Nog één Nederlandse bussenbouwer

Het Brabantse VDL wordt na de overname van bussenbouwer Bova de enige Nederlandse producent van autobussen. Met 1.250 bussen per jaar blijft het een kleine speler op de Europese bussenmarkt.

Er gaat een hoop metaal in een bus, dacht directeur Wim van der Leegte van Van Der Leegte Metaal (VDL) toen hij in 1993 de kans kreeg de busonderstellenfabriek van het failliete DAF over te nemen. Inmiddels is het produceren van bussen en busonderstellen de belangrijkste activiteit van het industrieconglomeraat waar de VDL Groep de afgelopen vijfentwintig jaar in uitmondde.

Van der Leegte begon in 1966 in het metaalbedrijf van zijn vader, dat hij in 1972 overnam. Deze fabriek, in het Brabantse Hapert, is nog altijd onderdeel van de VDL Groep, maar het hoofdkantoor staat inmiddels op het terrein van de voormalige DAF-busfabriek in Eindhoven. In de jaren tachtig begon Van der Leegte met het overnemen van andere metaalbedrijven in Zuidoost-Brabant, waar VDL inmiddels een van de grootste werkgevers is. In 1993 bestond de groep uit 24 werkmaatschappijen.

Nu, tien jaar later, is dat aantal verdubbeld en is VDL behalve in de metaal actief in machinebouw, kunststofverwerking, technische dienstverlening, bus- en chassisbouw en het maken van complete assemblagelijnen voor fabrieken. De omzet steeg de afgelopen vijf jaar van 319 naar 576 miljoen euro. Vorig jaar boekte VDL een winststijging van 42 procent tot 23,6 miljoen euro. Het bedrijf telt 3.868 werknemers in zeven landen.

Na de overname van DAF Bus in 1993, kocht VDL in 1998 ook busfabrikant Berkhof Jonckheere, met productievestigingen in Nederland en België. Als de gisteren aangekondigde overname van bussenbouwer Bova uit Valkenswaard slaagt, is de busdivisie van VDL goed voor meer dan de helft van de omzet van het Eindhovense bedrijf. Nu is dat een derde.

VDL wordt na de overname de enige bussenfabrikant van Nederland. Sinds het faillissement van Den Oudsten uit Woerden in 2001 waren VDL en Bova al de enige overgebleven spelers. Op de markt voor bussen en touringcars blijft VDL overigens ook na de overname van Bova een kleintje tussen grote spelers als EvoBus, MAN en Volvo. Ter vergelijking: Europees marktleider EvoBus, dat deel uitmaakt van DaimlerChrysler, maakte vorig jaar 6.720 bussen en behaalde een omzet van 1,9 miljard euro. VDL en Bova komen samen op zo'n 1.250 bussen per jaar.

Bova, waar 620 mensen werken, bouwde 589 bussen en behaalde een omzet van 153 miljoen euro. VDL zelf maakte 669 bussen, 787 losse chassis en 316 kleine bussen. De omzet van de busdivisie kwam op 215 miljoen. In tegenstelling tot de grote internationale concurrenten, die veelal verlies maken op hun busdivisie, behaalde zowel Bova als de busdivisie van VDL vorig jaar een kleine winst. De vooruitzichten zijn bovendien goed, zo maakte VDL vorige maand bekend bij de publicatie van de jaarcijfers. De orderportefeuille van de busbedrijven is goed gevuld.

Ook voor de vooruitzichten voor VDL als geheel is het bedrijf optimistisch gestemd. Daarmee is het een buitenbeentje in de Nederlandse `maakindustrie', die volgens metaalwerkgeversclub FME-CMW met structurele problemen en een ,,belabberde conjuncturele ontwikkeling'' kampt. Voor de metaalsector was 2002 volgens FME een ,,uitzonderlijk slecht jaar''. De werkgeversvereniging maakte vorige maand een sombere opsomming: de productie daalde met 5,5 procent, er gingen 14.000 banen verloren, de concurrentiekracht liep terug, het buitenlands marktaandeel werd kleiner, de winsten daalden met 25 procent en een steeds groter deel van de productie verdwijnt naar lagelonenlanden. VDL lijkt hier allemaal geen last van te hebben en spreekt van ,,positieve vooruitzichten voor 2003''. Het bedrijf baseert zich daarbij mede op de resultaten van het eerste kwartaal: daarin boekte het bedrijf een omzetgroei van 10 procent.