 (op een bevolking van 280.000) volgens een onlangs verschenen studie.

De welvaartskloof bestaat ook in de visserij, waarvan vooral vele kleine dorpen langs de kust van oudsher afhankelijk zijn. Het geldende quotasysteem, met verhandelbare – en inmiddels zeer prijzige – visquota, heeft geleid tot een concentratie van enkele grote visserijbedrijven in centra als Reykjavík en Akureyri in het noorden van het land. Deze bedrijven kopen de quota op die te duur zijn voor individuele of startende vissers. Daardoor verdwijnt de visserij uit de dorpen, trekt de jeugd daar weg. Nu al woont tweederde van de totale bevolking in Reykjavík en omgeving. Voor de achterblijvers in de dorpen bestaat weinig toekomst. Hervorming van het quotastelstel, een moeilijke opgave, staat bij de meeste partijen hoog op de agenda.

Om haar kansen te vergroten heeft de de grootste oppositiepartij, de centrum-linkse Alliantie (Samfylkingin) de succesvolle ex-burgemeester van Reykjavík, Ingibjörg Solrun Gisladottir, als kandidaat-premier naar voren geschoven. Het zou de eerste keer zijn dat IJsland een vrouwelijke regeringsleider krijgt. Gisladottir wil, in een coalitie met een kleine linkse milieupartij, de groei van de welvaartskloof tegen gaan. Oddsson wil de economische expansie voortzetten en IJsland verheffen – volgens zijn verkiezingsprogramma `van de zevende naar de eerste plaats' op de VN-ranglijst van meest welvarende landen.

Het verkiezingsresultaat van de Progressieve partij is vermoedelijk beslissend voor de vraag of de huidige centrum-rechtse coalitie nog eens vier jaar aan het bewind kan blijven of een centrum-linkse coalitieregering kan worden gevormd.