De erfenis van Fortuyn

PRECIES EEN JAAR geleden werd Pim Fortuyn op het mediapark in Hilversum vermoord. Over de gevolgen van deze daad is de afgelopen dagen reeds heel wat gezegd en geschreven. Terecht is daarbij in bijna alle gevallen de vraag opgeworpen wat er gebeurd zou zijn als de aanslag niet was gepleegd en Fortuyn zijn zo succesvol verlopende aanval op de gevestigde politiek persoonlijk had kunnen voltooien. Het probleem van elke beschouwing hierover is het noodgedwongen speculatieve karakter. Een unieke persoonlijkheid wist vorig jaar een voor Nederlandse begrippen even unieke protestbeweging op gang te brengen. Pim Fortuyn gaf op zijn eigen manier een politieke vertaling aan een in de samenleving breed heersend, maar tevens divers samengesteld ongenoegen. De grote onbekende zal blijven hoe Fortuyn als eenmaal gekozen politicus met dat sentiment zou zijn omgegaan. Hij wilde het landsbestuur in, dat was duidelijk. Daar zouden echter ook voor hem de weerbarstige wetten van de coalitiepolitiek hebben gegolden die zeggen dat ageren iets heel anders is dan regeren. Hoe zou Fortuyn zich binnen `het systeem' hebben ontwikkeld?

Voor een begin van het antwoord op deze vraag zouden de verrichtingen van de LPF in ogenschouw kunnen worden genomen. De partij trad, nadat deze vorig jaar negen dagen na de moord op haar leider met 26 zetels in de Tweede Kamer was gekomen, soepel toe tot een kabinet waarvan CDA en VVD de andere pijlers vormden. In het regeerakkoord van deze combinatie was nauwelijks een spoor terug te vinden van het activisme van Fortuyn. Waarmee in feite postuum werd bevestigd dat Fortuyn weliswaar veel misstanden benoemde, maar aanzienlijk minder goed was in het aandragen van oplossingen. Vervolgens hebben de LPF-vertegenwoordigers in de Tweede Kamer en in het kabinet er alles aan gedaan om zich vooral als politieke operettefiguren te manifesteren. Met alle gevolgen van dien. Maar Fortuyn en de LPF mogen eigenlijk niet op één lijn worden gesteld. Fortuyn wist zelf als de beste dat er een wereld van verschil school tussen hem en al diegenen die namens hem de politiek in wilden. Fortuyn was bij uitstek een politicus zonder partij. Tegelijkertijd was dat ook zijn zelfgecreëerde vraagstuk. In het Nederlandse parlementaire stelsel is immers geen plaats voor eenlingen. Dat wil zeggen: niet als die ook nog macht nastreven. Zo bezien is Fortuyn een onmogelijke opdracht bespaard gebleven.

DAT NEEMT ALLEMAAL niet weg dat Pim Fortuyn de Haagse politiek vorig jaar in de aanloop naar de verkiezingen op een genadeloze wijze de spiegel heeft voorgehouden. Zoals Eerste-Kamervoorzitter Braks een dag na de moord in zijn herdenkingstoespraak in de senaat zei: ,,Zijn gedrevenheid sprak velen aan die ons land bedekt meenden met een grauwsluier van gesloten netwerken.'' Fortuyn confronteerde de in managers getransformeerde politici met de vaststelling dat gunstige economische parameters niet synoniem zijn voor tevredenheid onder het electoraat. Integendeel. Hij bewees met zijn alles ontregelende verkiezingscampagne hoe fragiel het mandaat van de politiek tegenwoordig is. Nog maar weinig stemmen zijn bij voorbaat zeker. Na het wegvallen van de grote ideologieën laat een steeds groter wordend deel van de kiezers zich leiden door primaire emoties. Dit is een gegeven dat verplichtingen schept voor politici. Voor bestuurlijke zelfgenoegzaamheid is geen plaats; voor richtinggevend leiderschap des te meer.

Tegen die achtergrond blijft het opmerkelijk hoe weinig de `oude' politiek een jaar later juist van deze boodschap heeft begrepen. Na het failliet van de LPF hebben de rijen zich wel weer snel gesloten. Alsof er niets is gebeurd voltrekt zich een kabinetsformatie conform de meest regenteske tradities. De duidelijkheid en daadkracht waarmee premier Balkenende een jaar geleden in het post-Fortuyn-tijdperk zijn kabinet afficheerde, heeft plaatsgemaakt voor schimmigheid en stroperigheid. Aan het werkelijk openbreken van het politieke systeem wordt slechts lippendienst bewezen. Terwijl de gesloten kaste toch een van de drijfveren van de beweging van Fortuyn was.

NA DE VERVROEGDE verkiezingen van januari lijken de politieke verhoudingen genormaliseerd, een beladen term overigens. Als vanouds werd een groot deel van de stemmen over de drie hoofdstromen van de Nederlandse politiek verdeeld. Daarbij hebben de christen-democraten net als in de tachtig jaar die aan de twee paarse regeerperiodes voorafgingen, hun comfortabele machtspositie in het midden opnieuw kunnen innemen. De Fortuyn-beweging die een jaar geleden het land nog volledig in haar greep had, is met het wegvallen van de leider ineengeschrompeld. Dat zegt iets over de diepgang van de toen alom geventileerde onvrede. Toch is het veel te gemakkelijk het fortuynisme af te doen als een louter emotionele eruptie. Pim Fortuyn heeft vorig jaar een zeer ernstig geval van kortsluiting blootgelegd tussen een groot deel van de samenleving aan de ene kant en de politieke en spraakmakende intellectuele elite aan de andere zijde. De spanning is nu weliswaar weg, maar dat betekent allerminst dat de oorzaken van die kortsluiting zijn weggenomen.

Nederland was altijd het toonbeeld geweest van ,,een lieve democratie'' zei de eerder geciteerde senaatsvoorzitter Braks vorig jaar in zijn in memoriam. Direct na de moord op Fortuyn kwam hiervoor een grimmige democratie in de plaats. Voorzover het de wijze betreft waarop politici zich nu weer in het openbaar kunnen bewegen, is het zonder meer een opluchting te kunnen constateren dat Nederland het afgelopen jaar toch veel van zijn `liefheid' heeft teruggewonnen.

Op het inhoudelijke vlak kan deze liefheid, voortkomend uit het consensusdenken, maar beter niet terugkeren. Fortuyn appelleerde met succes aan de bij velen levende gevoelens dat bepaalde maatschappelijke problemen onbespreekbaar waren. Zijn betekenis is geweest dat hij het debat heeft weten open te gooien. In het land is de verkramptheid in het politieke denken aanzienlijk afgenomen. Nu moet dat in Den Haag nog gebeuren.