De twee minuten

Nog altijd ben ik van mening dat 10 mei de beste datum is voor de nationale herdenking. Toen, in 1940, zijn in een moderne oorlog de eerste Nederlanders gesneuveld. Bovendien is dit de dag waarop de geschiedenis van de natie een beslissende wending heeft genomen. Toen zijn we uit onze zorgvuldig, of angstvallig, bewaarde neutraliteit tegen onze wil in de wereld gesleurd, hebben we ons in onze luxueuze naïviteit laten verrassen en hadden we behalve een paar roestige kanonnen geen ander verweer dan onze verontwaardiging.

Op 10 mei 1940 werd ons aan het verstand gebracht dat de wereld anders in elkaar zat. Op die vroege ochtend is Nederland in oorlogsgeweld opnieuw geboren (wat iets anders is dan `herrezen'). Maar om de verjaardag te vieren, hebben we de dag van de nationale bevrijding gekozen en om te herdenken de avond tevoren. Dan hebben we het ritueel: de klok op de Waalsdorpervlakte, twee minuten stilte, en de kransleggingen.

En dit is zo'n typisch Nederlands raadsel. Met enige regelmaat `gaan er stemmen op' om er iets aan te doen. De oorlog raakt verder weg, steeds minder mensen kunnen er nog uit eigen ervaring over meepraten, jongere generaties zegt dit ritueel niets meer – het is kortom tijd voor iets anders.

De inleiding tot dit denken is al lang geleden door Simon Carmiggelt geschreven. Hij zag de erewachten in hun overalls, oude Nederlandse helm op, stengun voor de steeds dikker wordende buik, en vond dat het iets meelijkwekkends begon te krijgen. Bij iedere vierde mei zijn daarna meer critici aangetreden, met de boodschap dat de oorlog uit het zicht raakte, en soms om te concluderen tot vernieuwing, verbreding of een open einde.

Deze keer zijn het de historici H.W. von der Dunk en Chris van der Heyden, die in respectievelijk de Volkskrant en Vrij Nederland verklaren dat herdenken geen zin meer heeft omdat de oorlog geen ,,moreel ijkpunt'' meer is, en ,,voorgoed voorbij''. Ik zal de auteurs van deze twee doortimmerde betogen niet tegenspreken.

Veel naties die in de Eerste Wereldoorlog hebben meegevochten hebben nog altijd 11 november, de dag van de wapenstilstand om te herdenken. En dan hun eigen nationale feestdag, zoals de Fransen op 14 juli, als ze de verwoesting van de Bastille vieren. Geen Amerikaan, Belg, Brit of Fransman komt op het idee, aan die data te gaan morrelen. Geen criticus die het in zijn hoofd haalt erop te wijzen dat de laatste soldaat uit deze oorlog de natuurlijke dood is gestorven of wat de betekenis van de beroemde verwoesting is. Niet omdat er een taboe op zou rusten, maar omdat de Quatorze Juillet, Armistice, Veterans en Memorial Day een veel ruimere betekenis hebben. De Fransen, Britten en Amerikanen eren de natie waarvan ze deel uitmaken en waarop ze, hoe dan ook, trots zijn.

In Nederland gaat het anders. Als `wij' ik wil niet generaliseren, ik bedoel `de meesten' de indruk hebben dat iets tot ritueel dreigt te `verworden' willen we het hervormen. Dat, zeggen we dan, is nu eenmaal onze calvinistische inslag. Niet voor niets hebben we in 1566 menig katholiek kerkinterieur kort en klein geslagen. Iets moet zin hebben, willen we het in stand houden. Als onze kinderen en kleinkinderen erom smeken, niet meer met de oorlog te worden lastig gevallen, moeten we naar iets anders uitkijken dat bij het nageslacht `zinvol overkomt'.

De redenering valt te volgen, en tegelijkertijd is het arrogant zelfbedrog en een aanslag op de geschiedenis. De herdenking is namelijk niet het eigendom van een paar generaties, maar hoort tot de abstractie die we de natie, ons land noemen. Die abstractie komt niet per generatie opnieuw uit de lucht gevallen, maar is het product van eeuwen.

Ik stel voor dat we ons herdenkingsprobleem – omdat we dat er nu eenmaal van maken – van een andere kant bekijken. Het herdenken op zichzelf hoort, net als het staatshoofd, het Rijksmuseum, misschien zelfs Dik Trom, tot de collectie van nationale eigendommen. En er is geen stuk uit de collectie dat voor onze vernieuwingslust gespaard blijft.

Om te beginnen de taal. Er is geen westers land dat met zoveel vernielzucht tegen zijn eigen taal tekeer gaat en daar nog buitengewoon tevreden over is op de koop toe. Uitspraak, zinsbouw en woordkeus: van `politiek Den Haag' tot de platste popzender, de imbecielste copywriter, ze zijn met vereende krachten bezig, er een rotzooi van superlatieven en eufemismen van te maken.

Het onderwijs in de geschiedenis. Kamerleden die schaterend van het lachen toegeven dat ze de Slag bij Nieuwpoort en die bij Waterloo door elkaar halen en van Heiligerlee nog nooit gehoord hebben. Niet zo mopperen, niet zeuren!

Onderwijs in de moderne talen. Nederland mag dan doorvoerland zijn, maar je hoeft er maar één vreemde taal te leren, dus Engels, en dat blijft steken in de gemiddelde toeristenbrabbel. Het oude centrum van de hoofdstad, cultuurmonument nummer één. De trots, of de alternatieve trots is de hoerenbuurt. Where do you come from? Èmsterdèm! Ah! Fukkiefukkie!

Onlangs is een studie verschenen, Muizenhol, van de historicus Ronald Havenaar, over de verhouding van W.F. Hermans tot Nederland. Daarin wordt beschrijvend, archiverend, analytisch behandeld hoe graag Hermans tot een trots land had willen horen en hoe hij telkens weer vaststelde dat de Nederlanders zich lieten voorstaan op verrichtingen waarvoor ze zich zou moeten doodschamen. En zich nederig, lacherig, bij voorbaat relativerend gedragen, als er dingen tot stand waren gebracht waaraan ze hun zelfrespect zouden kunnen ontlenen. Die tegenstelling is een van de redenen waarom hij ten slotte is geëmigreerd.

Geknutsel met de herdenking op 4 mei wordt ten onrechte aangezien voor modernisering. Wat men in die twee minuten stilte denkt, is ieders persoonlijke zaak. Het gaat om het geheel, waarin de natie wordt geëerd, als de identiteit waartoe men, door geboorte of immigratie uit vrije keus, nu eenmaal hoort. Dat is geen zaak van chauvinisme of `jingoïsme'. De onbarmhartigste kritiek kan een bewijs van de grootste genegenheid zijn. Ik vind dat het moet blijven zoals het nu is, en dat ieder gepruts een bewijs van ongevraagde nederigheid is; die serviele zelfverloochening voor wat dan ook, waarin we vaak zo goed zijn.