`Debat'

Omdat de oorlog in Irak me nog als een graat in de keel steekt, ging ik naar een discussieavond met Jan Pronk in De Balie in Amsterdam.

Er waren nog wat onbeantwoorde vragen, nietwaar. Ik was dan wel gematigd voorstander van het Amerikaans-Britse ingrijpen geweest, maar ik had nog steeds zwakke momenten waarop ik me afvroeg of ik niet geweldig in de maling was genomen door een groepje louche beroepsworstelaars in het Witte Huis.

Die hadden inmiddels elke zandbak in Irak tot de bodem afgegraven, maar tot dusver hadden ze niet meer gevonden dan een vieze lolly en een wagentje dat gefungeerd zou kunnen hebben als mobiel laboratorium, maar dat net zo goed een plaatselijke SRV-kar kon zijn geweest. Of misschien had de broer van Saddam Hussein er alleen maar filmpjes ontwikkeld om zijn pornografische honger te stillen.

En hoe was het met Saddams banden met Al-Qaeda? Of waren Bin Laden en hij niet meer dan verre vrienden van elkaar geweest, een soort correspondentieschakers-uit-verveling?

Ik was er niet helemaal gerust op.

Daarom had ik, achteraf bezien, beter niet naar De Balie kunnen gaan, want daar liep het voor mij uit op een avondje zelfkastijding. Dat Pronk tegen de oorlog in Irak was geweest, was algemeen bekend. Maar zijn `discussiegenoot' bleek hem nog te overtreffen in zijn afschuw. Het was de Amerikaanse advocaat Peter Weiss, een strenge, oude man met een sikje, en een deskundige op het gebied van het internationale recht.

Een Amerikaanse vrouw in de zaal vroeg Weiss of Amerika in de richting van het fascisme ging. ,,Je kunt het fascisme noemen'', zei Weiss, ,,maar ik noem het liever `de Middeleeuwen'.'' Hij vergeleek het met de jaren vijftig, toen de senator Joe McCarthy met zijn communistenfobie Amerika een angstpsychose bezorgde. ,,Maar nu is het erger'', zei hij droogjes, ,,want McCarthy was maar een senator, terwijl de dreiging nu van de regering zelf komt.''

Was het dan niet onze humanitaire plicht geweest om in te grijpen? ,,Zelfs de ergste humanitaire oorzaken kunnen zulk ingrijpen niet rechtvaardigen'', antwoordde Weiss. ,,Als je zo'n precedent schept, dien je het hele systeem van internationale veiligheid een body-blow toe.''

Helaas kan er geen debat ontstaan als de debaters het roerend met elkaar eens zijn. Dan gaat zo'n avond lang duren, vooral als het in het zaaltje steeds warmer en benauwder wordt en Jan Pronk van de weeromstuit nóg beter op dreef raakt.

Eerst had hij alleen iets voorgelezen, maar toen begon hij uit het hoofd aan een oratie over de werking van de Verenigde Naties die zeker een half uur duurde. De pauze, waarin we het pand ongemerkt hadden kunnen verlaten, kwam te vervallen, terwijl Pronk de sluizen van zijn kennis nog verder openzette.

Weiss verstarde op zijn stoeltje, het zo onberispelijke kapsel van de discussieleidster begon te slierten en wij in de zaal voelden ons zo langzamerhand een deel van de Republikeinse Garde, moedeloos ingegraven voor Bagdad, terwijl de coalitiebommen onophoudelijk op ons neerdaalden.

Onvoorwaardelijke overgave was het enige dat ons restte.