Psychiatrie als muzikale inspiratie

Wolfgang Rihm koestert zijn psychiatrische patiënt en veelzijdige kunstenaar Adolf Wölffli. Louis Andriessen liet zich meermalen inspireren door de dichter Dino Campana, die van 1918 tot aan zijn dood in 1932 in een psychiatrische inrichting verbleef. Zaterdag in de Matinee, vanavond uitgezonden via Radio 4, klonk kernachtig en kleurrijk de Nederlandse première van Andriessens La Passione bij het gecombineerd Schönberg/Asko Ensemble onder Reinbert de Leeuw. Het werk op teksten van Campana's Canti Orfici heeft de vorm van een dubbelconcert geschreven voor de jazz-zangeres Cristina Zavalloni en de violiste Monica Germino, die het werk ook uitvoerde op de première in oktober 2002 bij London Sinfonietta onder Oliver Knussen.

Bij Wölffli gaat het om abrupte gedachtesprongen die net als Rihms muziek alle kanten opvliegen, rusteloos en onvoorspelbaar. Bij Andriessen is sprake van éénrichtingsverkeer binnen een strakke en strenge organisatie, vooral in het vijfde deel Sul treno in corsa (`op een rijdende trein'). Maar ook in de andere delen dreunen en denderen die roekeloos ratelende zestienden door het werk heen, een enkele maal onderbroken voor een glazig ijle overpeinzing. Het is of het één of het ander, zoals ook de instrumentatie in uitersten is gedacht.

Het dichtst bij Campana's gevoel voor het surreële komt Andriessen in het tweede deel La sera di fiera (`de avond van de jaarmarkt') waarin de zangeres heeft te fluisteren, zij het ook dan helaas versterkt. En lichtelijk hallucinerend is het effect van de Horrible Little Bells in de synthesizer bij de schildering van het perfide Babel.

In het centrum heerst de Gehoornde, die de dichter onbeweeglijk met zijn gouden ogen aanstaart, door Campana aangeroepen om hem uit zijn lijden te verlossen. Hier is een rol weggelegd voor de solovioliste, die bloedstollend mag uithalen. In het laatste deel zijn het de Horrible Strings die in een unisono met piccolo's en violen als het ware de hoge spijlen van Campana's gevangenis uittekenen. La Passione bevat ijzersterke muziek, maar sluit als geheel toch te weinig aan bij Campana's zoet geparfumeerde sensuele kant, Wölffli is veel harder en ongrijpbaarder.

Typische Wölffli-muziek bood voor de pauze Julia Wolfe's Tell Me Everything, opgezet als een buitenissige samba, gespeeld door een stel onbeholpen dorpsbandjes. Een obsessieve muziek overvol als een van boven tot onder volgekrabbelde tekening van Wölffli. Ook Mary Finsterers Ruiselant begint als een soort van expressionistische Ives, maar biedt in het verloop meer afwisseling. Het klinkt daardoor wel veel beter, maar ook minder interessant.

Curieus was een op zichzelf amusante bewerking door Andriessen van Alfredo Casella's Pupazetti voor piano, vierhandig. Casella zelf maakte al een versie voor negen instrumenten. Zo kunnen we wel aan de gang blijven.

Concert: Schönberg en Asko Ensemble o.l.v. van Reinbert de Leeuw. Gehoord: 3/5 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 6/5 20.30 uur.