De regenten negeren de lessen van Fortuyn

Met de moord op Fortuyn en de manier waarop de politiek daarop heeft gereageerd, is de kans op een politieke renaissance verloren gegaan, vindt Eduard Bomhoff.

`Voel ik de stemming in het land goed aan, dan hebben de mensen in het land schoon genoeg van de gesloten cultuur van het poldermodel, van het regentenpartijgedoe, van de achterkamertjes, van het buitensluiten van de burger in het algemeen en nieuwe belangen in het bijzonder, van de falende dienstverlening in de collectieve sector of het nu gaat om onderwijs, zorg, veiligheid, justitie en politie, de NS, de nationale en lokale overheden, maar bovenal hebben de mensen in het land genoeg van al dat verantwoordelijkheidsmijdende gedrag.''

Overbodig om te melden wie deze zin opschreef; zo verdrietig dat hij een jaar geleden met geweld tot zwijgen werd gebracht. De opvolgers misten zijn talent en ervaring, maar het waren er wel zesentwintig en de tweede partij van het land had voor de regenten gevaarlijk kunnen worden. Met vallen en opstaan was het de fractie van de LPF misschien gelukt om glans te geven aan Fortuyns motto: ,,Ik doe wat ik zeg''. Maar nog voordat een einde kwam aan het gestruikel in het parlement, besloot VVD-leider Zalm om daar gebruik van te maken en het kabinet te laten vallen. De regenten hebben Fortuyn wel gehoord, maar niet naar hem geluisterd. En nu is de oude politiek weer volop terug. In Duitsland of Finland duurt het bouwen van een coalitie een week; bij ons hopen de politici genoeg te hebben aan vijf maanden in hun achterkamers.

En intussen blijven wantoestanden bekwaam afgedekt. Bij de Nederlandse Spoorwegen, bijvoorbeeld, had minister Netelenbos in december 2001 stoer het ontslag geëist van de twee topmannen en krachtig ingrijpen beloofd. Pas ná de verkiezingen van mei 2002 werd duidelijk dat Netelenbos de vier tijdelijke commissarissen van de NS tegelijkertijd in het geheim had bevolen om niets te doen wat de conducteurs en machinisten tegen de haren in kon strijken. Alle personeelsleden waren immers potentiële PvdA-stemmers. De minister sprak mooi voor de televisie, maar ze deed niet wat ze zei.

In het hoger onderwijs was niet zo lang geleden een ex-ambtenaar van het ministerie van Onderwijs de voorzitter van de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten. In de volksgezondheid benoemde de minister traditioneel ook een ex-topambtenaar tot voorzitter van het belangrijkste adviesorgaan. Zo blijft kritiek gedempt en klinkt in de adviezen overmatig begrip voor de lastige taak van de minister. Nog erger: in de Algemene Rekenkamer worden tot op vandaag alle leden benoemd volgens een strikt politiek schema: PvdA, CDA en VVD mogen om de beurt een trouwe politicus van hun partij aanwijzen. In Italië zouden de kranten er schande van spreken; in Nederland vond de pers Pim Fortuyn amusant maar niet serieus.

In Groot-Brittannië adverteert de overheid voor vacatures als Voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, commissaris bij De Nederlandsche Bank, of directeur-generaal voor de politie. In Nederland worden al zulke banen vergeven. Fortuyn had helaas gelijk toen hij schreef dat de grote politieke partijen ,,onderling wel uitmaken hoe de ambten en bestuursfuncties in dit land onder hun vooraanstaande partijgenoten worden verdeeld''.

Om drie redenen gaat dat ten koste van de kwaliteit. Allereerst wordt niet geselecteerd op talent en ervaring, maar op basis van vriendjespolitiek. Universiteiten, de Rekenkamer en de adviesorganen krijgen niet de beste man of vrouw, maar degene die aan de beurt was bij het politieke outplacement.

Ten tweede hebben zulke politiek benoemde bestuurders weinig expertise, maar brengen zij vooral ervaring mee met netwerken en overleggen in Den Haag. De oud-minister van Onderwijs die pas geleden voorzitter werd van het midden- en kleinbedrijf, was er prijzenswaardig eerlijk over: hij wist bijna niets van de sector, maar dat gaf niet want hij had een goed netwerk in de VVD. ,,Kan zo'n man nou aanvoelen wat voor mij belangrijk is?'' vroeg de eigenaar van het pannenkoekenhuis aan mijn vrouw en mij. Misschien niet, en dan wordt de bureaucratie waar de ondernemers onder zuchten niet snel minder. Maar de bureaumedewerkers van het landelijke kantoor hebben aan de oud-minister een plezierige lobbyist en horen bij de koffie interessante nieuwtjes uit Den Haag. Hun leven is met een netwerkende ex-politicus aan het hoofd minder inspannend dan onder een echte leider.

Ten slotte – en dat is het belangrijkste – komt er met al die regenten en oud-regenten in het maatschappelijke middenveld nooit genoeg gezonde wedijver tussen ziekenfondsen, universiteiten of politiekorpsen.

Met recht drong Fortuyn in zijn boeken aan op concurrentie en afrekenen op resultaat. Dat is wat in Nederland ontbreekt. In zijn lezingen hamerde hij op de noodzaak van een minder laffe cultuur bij de overheid. En in tegenstelling tot antibelastingpartijen in Denemarken en Australië heeft hij nooit de omvang van de collectieve sector gekozen als hoofdpunt van kritiek. Het ging hem om de verhouding tussen prijs en kwaliteit bij de overheid, de politie, de scholen en de verpleeghuizen.

Dat verklaart bijvoorbeeld de enorme aantrekkingskracht van Fortuyn op artsen en specialisten, die in Nederland lijden onder een sovjetsysteem in de zorg waarbij iedereen een beetje verantwoordelijk is voor de wachtlijsten en de bureaucratie, maar niemand leiding geeft aan de omwenteling die daar nodig is. Het maakt ook duidelijk waarom zo veel winkeliers een stem gaven aan Fortuyn, omdat de juwelier bij wie veertig keer is ingebroken en die zich niet meer kan verzekeren wordt afgescheept met slappe praatjes van de niet-gekozen burgemeester of de niet op kwaliteit afgerekende politie. En het verklaart waarom vorig jaar honderdduizenden mensen weer even geloofden in de politiek.

Er waren onderwerpen waar Fortuyn niet verder kwam dan gemakkelijke kreten – maar hij stond overal alleen voor, en had geen gegarandeerd inkomen bij een universiteit of onderzoeksinstituut. Hij wilde over alles een mening uiten en moest intussen in zijn levensonderhoud voorzien. En nog steeds waren zijn uitspraken op het terrein waar hij naar mijn mening het minst had doorgedacht – de islam – honderd maal minder kwetsend dan die van het gevierde VVD-Kamerlid Hirsi Ali.

Hoewel hij soms even vlug schreef als hij sprak, was Fortuyn in zijn analyse van het management bij de overheid in Nederland de belangrijkste criticus van het regentendom. Daarom waren de vergelijkingen met Haider in Oostenrijk, Le Pen in Frankrijk, of het Vlaams Blok in België zo beledigend voor Fortuyn (en voor de LPF, die meer heeft gedaan om asielzoekers te helpen dan VVD en CDA). In contrast met vreemdelingenhaters in het buitenland heeft Fortuyn nooit beweerd dat de immigranten `onze' banen afpakken of een gevaar zijn voor `onze' dochters.

Hij had idealen voor Nederland en was bang dat sommige immigranten geen interesse hadden om daar constructief aan mee te werken, maar zich liever opsloten in een cultuur die niet past bij onze open, geëmancipeerde samenleving. Dat is een gerechtvaardigde zorg – en veel immigranten waren dat ook met hem eens en stemden op zijn partij. Maar vooral wilde hij de samenleving weer voorzien van een leiding die `zegt wat ze denkt, en doet wat ze zegt'.

Het heeft niet zo mogen zijn. Volkert van der G. vermoordde Fortuyn en Gerrit Zalm vond de LPF met zesentwintig zetels te groot – alsof niet de kiezers dat mogen uitmaken. Nederland zakt af in Europa met de wachtlijsten, de criminaliteit, de files en de economische groei. Vergeleken met Italië – waar Frits Bolkestein altijd zo op neer keek – heeft de Nederlandse pers minder kritiek op de regenten dan de kranten dáár en duurt de formatie van een kabinet hier langer. Er was in 2002 de kans op een politieke renaissance in Nederland, maar die kans is vermoord en verspeeld.

Prof. Eduard J. Bomhoff was van juli tot oktober vorig jaar minister van Volksgezondheid voor de LPF.