Aanslag op sociale basisrechten

De aangekondigde ingrijpende bezuinigingen dreigen verworvenheden die in de afgelopen decennia tot stand zijn gekomen, te beperken of zelfs af te schaffen. Een forse verslechtering van het sociale zekerheidsstelsel kan het gevolg zijn. De legitimiteit van zo'n dergelijke ingreep bevindt zich in het spanningsveld tussen de werkelijkheid en het ideaal van de sociale grondrechten in de Nederlandse rechtsstaat. Sociale grondrechten zijn in de Grondwet van 1983 neergelegd. Ze leggen de overheid de verplichting op een sociale, culturele en economische infrastructuur te creëren en in stand te houden.

Ook internationaal is de overheid gehouden sociale grondrechten in acht te nemen. Neem het Europees Sociaal Handvest en het VN-verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. De voorgestelde bezuinigingsmaatregelen van het komende kabinet zijn mogelijk strijdig met de in de grondwet en in internationale verdragen geformuleerde opdracht om het sociale bouwwerk in stand te houden.

Tijdens de economische hoogconjunctuur in de jaren negentig was dit een gemakkelijke klus. Met een begrotingsoverschot en voldoende financiële middelen is het scheppen van werkgelegenheid relatief eenvoudig. De groei van de gesubsidieerde Melkertbanen is daarvan een voorbeeld. Politici struikelden over elkaar heen om het belang van sociale grondrechten te onderstrepen. Zo vond minister De Vries van Sociale Zaken in 1998 nog dat het recht op werkgelegenheid de overheid dwingt tot organieke wetgeving op het terrein van de rechtspositie van werknemers en bij medezeggenschap.

Sinds het economisch slechter gaat, horen we de meeste politici niet meer over dit onderwerp. Dat is opmerkelijk, zeker omdat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in oktober 2002 in zijn rapport over de toekomst van de nationale rechtsstaat nog van mening was dat de sociale grondrechten een wezenlijk onderdeel uitmaken van de Nederlandse rechtsstaat.

Ondanks het feit dat de sociale grondrechten geen juridisch, maar vooral een politiek imperatief betreffen, mag de overheid niet willekeurig het bereikte niveau van de verzorgingsstaat terzijde schuiven. De sociale grondrechten zijn in feite fixerende (`stand-still') bepalingen voor een op een bepaald moment bereikt voorzieningenniveau, Zij mogen niet alleen gezien worden als een normatief ideaal of een absolute minimum-bestaansgarantie.

Net zo min als de overheid ongeclausuleerd inbreuk kan maken op klassieke grondrechten, zou de overheid niet zomaar het sociale zekerheidsstelsel ongeclausuleerd mogen uithollen. Als dat wel mogelijk is, dan dienen vraagtekens gezet te worden bij het nut van de sociale grondrechten. Immers, als de overheid deze naar willekeur kan negeren, zijn het louter symbolische `sinterklaasrechten'.

Dat dit echter niet zo maar kan, blijkt wel uit het feit dat de sociale grondrechten zijn gecodificeerd in de grondwet en in internationale verdragen. Daardoor maken zij deel uit van de nationale (en internationale) rechtsorde. Juist omdat de burger de sociale grondrechten niet voor een rechter kan inroepen, moet de volksvertegenwoordiging het mogelijk maken dat de sociale merites van ingrijpende bezuinigingsmaatregelen juridisch kunnen worden getoetst. Het zou van rechteloosheid en van minachting voor de burger getuigen als het in wetten en verdragen vastgelegde fundament van zijn sociale bestaan via een opportunistische streek van het rode potlood zijn vastigheid zou verliezen.

Harry Veenendaal studeert Nederlands recht.