Rentekriebels

Vandaag vergadert de Raad van Bestuur van de Europese Centrale Bank (ECB) over het rentetarief waartegen commerciële banken bij hun centrale bank geld kunnen lenen. Via deze rente voor kortlopende leningen – nu 2,5 procent – probeert de ECB de koopkracht van de euro te beschermen. Doelstelling is dat de inflatie in het eurogebied beneden de 2 procent per jaar blijft. Stijgen de prijzen sneller, dan verhoogt de ECB de rente. Dit maakt geld lenen duurder, zodat consumenten en bedrijven minder krediet opnemen. Zij hebben dus minder te besteden, zodat de oververhitte economie afkoelt. Omgekeerd kan een renteverlaging de bestedingen en de economische groei stimuleren.

Het rentebeleid van de ECB rust op twee pijlers. Om te beginnen letten de centrale bankiers in Frankfurt op de hoeveelheid geld die beschikbaar is in de economie. Circuleert er meer geld dan voor de economische groei nodig is, dan kan dit tot inflatie leiden. De tweede pijler bestaat uit een batterij andere factoren die invloed hebben op de prijzen, zoals de stijging van de lonen en het tempo van de economische groei.

Het rentebeleid van de ECB staat bloot aan drie soorten kritiek. De eerste pijler is verzakt: de groei van de geldhoeveelheid is een slechte graadmeter voor dreigende inflatie. Veel economen pleiten er daarom voor het rentebeleid alleen op de tweede pijler te baseren. Vervolgens verwijten commentatoren uit de financiële wereld de ECB dat die haar rentebeleid onvoldoende duidelijk uitlegt. Het belangrijkste punt van kritiek luidt dat de korte rente op dit moment te hoog is, ook al ligt de inflatie in de eurozone nog een tikkeltje boven de 2 procent. Achter dit gemiddelde gaan namelijk grote verschillen schuil. In Duitsland stijgen de kosten van levensonderhoud met amper een half procent per jaar, in Ierland en Griekenland daarentegen met bijna 4 procent.

Bij de oosterburen en in Frankrijk staat, net als bij ons, de economische groei bijna stil. Verlaging van de korte rente kan deze landen uit de put helpen. Dit maakt het voor ondernemingen goedkoper hun investeringen te financieren met geleend geld. Gezinnen kunnen goedkoper op krediet kopen. Als ondernemingen en gezinnen op de renteprikkel reageren, dan krijgen de binnenlandse bestedingen een extra stimulans.

De ECB aarzelt echter om de rente te verlagen. Zij geeft prioriteit aan inflatiebestrijding. Dat is ook haar hoofdtaak. Noch nationale overheden, noch het Europese Parlement of andere instellingen van de Europese Unie mogen de onafhankelijke ECB aanwijzingen geven voor het te voeren beleid. Zo'n onafhankelijke centrale bank zien velen als de beste garantie voor prijsstabiliteit.

Algemeen leeft de verwachting dat de inflatie in het eurogebied het komend jaar verder zal dalen. De recente forse stijging van de euro ten opzichte van de dollar betekent dat Europa ruwe olie en andere grondstoffen goedkoper kan invoeren. Hierdoor stijgen ook de kosten van levensonderhoud minder snel. Volgend jaar zou in Duitsland het leven zelfs goedkoper kunnen worden. Dit vooruitzicht van deflatie in de belangrijkste economie van het eurogebied boezemt critici van het ECB-beleid angst in. Wanneer de prijzen dalen, houden consumenten het geld in hun zak. Morgen kunnen ze immers meer voor een euro kopen dan vandaag? Zo'n kopersstaking verergert de recessie. In tijden van deflatie kunnen huizenbezitters hun borst nat maken: zij moeten de hypotheek aflossen met euro's die steeds duurder worden.

Japan geeft het afschrikwekkende voorbeeld van een land met een deflatoire economie. Hoewel de centrale bank daar de korte rente inmiddels vrijwel tot nul heeft verlaagd, wil het economisch herstel in het land van de rijzende zon maar niet van de grond komen. Het voorbeeld van Japan toont ook aan dat het rentemes maar aan één kant snijdt. Door de rente genoeg op te schroeven kan een centrale bank met succes een domper op uitbundige bestedingen zetten. Een hoge rente maakt het voor bedrijven en gezinnen domweg te duur om nog geld te lenen.

Maar het omgekeerde is allesbehalve zeker. Nadat krediet goedkoper is geworden, gaan bedrijven en gezinnen niet automatisch meer besteden. Daarvoor is ook vereist dat ze voldoende vertrouwen hebben in de eigen financiële toekomst en in die van het land. Een verlaging van de korte rente is dus niet de wonderolie waarop de economie vanzelf beter gaat draaien.

Het vooruitzicht van deflatie in Duitsland heeft de rentemakers van de ECB wel de kriebels gegeven. De Raad van Bestuur denkt erover om naast een bovengrens voor inflatie (nu: 2 procent) ook een ondergrens in te voeren van 1 procent. Zou de inflatie in de eurozone door die vloer zakken, dan zou dat een signaal zijn om de rente te verlagen.

Het verdient mijns inziens de voorkeur ook de bovengrens te heroverwegen. De ECB zou de korte rente pas moeten verhogen wanneer de inflatie in het eurogebied gemiddeld boven de 3 procent dreigt uit te komen. Zo'n bandbreedte van 1 à 3 procent zou onderstrepen dat het bestuur van de ECB streeft naar gemiddeld niet meer dan 2 procent inflatie, en het deflatiespook buiten de deur houden.