Op de valutamarkt is de euro terug van weggeweest

De euro wint snel terrein op de dollar. De rentepolitiek in de Verenigde Staten en in de eurozone heeft daar op dit moment alles mee te maken.

Waar ze ook zijn mogen, iemand zal het gezin Hussein dezer dagen moeten durven vertellen dat het zo'n 56 miljoen euro armer is. Want als het waar is dat zoon Qusay op 18 maart, vlak vóór de aanval op Irak, nog 900 miljoen dollar (en 100 miljoen euro) uit de Iraakse centrale bank wegsleepte naar een onbekende bestemming, dan is de koopkracht daarvan inmiddels danig afgenomen.

Vannacht bereikte de Europese munt, de euro, een piek van 1,1440 dollar per euro tegenover de Amerikaanse munt. Dat is het hoogste peil in vier jaar. De eurokoers komt daarmee dicht bij de waarde van ruim 1,17 euro waarop de Europese munt op 1 januari 1999 zijn bestaan begon. In de tussentijd, in het najaar van 2000, belandde de euro nog op een dieptepunt van 0,82 dollar per euro. Maar in de afgelopen anderhalf jaar is de schade bijna helemaal goedgemaakt. Voor wie stiekem nog in oude guldens rekent, is de draai van de euro wellicht wat duidelijker: de piek van de dollar zat op 2,65 gulden, nu is daar nog 1,93 gulden van over. Vanmorgen trok de euro zich enigzins terug, op 1,14 dollar, maar de opmars is er weinig minder om. Het lijkt erop dat de verhouding tussen de twee munten een nieuwe fase is ingegaan, waar nieuwe wetmatigheden gelden.

Lange tijd, van de tweede helft van de jaren negentig tot rond het einde van 2000, leek de wisselkoers tussen euro en dollar een functie van het verschil in economische groei tussen de Verenigde Staten en de eurozone. Kapitaal van Europese beleggers en directe investeerders verhuisde grootschalig naar Wall Street, en de resulterende vraag naar dollars dreef de koers van de Amerikaanse munt op. Analisten hoefden enkel maar de grafiek van de Dow Jonesindex naast die van de dollarkoers te leggen om die stelling te bewijzen.

Maar samen met de beursmalaise lijkt dat verband nu, voorlopig, verbroken. De Verenigde Staten moesten de laatste jaren een groeiend tekort op hun betalingsbalans gefinancierd zien te krijgen. De kwaliteit van die buitenlandse financiering maakt veel verschil. Als het buitenland directe investeringen pleegt, of grote pakketten aandelen koopt, let het bij het verwachte rendement op de winstverwachtingen van het Amerikaanse bedrijfsleven, en dus op de groeiverwachtingen van de Amerikaanse economie.

Nu die geldstroom is opgedroogd, gaat de buitenlandse financiering, noodzakelijkerwijs, via de geldmarkt en de obligatiemarkt. Buitenlandse beleggers die dergelijke rentedragende instrumenten kopen, letten nu op de rente die dollars en dollarleningen opleveren.

En daar zit het de Amerikaanse munt tegen. Tot de Amerikaanse centrale banken in 2001 begonnen met hun adembenemende reeks van renteverlagingen, was de rente op de Amerikaanse geldmarkt 2,5 procent hoger dan op de Europese. Op dit moment is de Amerikaanse geldmarktrente juist 1,25 procent lager dan die in Europa. Hetzelfde geldt, in mildere vorm, voor langlopende obligaties. Die gaven een effectieve rente die rond 1 procent hoger was dan Europese, maar geven inmiddels een lagere rente dan soortgelijke obligaties in Europa.

Hoewel er tal van andere krachten spelen, niet in het minst in Azië, is de vorm waarin Amerika zijn tekort op de betalingsbalans financiert, een belangrijke factor bij de lotgevallen van de dollar. Vandaar ook de onzekerheid over het verdere verloop van de wisselkoers. Veel valuta-analisten gaan er inmiddels van uit dat de euro enigzins overgewaardeerd is tegenover de dollar. Als de beurzen zich weer herstellen, en de terughoudendheid van beleggers wijkt, dan kan de stroom beleggersgeld weer op gang komen en profiteert de dollar als vanouds.

Maar tot die tijd, als die al in een vergelijkbare vorm als voorheen terugkeert, lijkt de relatieve rente te regeren. Dat de Amerikaanse centrale banken gisteravond de mogelijkheid openlieten voor nóg een verlaging vanaf hun huidige niveau van 1,25 procent, deed de dollar gisteren dan ook geen goed. Dat er, als de Amerikaanse inflatie blijft dalen, ook wordt gedacht aan andere vormen van monetaire verruiming in de VS, drukt eveneens op de dollar.

Dat voert de druk op de Europese Centrale Bank, die morgen vergadert, op. Als de euro-rally zichzelf versterkt, dan kan de schade voor de economie van de eurozone snel oplopen. In het huidige klimaat op de valutamarkt, waar de rentes regeren, is een verlaging van het ECB-tarief van nu 2,5 procent, dan het enige antwoord.