Britten

Met zijn Tweede strijkkwartet richtte de Engelse componist Benjamin Britten in 1945 een totempaal op voor zijn landgenoot Henry Purcell, toen precies 250 jaar geleden gestorven. Het gelaat van het verleden is prominent in de muziek ingekerfd, maar hoe dichter Britten het object van zijn verering nadert, hoe meer hij zijn eigen passen danst.

Het Brodskykwartet leeft dicht bij het vuur. Als altist Paul Cassidy aan het begin een streep trekt van C-majeur, à la Purcells Fantasia upon one note, dan doet hij dat op de Francesco Guissani uit 1843, die ooit aan Britten toebehoorde. Op de oer-lp van Brittens Tweede strijkkwartet staat die Fantasia als tegenstuk en speelt Britten zelf Purcells langgerekte noot op dezelfde altviool. De Brodsky's spelen met rondborstige bewogenheid, niet al te intellectueel, maar des te aansprekender. Jammer dat ze op het hoogtepunt van de Purcell-verering, in de afsluitende Chacony, spanningsverlies lijden.

In Brittens Derde strijkkwartet (1975) schitteren ze van begin tot eind. Teder zingt zich Britten richting dood. Het slotdeel, wederom aan Purcell gelieerd, is in essentie een barcarolle. In de gondel zit Britten zelf – met huiver en hunker. `Dying away' noteert hij, als de muziek op een vraagteken is uitgelopen.

Britten: Strijkkwartetten 2 & 3, Brodsky Quartet (Challenge Classics CC72099)