`Raad van State niet partijdig bij Betuwelijn'

De Raad van State heeft zich niet schuldig gemaakt aan een gebrek aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid bij de procedures rond de aanleg van de Betuweroute.

Dat heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg vanochtend bepaald in een procedure die was aangespannen door een aantal tegenstanders van de aanleg van de spoorlijn, tegen de Nederlandse Staat.

Centraal in de zaak stond het feit dat de Raad van State enerzijds adviseur is van de regering bij het maken van wetgeving, en anderzijds de hoogste bestuursrechter in geschillen tussen burgers en de overheid is. Zo adviseerde de Raad van State onder meer over de Tracéwet op basis waarvan de Betuweroute wordt aangelegd.

Volgens de klagers, die de aanleg van de Betuweroute aanvochten bij de Raad van State, staat de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de staatsraden van de Raad van State ter discussie door die dubbelrol. Volgens artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens moet iedereen in de rechtspraak verzekerd zijn van een onpartijdige en onafhankelijke rechter.

Het hof heeft ,,niets gevonden'' dat de zorgen van de klagers kon bevestigen. Ook zijn er volgens het Hof geen aanwijzingen dat de behandelende staatsraden tijdens de zitting over de bezwaren tegen de aanleg van de spoorlijn bevooroordeeld waren.

Het Hof plaatst wél vraagtekens bij de wijze waarop de Raad van State omgaat met de mogelijke dubbelrol van staatsraden. De Raad van State onderzoekt de samenstelling van een kamer (van drie staatsraden) pas op een mogelijke dubbelrol als een klager zijn twijfels erover uit.

Het Hof vraagt zich af of een dergelijke regeling voldoende is om te verzekeren dat in alle zaken die bij de Raad van State voorkomen sprake is van een onafhankelijke rechtbank, zoals omschreven in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Advocaat mr. K. Leenhouts die de belangen van de bezwaarmakers verdedigde, noemt de uitspraak vanochtend ,,teleurstellend''.

In 1995 werd het functioneren van de Luxemburgse Raad van State al eens beoordeeld, in de zogenoemde Procola-zaak. Die uitspraak leidde tot veranderingen bij alle Raden van State in Europa. Onder meer in Nederland vond de Raad van State - en de regering - het niet noodzakelijk om een van de twee hoofdtaken, wetgevingsadvisering en bestuursrechter, over te dragen aan een andere instantie.