Mobiliteitsesthetiek

Merkwaardig, zo'n themabijlage over architectuur (afgelopen zaterdag bij deze krant) die helemaal niet over architectuur ging. Op de panoramisch gedachte foto's waren nauwelijks gebouwen te zien, nergens huizen: als je goed keek, was het dan ook geen architectuurbijlage, zoals de lezers in het vooruitzicht was gesteld. Hij ging over Architectuur en mobiliteit.

Wat dat precies inhoudt glipt steeds, heel mobiel, tussen je vingers weg. Architecten hebben rekening te houden met het snelverkeer, dat in deze tijd zo'n enorme rol speelt – zo zou je het misschien kunnen uitdrukken. Vroeger had je daarvoor andere mensen, stedenbouwkundigen, die in Nederland trouwens heel goed waren. Maar in een explosie van modernheid heeft nu de stadsplanning de bouwkunst opgeslokt. Een architecte, Francine Houben, werd in Delft hoogleraar `mobiliteitsesthetiek'. Voor een onderzoek naar mobiliteit en cultuur in negen wereldsteden reisde zij de wereld rond, niet een-, maar zelfs tweemaal. Je bent mobiel of je bent het niet. De aard van dat onderzoek blijft in het artikel dat over haar gaat onduidelijk, maar er kwamen webcamera's aan te pas, en het resulteerde in de Architectuurbiënnale in Rotterdam. Over mobiliteit natuurlijk. Eerder onderzocht (en analyseerde) professor Houben de snelweg tussen Delft, Utrecht en Amsterdam. Zij noemt die niet zoals u en ik de A4, A10, A2 en A12, maar Holland Avenue. De wetenschap heeft nu eenmaal haar eigen terminologie.

Wie zich afvraagt wat dit in godsnaam te betekenen heeft moet bedenken dat architecten met visionaire neigingen er altijd zijn geweest. Zij maakten generaties geleden al geen huizen, nee, zij gaven vorm aan de samenleving. Die stroming is, om een passende beeldspraak te gebruiken, in een stroomversnelling geraakt. Ideeën krijgen de laatste jaren op velerlei terrein meer aandacht dan dingen. Nergens heeft de desinteresse van intellectuelen voor wat tastbaar, meetbaar en leerbaar is, gepaard aan de verering van ideetjes, zo veel succes gehad als in dat concreetste van alle vakken: de bouwkunst.

De avant-garde van de Nederlandse architectuur is inmiddels vrijwel aan het gebouw ontstegen. Gebouwen zijn immers maar dingen. Zij zijn niet mobiel, maar mooi of lelijk, bruikbaar of onhandig, iets dat al

vrij gauw vast staat. Daarna ben je uitgepraat. Als het daarentegen over ideeën

gaat, kan iedereen meezwemmen in een wondere zee van woorden. Computers leveren illustraties bij alles wat je kunt verzinnen.

Sinds architectuur een smakelijke cocktail is geworden van styling, socio-babbel en actualiteit, heeft Nederland ook op dit terrein een levendige debatcultuur gekregen. Kranten wijden er bijlagen aan, en onlangs was er zelfs op de tv een thema-avond rond de uitreiking van een architectuurprijs voor een bouwproject in Almere. Het was fascinerend te zien hoe jonge architecten in de heldenrol werden geschoven zoals dat anders met quizdeelnemers gebeurt. De jongens (allemaal jongens!) met hun designbrilletjes hadden braaf hun plicht gedaan door de gekste ideeën met computeranimaties te verbeelden. Er waren woontorens met inpandige glazen garages op zeven-hoog – een variant op de varkensflat – en er was een gebouw in de vorm van een L op zijn kop. Dat laatste was een beetje sneu in verband met de Maastrichtse balkonramp: het zag er te eng uit.

Van een echt debat kwam het verder niet, de enkele scepticus die meedeed werd streng in het gareel gehouden. Dit moest duidelijk een positieve avond zijn, architectuur als televisiethema is per slot al gewaagd genoeg. Maar het heeft wel de toekomst, als je het mij vraagt, zeker nu het steeds minder over echte gebouwen hoeft te gaan.