Politiek jojoot met defensie

In de Nederlandse strijdkrachten wordt te veel geld besteed aan het instandhouden van overtolligheid, aldus PvdA-defensiewoordvoerder in de Tweede Kamer Frans Timmermans (Opiniepagina, 5 mei). Zo'n stellingname doet afbreuk aan de grote inzet van militairen en burgerpersoneel die onder het juk van voortdurende bezuinigingen en reorganisaties met kunst- en vliegwerk hun taken moeten uitvoeren. Timmermans heeft vooral de marine in het vizier. Terecht merkt hij op dat de omvang van de marinevloot sinds de Koude Oorlog onveranderd is gebleven. Ook zijn constatering dat daar met hoogtechnologische wapenplatforms, zoals luchtverdedigingsfregatten, relatief eenvoudige operaties worden uitgevoerd, snijdt hout. Maar hij gaat voorbij aan de vraag waarom dit gebeurt.

In 1993 verscheen onder verantwoordelijkheid van de toenmalige defensieminister Ter Beek (PvdA) de Prioriteitennota `Een andere wereld een andere defensie'. In die inkrimpings- en bezuinigingsnota werd het woord multifunctioneel met grote hoofdletters geschreven. Alle eenheden en daarmee ook alle wapensystemen moesten voor meer taken inzetbaar zijn. Wapensystemen die daaraan niet voldeden werden in de verkoop gedaan. Zo verdween bij de landmacht het merendeel van de tanks en artillerie. Datgene dat na zoveel bezuinigingsrondes nog van de krijgsmacht resteert is een minimum aan middelen, bestemd voor een maximum aan taken. Wil men ook de meest moeilijke en complexe opdrachten uitvoeren dan vereist dit veelal geavanceerde en hoogtechnologische middelen.

Nu er weer een nieuwe reeks van bezuinigingen op stapel staat, ontkomt de politiek er niet aan de vraag te stellen of alle krijgsmachtdelen met de huidige middelen alle taken in het totale geweldspectrum moeten kunnen blijven uitvoeren. Regering en parlement moeten aangeven op welke manier zij de krijgsmacht willen inzetten als het gaat om het handhaven van de internationale rechtsorde en de bijdrage aan vrede en veiligheid.

Een fundamentele politieke keuze gaat vooraf aan de discussie over de vereiste middelen. Het doelmatiger samenwerken tussen de krijgsmachtdelen en de centralisatie van de Haagse staven, zoals aangegeven in het rapport van de commissie-Franssen, zijn vanzelfsprekend en dienen met spoed te worden uitgevoerd. Maar dat zijn niet de zaken waarom het draait. Dat geldt ook voor het onderwerp taakspecialisatie. Wanneer men wacht op de afloop van de discussie in de NAVO of in de Europese Unie, dan kan men wachten tot sint-juttemis. Hier mag Nederland best het voortouw nemen door op basis van het gewenste te voeren buitenlands- en veiligheidsbeleid zijn eigen keuzes te maken.

Zo was het voornemen om te schrappen in de geavanceerde F-16 gevechtsvliegtuigen geen bijdrage aan de Europese veiligheid. Onder druk van de Tweede Kamer is de regering vorig jaar gevraagd dit plan terug te draaien. De huidige Tweede Kamer dient er op toe te zien dat dit ook wordt uitgevoerd.

Dat Nederland zijn eigen politieke keuzes moet maken is geen pleidooi voor renationalisatie van het defensiebeleid, maar het nemen van de eigen verantwoordelijkheid. Andere organen, de Europese Unie voorop, verspillen immers hun tijd met het bouwen van luchtkastelen. De minitop van Frankrijk, Duitsland, België en Luxemburg over een eigen Europees militair hoofdkwartier geeft aan hoe Europa is verdeeld en afgedwaald. Ook de NAVO is gespleten, waardoor men de komende tijd van deze organisatie weinig heldendaden kan verwachten.

Volgende week vindt in de Tweede Kamer het debat met de regering plaats over het eindrapport `Missie zonder Vrede' van de Enquêtecommissie Srebrenica. Naast de rehabilitatie en de vereiste nazorg van de Dutchbatters, kan men ook in dat debat niet om de vraag heen hoe regering en parlement de inzet van de krijgsmacht zien. Wanneer daar helderheid over bestaat is de discussie over de inrichting van de krijgsmacht en het aantal fregatten of het aantal pantserinfanteriebataljons een stuk eenvoudiger.

M. van den Doel was van 1994 tot 2003 lid van de Tweede Kamer en Defensiewoordvoerder van de VVD.