`Schoonmaak' Ivoorkust ontaardt in slachtpartij

Rebellen in Ivoorkust hebben de laatste weken `grote schoonmaak' gehouden. Liberiaanse strijders die tot voor kort aan hun zijde vochten, hebben ze verjaagd of vermoord.

Als een gestrand dier ligt de witte Mazda van de rebellenleider op zijn kant. De klep van de kofferbak is doorzeefd door kogels. In een van de zijspiegels zit een kogelgat. Op de grond liggen door de sergeant ondertekende benzinebonnen en de Liberiaanse nummerplaat waaraan iedereen zijn auto meteen herkende.

Enkele meters verderop blakert een lijk in de zon. Dat was de chauffeur. Niet ver daarvandaan, onder een bergje rulle aarde, rust sergeant Felix Doh, de Ivoriaanse rebellenleider die Liberiaanse vechters inschakelde om het westen van Ivoorkust binnen te vallen. Twee weken geleden werd Doh opeens vermist. Hij zou ontvoerd zijn door de mannen die tevoren nog aan zijn zijde vochten. Roemloos kwam hij aan zijn einde in dit niemandsland tussen Ivoorkust en Liberia, langs de berm van een onverharde weg.

De dood van de rebellenleider wordt alleen door zijn kameraden betreurd. Een betere oplossing voor de chaotische situatie langs de grens met Liberia was niet denkbaar. De rebellengroepen in het westen waren een plaag geworden voor de MPCI, de belangrijkste rebellenbeweging die sinds september vorig jaar het noorden van het land bezet houdt. Ze ondermijnden het vredesakkoord dat president Laurent Gbagbo eind januari in Frankrijk met de rebellen had gesloten. De streek rond de stad Man was sinds november in handen van de relatief gematigde MJP. Danané en de dorpjes ten zuiden daarvan werden gecontroleerd door de keiharde krijgsheer Felix Doh en zijn groepering MPIGO. Beide rebellengroepen hadden honderden Liberianen in hun gelederen.

Wie Liberianen inhuurt, sluit een pact met de duivel. De meesten van hen zijn gewetenloze tieners die nooit iets anders hebben gekend dan oorlog. Zij staan niet alleen om hun hardheid bekend, ook om de geringe beloning die hen drijft: ongehinderd plunderen. Dat hebben de inwoners van Man en Danané geweten. Alle villa's van inderhaast gevluchte regeringsfunctionarissen werden tot en met de lichtschakelaars onttakeld. De plaatselijke horeca moest het ook ontgelden. Een verslagen hoteleigenaar somt desgevraagd op wat hij met de intocht van de Liberianen is kwijtgeraakt: vijf televisies, elf ventilatoren, 22 lakens, 22 handdoeken, één matras en al het keukengerei. In zijn kantoortje staat allen een scheefgezakt bureau. ,,Ze schoten in de lucht, ramden de deur open en namen alles mee. Iedereen was doodsbang. We hebben ze hun gang laten gaan.''

Terwijl niemand zich nog in het westen waagde, werd het leven in het noorden onder het bestuur van de MPCI weer als vanouds hervat. In het kader van het vredesakkoord trad vorige maand een regering van nationale eenheid aan met negen rebellenleiders op ministersposten. De MPCI kreeg zeven kabinetszetels, de twee andere rebellenbewegingen ieder één. Maar de anarchie in het westen vormde een bedreiging voor het verzoeningsproces.

De Liberiaanse huurlingen waren niet meer in de hand te houden. Als ze niet vertrokken, zouden de rebellen hun politieke geloofwaardigheid verliezen. Daarom stuurde de MPCI vanuit het hoofdkwartier in de centraal gelegen stad Bouaké een speciale eenheid naar het westen om de Liberianen te ontwapenen. Anderhalve week geleden werden de straten van Man schoongeveegd. Volgens ooggetuigen gebeurde dat zonder bloedvergieten. ,,Als je een Liberiaan zijn wapen afneemt, wordt hij weer een kind'', verklaart een lokale rebellenleider.

In Danané ging het er ruiger aan toe. Daar werden de commando's van de MPCI bestookt met mortieren door Liberianen die zich verraden voelden door hun bondgenoten en helemaal geen zin hadden om weg te gaan. De MPCI geeft toe dat er hevig is gevochten. Maar bij het nabijgelegen ziekenhuis zijn geen gewonde Liberianen meer binnengekomen. De Liberianen die er al lagen, durft de dokter niet te ontslaan, omdat ze hun leven daarbuiten niet zeker zijn.

Als bij toverslag zijn vrijwel alle Liberianen verdwenen. De enigen die achtergebleven zijn, zitten in de gevangenis. Zoals James Coleman die zegt zakenman te zijn. ,,Er is een massale slachtpartij van Liberianen aan de gang, verschrikkelijk'', zegt Coleman. ,,De meeste Liberiaanse huurlingen zijn ontwapend zodra die mannen uit Bouaké arriveerden. Daarna werd iedereen opgepakt en naar de hoofdstraat gebracht. Ze kregen citroensap en zout in hun ogen gewreven en werden geëxecuteerd. Zeker drie- à vierhonderd Liberianen. De rest is naar de bush gevlucht.'' Het Rode Kruis heeft in Danané zeker vijftig Liberianen begraven die ter dood waren gebracht. Hun handen waren op hun rug gebonden.

De dood van MPIGO-leider Felix Doh, de man die met zijn bende Liberianen heer en meester was over Danané, betekent ook het einde van zijn rebellenbeweging. Het troosteloze stadje mag alleen bezocht worden onder zwaargewapende escorte van de MPCI, die nu de touwtjes in handen heeft. Werd Doh werkelijk omgebracht door Liberianen of werd hij uit de weg geruimd tijdens de `schoonmaakoperatie'?

,,De stad is weer veilig, de bevolking kan rustig slapen'', antwoordt een MPCI-leider. Zeker is dat de Ivoriaanse rebellen er niet voor terugdeinzen om vuur met vuur te bestrijden. ,,We proberen ze één voor één te pakken te krijgen'', zegt een jonge Ivoriaan in een onbewaakt moment. ,,Ze worden allemaal doodgeschoten en ergens in de bush gedumpt.''