Europa heeft geen antwoord

Tussen de Verenigde Staten en Europa – althans grote delen van Europa – gaapt een kloof, die, volgens H.J.A. Hofland in een lang artikel op deze pagina in de krant van 3 mei, ,,bijna onoverbrugbaar'' is wegens ,,het geopolitieke conflict, gecombineerd met de culturele verschillen''. Dat is juist, maar gebrek aan kennis in Europa over de culturele en intellectuele krachten achter het huidige Amerikaanse beleid is óók een van de oorzaken van die kloof.

Zo beweerde de cultuurhistoricus Thomas von der Dunk, niet gehinderd door zulke kennis of redactionele controle, op 16 april op dezelfde pagina ,,dat we in de persoon van Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz van doen hebben met fundamentalisten, die zijn behept met het zwart-witbeeld van de kruisvaarder''. Nu, er kan veel van deze heren gezegd worden, maar bijbelse fundamentalisten zijn ze niet.

Cheney en Rumsfeld, respectievelijk vice-president en minister van Defensie, zijn weliswaar methodist, maar hebben, zoals de historicus James Kennedy in het Nederlands Dagblad van 16 april schrijft, ,,nauwelijks publiekelijk blijk gegeven van enige religiositeit''. En Wolfowitz, plaatsvervanger van Rumsfeld? Zijn naam alleen al zou Von der Dunk hebben moeten waarschuwen alvorens hem onder de bijbelse fundamentalisten te rangschikken.

In feite is er in de regering-Bush op het ogenblik slechts één bijbelse fundamentalist op een belangrijke plaats: de minister van Justitie, John Ashcroft, maar die heeft geen invloed op het buitenlands beleid. Cheney en Rumsfeld zijn gewone, weinig ideologisch bevlogen conservatieven, Wolfowitz daarentegen wordt wél door een ideologie gedreven, de niet voor niets neoconservatief genoemde ideologie.

Over die neoconservatieven nu gaat Hoflands artikel van 3 mei, en al onderschrijf ik niet alles wat hij daarin poneert – is het werkelijk waar dat het neoconservatisme, als de radicaal-revolutionaire ideologie die het is, al in 1948 is ontstaan? – zijn artikel is een eerste serieuze poging in Nederland om die stroming te analyseren en niet, zoals veelal in de intellectuele en semi-intellectuele wereld gebeurt, weg te lachen. Daarom was het welkom.

Inderdaad: de neoconservatieven zijn ,,eerder radicaal en revolutionair'', zoals Peter van Ham, onderzoeker van het instituut Clingendael in de Volkskrant van 27 maart schreef (hoewel hij ten onrechte ook Cheney en Rumsfeld, die, zoals ik eerder betoogde, ouderwetse, dus weinig radicale conservatieven zijn, tot hen rekent). Grotendeels zijn het voormalige Democraten, die genoeg hadden van het halfzachte beleid van de presidenten Carter en Clinton (zo populair in Europa).

Henry Kissinger, de legendarische minister van Buitenlandse Zaken van president Nixon, kan evenmin tot hen gerekend worden, want hij was voorstander van een metternichiaanse politiek van machtsevenwicht, terwijl de neoconservatieven – en dat is het radicale (als men wil: gevaarlijke) van hun ideologie – onbeschroomd gebruik willen maken van Amerika's positie als enig overgebleven supermogendheid, buiten bestaande multilaterale verbonden om. De overwinning in Irak heeft hun extra wind in de zeilen gegeven.

Toch zijn het geen Realpolitiker (zoals Kissinger er een was). Nee, hun staat wel degelijk een ideaal voor ogen: de democratisering van de wereld. Wat dat betreft staan zij dichter bij president Wilson (1913-1921), vader van de Volkenbond en icoon van de Democraten, dan bij Kissinger. Wilsons woorden (uitgesproken vóór Amerika's oorlogsverklaring aan Duitsland in 1917): ,,The world must be made safe for democracy'', zouden de neoconservatieven tot de hunne kunnen maken.

Hetzelfde geldt voor Wilsons geloof in de noodzaak van ,,de vernietiging van iedere op willekeur berustende macht, waar ook ter wereld, die de vrede van de wereld kan verstoren'' (woorden uitgesproken in 1918). Wat dat betreft, beantwoordt de neoconservatieve ideologie aan een diepgeworteld, bijna missionair geloof dat zo oud is als de Amerikaanse samenleving zelf. Ook de Democraten, de oppositie van vandaag, kunnen zich daar moeilijk aan onttrekken.

Dit streven `de wereld veilig voor de democratie te maken' wordt nu geprojecteerd op het Midden-Oosten. Wij levensmoede Europeanen, kunnen daar sceptisch op reageren, ja er zelfs ons hart om vasthouden, maar moeilijker is het voor de overtuigde democraten onder ons om dit streven op ideologische gronden voor verkeerd te houden.

In een artikel in het meinummer van de Internationale Spectator, dat overigens eveneens een knappe analyse van het neoconservatieve denken is, schrijft Stefan van Wersch: ,,Op zich zelf is het natuurlijk inderdaad ironisch te zien hoe juist aan de linkerzijde van de discussie argumenten verzameld worden om uit te leggen waarom democratisering in het Midden-Oosten een gevaarlijk idee is.''

Inderdaad, waarom de straat opgaan om de val van de Franco's, Pinochets, Botha's van deze wereld te eisen, maar protesteren wanneer Bush de val van Saddam Hussein bewerkstelligen wil? Daar is op z'n minst sprake van een gebrek aan logische consistentie. Dit soort denken (als het tenminste nog denken genoemd kan worden) verdient, hoezeer ook de motieven erachter begrijpelijk en misschien zelfs eerbaar genoemd kunnen worden, slechts intellectuele minachting.

Nee, dan vormen de neoconservatieve denkbeelden, ook wanneer er alle reden is om ze met scepsis, zo niet met verontrusting, tegemoet te treden, ,,bijna altijd een intellectuele uitdaging'', zoals Van Wersch schrijft. Een uitdaging ook omdat hun radicalisme – bijna zou ik geschreven hebben: hun idealisme, als dit woord niet door links gekidnapt was – breekt met juist die scepsis waarmee conservatisme meestal vereenzelvigd wordt. Zijn het dus eigenlijk wel conservatieven?

In elk geval hebben de Europeanen – afzonderlijk of gemeenschappelijk; Atlantisch of Europees – nog geen antwoord gevonden op deze Amerikaanse uitdaging. Geen wonder dat ze door de Amerikanen niet aux sérieux genomen worden. Het is niet alleen hun onmacht die de Europeanen tot die staat van irrelevantie heeft gebracht; het is ook hun gebrek aan ideeën. Misschien heeft het één meer met het ander te maken dan in een klein land betamelijk is toe te geven.