Strafrecht VS moet niet in Europa gelden

Een mogelijk besluit over onderlinge uitlevering van verdachten tussen de VS en Europa heeft grote juridische nadelen, meent R. Blekxtoon. Zo vervalt de verplichting een summier overzicht van het vergaarde bewijs over te leggen.

Stonden in de Irak-oorlog de Verenigde Staten en een deel van de Europese Unie diametraal tegenover elkaar, als het gaat om het uitleveren van verdachten, wil Amerika beschouwd worden als een EU-lidstaat. Zoals NRC Handelsblad gisteren meldde, zijn geheime onderhandelingen tussen de EU en de VS over vereenvoudiging van onderlinge uitlevering en ingrijpende uitbreiding van justitiële samenwerking (waarbij onder meer het inzetten van gezamenlijke opsporingsteams met verregaande bevoegdheden mogelijk wordt) in een cruciaal stadium beland.

Als het Amerika lukt om op uitleveringsgebied beschouwd te worden als een EU-staat, zal het Europese Aanhoudingsbevel ook tussen de EU en de VS gelden. Een aantal EU-lidstaten heeft daar in februari bezwaar tegen aangetekend, als gevolg waarvan de onderhandelingen zijn opgeschort. De planning voorziet in overeenstemming op uiterlijk 5-6 juni, en het is de bedoeling dat de overeenkomsten worden getekend op de Amerikaans-Europese top van 25 juni.

Het bezwaar van de EU-lidstaten (welke dat zijn is niet bekend) spitst zich toe op het feit dat de VS niet zijn onderworpen aan de Europese regelgeving: het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (dus ook het Europese Hof in Luxemburg) en de regels betreffende de bescherming van de privacy.

Het huidige uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten voorziet in de verplichting een summier overzicht van het vergaarde bewijs over te leggen, waarop het arrestatiebevel en het verzoek tot uitlevering steunen. Die verplichting vervalt indien het Europees Aanhoudingsbevel van kracht wordt.

Dan geldt dat het stellen van een strafbaar feit voldoende is. De te verstrekken gegevens zijn tot een minimum beperkt. De procedure moet binnen negentig dagen zijn afgerond, zodat een rechtsmiddel de facto niet meer mogelijk is. Te vrezen valt ook dat het opvragen van aanvullende gegevens op weerstand zal stuiten bij de VS, die nu al geïrriteerd raken als de rechtbank aanvulling vraagt.

Dat zou allemaal niet zo erg zijn, ware het niet dat om een aantal redenen uitlevering aan de VS van een fundamenteel andere orde is dan wanneer iemand aan een EU-lidstaat wordt uitgeleverd.

In de eerste plaats zal het vooral gaan om min of meer georganiseerde criminaliteit, zoals terrorisme, drugshandel, witwassen en mensenhandel. In dat soort gevallen plegen de VS altijd (ook) conspiracy (samenspanning) ten laste te leggen, soms naar Nederlands recht overeenkomend met `medeplegen', een enkele keer met het `deel uitmaken van een criminele organisatie'. En daarmee hebben de VS dan universele rechtsmacht indien een deel der handelingen op het grondgebied van de VS gepleegd of tegen de belangen van de VS gericht is. Dat betekent dat iedereen die in het kader van die conspiracy uitvoeringshandelingen heeft gepleegd, bijvoorbeeld in Nederland, uitgeleverd kan worden naar de VS om daar terecht te staan, al is hij of zij daar nog nooit geweest.

De VS hanteren een veel ruimer begrip van toegelaten `uitlokking' dan de EU. In de VS is het voldoende als je `disposed' (genegen) bent gebleken een feit te plegen. In de EU moet je opzet al op het feit gericht zijn voordat undercovers aan de slag mogen. Bovendien zijn de opsporingsautoriteiten in de VS (DEA, FBI, grenscontrole) zéér pro-actief, waarbij ook op grote schaal criminele infiltranten worden ingezet in het kader van een plea agreement (akkoord over strafvermindering), wat onder meer zéér grote strafkortingen kan opleveren. Daarbij is zeker niet uit te sluiten dat dergelijke criminele infiltranten ook zonder toestemming op Nederlands grondgebied opereren. Dan is iedere controle illusoir, en naar Amerikaans recht zal dat zeker zijn toegestaan. In geval van een plea-agreement komt de kwestie zelfs niet aan de orde.

Bij uitlevering naar de VS verliest de verdachte zijn bescherming onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (ERVM). Iemand die op Nederlands grondgebied een strafbaar feit pleegt moet kunnen rekenen op opsporing en berechting onder de paraplu van het Hof in Straatsburg. Die bescherming verliest hij bij uitlevering aan de VS. Weliswaar heeft een Nederlands onderdaan het recht op teruglevering naar Nederland, waarbij de straf naar Nederlandse maatstaven neerwaarts mag worden bijgesteld, maar dat verhelpt het probleem van mogelijke onrechtmatige opsporingshandelingen niet.

Het desbetreffende verdrag voorziet niet in een nadere toetsing aan Art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces). Bovendien zal Nederland praktisch niet in de mogelijkheid zijn de opsporingsmethoden te toetsen, gelet op het VS-systeem; `plea agreement' of `judge and jury' (juryrechtspraak). Een Amerikaans vonnis geeft geen bewijsconstructie, een plea agreement evenmin.

Aannemelijk is dat zo'n verdrag niet alleen betrekking heeft op de verhouding met de federale justitie maar ook met die van de afzonderlijke staten. (Dat geldt in elk geval voor het huidige verdrag). Dat maakt de zaak nog moeilijker omdat algemeen bekend is dat die afzonderlijke staten zéér uiteenlopende strafrechtssystemen hebben.

De enige manier voor de Nederlandse rechter een indruk te krijgen in de gehanteerde opsporingsmethoden is juist het overzicht van de bewijsvoering dat thans nog moet worden overgelegd. Tussen de regels is daar nog wel eens wat uit op te maken, wat aanleiding kan zijn voor het vragen van aanvullende informatie.

Het door de VS gewenste resultaat komt er eigenlijk op neer dat in alle zaken, waar de VS een nationaal belang menen te zien het Amerikaanse strafrecht, zowel materieel als formeel, óók in Europa geldt, óók ten aanzien van niet-Amerikanen. Dat lijkt me, om het zacht te zeggen, geen vooruitgang.

Mr. R. Blekxtoon is strafrechter in Amsterdam.

WWW.NRC.NL/DOC: teksten en commentaren