Dan stuur ik je bloemen uit Afrika

Nederlandse telers van snijbloemen en sierplanten verplaatsen steeds meer van hun productie naar het buitenland. Vooral Afrikaanse landen zijn in trek door de lage lonen en het gunstige klimaat.

Het gebied ten oosten van Kampala, de hoofdstad van Oeganda, heet het industriële hart van het land te zijn. Maar wie van de hoofdweg afslaat, belandt al snel in de bush. Tussen de bananenbomen staan wankele schuurtjes en lemen hutten. Naakte kinderen rennen door de modder achter kippen aan. Hier haalt de Hillegomse bloementeler Royal van Zanten het personeel voor zijn Oegandese vestiging vandaan.

Aan de rand van een moerasbos staan achttien met wit plastic bespannen kassen. Van Zanten begon hier in 1996, op een halve hectare grond, met het telen van chrysantenstekken. In het eerste jaar verscheepte de vestiging 11 miljoen stekjes naar Nederland; in 2002 had het bedrijf negen hectare in cultuur en produceerde het 160 miljoen stekken.

Bedrijfsleider Anja de Feijter toont de reageerbuisjes waarin ontkiemde chrysantenplantjes uit Nederland worden aangevoerd. In de Oegandese bodem groeien ze binnen een jaar uit tot een struik met tientallen stekken. Die takjes worden nog eens ingepoot en leveren op hun beurt zelf weer vele stekken. Dan is het oorspronkelijke plantje voldoende vermenigvuldigd en vliegen de twijgen retour naar Nederlandse telers, om uit te groeien tot volwaardige snijbloemen. Via de bloemenveilingen in Vleuten, Aalsmeer, Naaldwijk en Bemmel worden de chrysanten vervolgens weer over de aardbol gestuurd.

De veilingen in Nederland hebben een spilfunctie in de internationale sierteelthandel. Tweeënzestig procent van de wereldwijde bloem- en plantenverkoop verloopt via de Hollandse marktplaatsen. De veilingen wisten daarmee in 2002 3,6 miljard euro om te zetten. Buitenlandse producenten, vaak dochterondernemingen van Nederlandse bloemen- en plantenbedrijven, hebben hun verkopen op de Nederlandse veilingen het afgelopen decennium langzaam maar gestaag zien groeien. In tien jaar tijd steeg hun omzet van 229 miljoen naar 529 miljoen euro. De Nederlandse kwekers zijn nog altijd goed voor 85 procent van de verkopen, maar zij betrekken hun moedermateriaal ook steeds meer uit het buitenland. De chrysantenteelt, die jaarlijks 1,5 miljard snijbloemen via de veilingen verhandelt, haalt zelfs al 95 procent van de stekken van over de grenzen, zo meldt de vakorganisatie Plantum NL.

Om de twijgjes te plukken heeft de Oegandese vestiging van Van Zanten 280 werknemers in dienst, van wie 80 procent vrouw is. Vliegensvlug trekken hun vingers de takjes uit de lange plantenbedden. ,,Het werk is erg arbeidsintensief'', zegt de Feijter. De belangrijkste reden dat Van Zanten in Oeganda zit, zijn dan ook de lage lonen. De Feijter beschrijft hoe de stekkenteelt het laatste decennium vanuit Nederland steeds verder zuidwaarts is afgezakt, eerst naar mediterrane streken en daarna naar Kenia, waar de loonkosten echter ook rap stijgen. Buurland Oeganda bleek goedkoper. ,,Wij betalen de plukkers hier tussen de 44 en 66 euro per maand'', berekent De Feijter.

Het klimaat was een tweede reden. De temperatuur in Oeganda is het hele jaar constant tussen de 20 en 30 graden Celsius en daar gedijen de chrysantenplanten bijzonder goed bij. Verder is er, dankzij de uitbundige regenval, nog water in overvloed in Oeganda. In Kenia is dat wel anders. Daar wordt het beroemde Lake Naivasha, een belangrijk centrum voor de sierteelt, met uitdroging bedreigd. Kwekers krijgen er het verwijt dat ze te veel water consumeren en te veel pesticiden gebruiken, waardoor het meer vervuilt.

De Feijter verzekert dat Van Zanten zich in Oeganda daaraan niet bezondigt. Zij ergert zich aan de opvatting van lokale en westerse actiegroepen dat buitenlandse bedrijven de binnenlanden van Afrika alleen maar opzoeken om regels uit het eigen land te ontduiken. ,,Wij hebben ons hier gewoon te houden aan de milieucriteria van de branchevereniging'', aldus de bedrijfsleider.

Ook Olav Boenders van het sierteeltbedrijf Wagagai, in 1999 opgericht door de Hollandse tuinderfamilies Boenders en De Witte, moet zich wel eens verweren tegen milieukritiek. Onlangs beschuldigde een Oegandese natuurgroep Wagagai van vervuiling van het Victoriameer. ,,Wij hebben meteen een onderzoek laten uitvoeren, waaruit gelukkig bleek dat de vervuiling nihil was.'' Wagagai verzendt jaarlijks 180 miljoen chrysantenstekken naar Nederland. ,,Dan klagen milieugroepen dat al dat vliegverkeer zoveel energie kost en slecht is voor het klimaat'', verzucht Olav Boenders. ,,Maar bedenk eens hoeveel energie het kost om de chrysantenstekken in Nederland te telen, met die felle assimilatieverlichting.''

Wagagai is in Oeganda ook begonnen met de teelt van stekken voor potplanten in een hightech proefkas. Luchtsluizen bij de ingang moeten alle schadelijke bacteriën buiten houden. Aan de bouw droeg het Nederlandse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking via het Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM), 680 duizend euro bij. De begoniastekken uit de kas gaan naar het Noord-Hollandse plantenbedrijf Florema. Voor de stekcultuur in Nederland voorziet Florema nog maar weinig toekomst: het kan amper personeel vinden voor het plukwerk. Bovendien hebben de energiekosten zich in korte tijd verdubbeld.

Wagagai introduceert in Oeganda ook de substraatteelt. In een kas staan de rozenstruiken in een kunstmatige ondergrond van kokos. Alle voedingsstoffen zitten in het water dat over de planten wordt verstuifd. Een richel voert het water weer af. ,,Het is de bedoeling dat uiteindelijk al het water in de rozenkassen wordt opgevangen, gezuiverd en hergebruikt'', legt Boenders uit. ,,Zo krijgen we een gesloten systeem dat geen water verspilt en dus goed is voor het milieu.''

De rozen van Wagagai gaan rechtstreeks naar de veilingen in Nederland. Boenders is nog niet helemaal tevreden over de kwaliteit van het product. De knop is vrij klein vergeleken met de rozen uit bijvoorbeeld Kenia. Rozen hebben behoefte aan koude periodes, en die zijn er rondom het Victoriameer niet veel. ,,Wij kunnen voor de rozenteelt nog altijd naar de heuvelachtige grensstreek bij de Congo gaan, waar het 's nachts koeler is'', oppert Boenders.

De zoektocht naar de ideale locatie voor de Nederlandse bloemen- en plantenteelt houdt nooit op.