Somberheid troef op expositie van realisten

Tentoonstellingen met het woord `realisme' in de titel zijn bijna per definitie omstreden. Er is immers geen begrip in de kunstgeschiedenis dat voor meer uitleg vatbaar is. Daar zijn al vele kunsthistorische en kunstkritische verhandelingen over geschreven en er zullen er, als het aan het Arnhems Museum voor Moderne Kunst ligt, nog vele over volgen. De nu in dat museum gehouden tentoonstelling De ontmoeting. Realistische kunst uit de collecties van ING en MMKA laat er, door elkaar, de nodige vormen van zien. Zo zijn er voorbeelden van fotorealisme, magisch realisme, hyperrealisme, neorealisme en daar zou je met enige rekkelijkheid nog aan toe kunnen voegen: naar het surrealisme neigend realisme, naïef realisme, expressief realisme, zakelijk realisme, al zijn dat allemaal geen geaccepteerde termen.

Het Arnhems Museum begon in de jaren `30 kunst van realistisch werkende Gelderse schilders te verzamelen, met name van Johan Mekkink en Dick Ket. Magisch realisme dus. Dat beleid is, zoals we kunnen zien, voortgezet en in de loop der tijd doorgetrokken tot figuratief werk dat de leefwereld van de kunstenaar in brede zin belicht. Tegenwoordig beschouwt het museum het begrip realisme als een verhaal dat in principe oneindig is en van inhoud kan veranderen.

De ING-bank, waarmee het museum nu een `ontmoeting' heeft gearrangeerd, heeft vanaf de jaren zeventig juist de nadruk gelegd op werk van jonge Nederlandse kunstenaars die de zichtbare werkelijkheid als uitgangspunt namen. De jonge realisten maakten in die tijd vooral niet al te grote, gedetailleerde, ietwat naïeve schilderijen in heldere kleuren, voortbouwend op de traditie, maar vol opzichtige verwijzingen naar de persoonlijke omstandigheden van de kunstenaar. Om deze schilders in te bedden in een verleden hebben de conservatoren (onder leiding van Sacha Tanja) er later ook oudere vormen van realisme bij gekocht, zoals magisch realistische werken van Ket, Koch en Hynckes.

De tentoonstelling, die werd ingericht door gastconservator Flos Wildschut, is opgehangen aan thema's. Het wordt aan de bezoeker zelf overgelaten om de verbanden te leggen en hij krijgt daartoe glasheldere motto's aangereikt. In de eerste zaal bijvoorbeeld: `De mens vindt later vast zichzelf terug' (Andreas Burnier). Pieter Pander kijkt je hier net als zijn buurman Edgar Fernhout aan met een defensieve blik vol melancholie. Hetzelfde geldt voor Dick Ket met zijn zwarte hoed en ook voor de vernieuwer op het gebied van de kunstnijverheid Chris Lebeau, naast wie Philip Akkerman wel erg zelfbewust in een (onzichtbare) spiegel lijkt te kijken. De volgende zaal is gereserveerd voor zelfbewuste vrouwen, zoals Charley Toorop, Rosemin Hendriks en een half boven een porseleinen schaal hangende blote vrouw (Kiki Lamers' Exercise of shame, 1993).

Pas in de derde zaal, waar Herman Gordijn, Dick Ket en Kik Zeiler met elkaar worden geconfronteerd, wordt het goed duidelijk: realisme is een serieuze zaak, althans op deze tentoonstelling. Nergens een spatje humor, sterker nog, de somberheid triomfeert. De beelddrager, La Notte, laat een café-interieur zien vol minutieus geschilderde figuren uit de vriendenkring van de schilder. Ze zijn verstard in hun bewegingen en staren in het luchtledige. Het lijkt wel of ze `standbeeldje' spelen.

Vreemd genoeg is het zaaltje dat als motto `eenzaamheid' heeft (met onder andere Hynckes en Barend Blankert) lang niet het somberst. Eenzaamheid wordt door deze schilders meer als onvermijdelijk, bijna als Weltschmerz opgevat en niet als een akelig thema.

Maar in het vervolg van de tentoonstelling, over `de dingen' en `de natuur', slaat de malaise weer stevig toe. Een beeld van een tafelblad met aardbeien en citroenen in felle kleuren lijkt opgeschroefd vrolijk, naast de (rotte) appels van Charley Toorop. En in het (mooie) winterlandschap van Pit van Loo domineren de modder en plassen op de voorgrond. Alleen de altijd met verfijnde symboliek werkende Matthijs Röling is minder loodzwaar. In Winter hangen in een grijze kast die het doek een strakke compositie geeft, tussen de kwetsbare voorwerpen twee gedichten. Een van Nietzsche, het andere van Röling zelf. ,,Het is winter, wat een rottijd'', schrijft hij. De schilder hunkert naar de lente en eindigt met de woorden: ,,maar laat ik proberen hem te omarmen. Het is de dood en heet Piet Mondriaan.''

Het zal niemand verwonderen dat de presentatie eindigt met zo ongeveer het tegenovergestelde van Mondriaans Nieuwe Beelding, Het gele huis van Carel Willink. Het hangt tussen werk van jongere kunstenaars in dezelfde sfeer, met dreigende luchten, lege straatbeelden, kale ruimtes en landschappen. Ze geven de tentoonstelling een onheilspellend open einde.

Tentoonstelling: De Ontmoeting. Museum voor Moderne Kunst Arnhem, Utrechtseweg 87, 6812 AA Arnhem. T/m 15 juni, di-vr 10-17 u, za, zo en feestdagen 11-17 u. Symposium Nieuwe Realisten: 23 juni. inl. www.mmkarnhem.nl. Cat. door Flos Wildschut, €7,-.