De western is het visueelste genre

In 1903 maakte Edwin S. Porter zonder het te weten de film die nu als startpunt wordt gebruikt voor het programma 100 jaar western. Hij regisseerde The Great Train Robbery als misdaadfilm die een recente treinroof in herinnering riep. Maar het was vooral een film in het toen zeer populaire genre van de `chase film'. Het woord western bestond nog niet, en werd pas retrospectief op de film geplakt. Zo werd een relatief onbeduidend filmpje, met als noviteit het shot aan het eind van een van de bandieten die rechtstreeks op de toeschouwer vuurt, een mythe. Dat nu past weer perfect bij een genre dat bij uitstek aan mythevorming doet.

De vele boeken die betogen dat het er in het `echte' wilde westen heel anders aan toe ging slaan de plank dan ook flink mis. De verhalen en legendes over mensen als Billy the Kid, Jesse James en Buffalo Bill mogen dan wel opgeblazen zijn volgens het adagium `print the legend' uit John Fords The Man Who Shot Liberty Valance, de tijd en plaats waarin de western zich afspeelt zijn welomschreven.

In 1890 werd de Amerikaanse westwaarts schuivende frontier officieel gesloten, een mooi eindpunt voor zowel geografie als tijdstip, niet toevallig zo dicht bij de uitvinding van de cinema in 1895, mythemachine bij uitstek. In de eeuwen daarvoor werd land op de indianen veroverd, verdrong de trein - het ijzeren paard - het paard van vlees en bloed, werd law and order langzaam gevestigd en, belangrijker, werd Amerika een beschaafde natie; over die moeizame natievorming gaat de western vooral.

Imposante landschappen, een duidelijk te herkennen iconografie, en weinig woorden worden gevat in een eenvoudig verhaal. De western is het meest visuele genre dat er bestaat, en het is die visuele en narratieve puurheid die keer op keer overweldigt. De ondertitel van het programma dat het Filmmuseum wijdt aan 100 jaar western, de vele gezichten van een genre, maakt zijn naam waar. In zes subprogramma's is bijvoorbeeld te zien hoe de western zich tussen 1896 en 1915 vormde en is te constateren dat het genre nooit eenduidig is geweest.

Naast klassiekers worden ook films met de zingende cowboys Gene Autry en Roy Rogers vertoond, een heel subgenre op zich. Zeer interessant is het onderdeel dat acht westerns uit de jaren vijftig van de Columbia studio laten zien, waaronder de beroemde B-westerns van Budd Boetticher met Randolph Scott. In de jaren vijftig werd de psychologie van de cowboy veel grimmiger, zoals ook in de westerns van Anthony Mann met James Stewart (helaas niet te zien). Of, zou je kunnen zeggen: meer menselijk.

Zo geeft in Boettichers The Tall T (1957) Randolph Scott twee keer toe dat hij bang is; iets wat je John Wayne ten tijde van Stagecoach (John Ford, 1939) nooit zou horen toegeven. De western lijkt zo'n eenduidig genre. Dit programma laat zien dat dit idee ook al een mythe is. De western is een rijk geschakeerd fenomeen, waarbij vele facetten en morele lessen naar boven komen. Dat verveelt nooit.

100 jaar western. De vele gezichten van een genre. 8 mei t/m 2 juli. Filmmuseum, Amsterdam.