Vrijheid is niet te koop

Vrijheid heeft economische aspecten. Dat besefte president Roosevelt al bij zijn opsomming van essentiële vrijheden. Houdt dat in dat vrijheid te koop is? En wie betaalt dan voor wie? Daar gaat het dit jaar om bij de vijf-mei-viering. Volgens Alexander Rinnooy Kan toont de wereldwijde armoede aan hoe weinig vooruitgang is geboekt om `vrijheid van gebrek' in de wereld te realiseren.

Vrijheid van angst, `the freedom from fear', is de meest fundamentele van het beroemde viertal van Roosevelt: `freedom from fear, freedom from want, freedom of expression, freedom to worship'. Permanente angst, onvoorspelbare willekeur, verstikkende rechteloosheid: dat zijn de herinneringen van vier mei die leiden tot de vreugde van vijf mei. Maar dat kostbare, dat zo duur gekochte gevoel van vrijheid, steekt inmiddels breder dan dit primaire gevoel alleen. De vrijheid van 5 mei was niet te koop, maar wie elders in het rijtje van Roosevelt de vrijheid van gebrek tegenkomt, `the freedom from want', mag met recht en reden even aarzelen.

Wie vrijheid beschouwt door de ogen van de econoom, komt vrijheid vooral tegen als een ontkenning: vrijheid is ongebondenheid, het ontbreken van restricties en beperkingen, het uitblijven van verbod of vermaning. Vraag aan kinderen wat de ultieme vrijheid voor hen zou betekenen, en het antwoord is voor vijftigjarigen onderweg naar hun pensioen hoogst herkenbaar: de ultieme vrijheid is de complete consumptievrijheid. Vrijheid is doen wat je wilt, en wat je wilt is te koop: kleren, auto's, reizen. Wie zich die vrijheid vandaag nog niet kan permitteren levert graag een extra inspanning en slooft zich extra uit om het moment waarop die vrijheid in zicht komt zo ver mogelijk naar voren te halen: het eerder ophouden met werken als het nieuwe calvinistische ideaal. Dan wacht de exotische bestemming, het ontbijt op bed, de cruise of de rondreis. Het kan geen toeval zijn dat het meest populaire model van de Harley Davidson-motorfiets de Liberator heet.

Deze vorm van ultieme vrijheid nu lijkt wél te koop: de vrijheid van consumeren door de consument, de vrijheid van investeren door de welvarende kapitaalbezitter, het zoete gevoel van materiële onafhankelijkheid: `be your own man'. Wie herkent het niet? Wie luistert niet regelmatig naar deze lokzang en laat zich verleiden tot dagdromen waarin om een of andere reden vooral tropische stranden prominent figureren? Hier verschijnt de dagdroom van de materiële vrijheid in zijn meest pure, kale vorm: vrijheid bij de gratie van het ontbreken van enige verplichting, vrijheid bij de gratie van het ontbreken van enige afhankelijkheid, vrijheid bij de gratie van een verantwoordelijkheidsgevoel met een actieradius van enkele meters.

Van alle franje ontdaan is deze vrijheid zo een verrukkelijke dagdroom, maar ook – zoals zovele dagdromen – een incomplete illusie, zo illusoir als 365 dagen mooi weer. Wie kiest voor een actieradius van enige tientallen meters in plaats van enige meters, ziet al direct achter alle schermen hoezeer de materiële onafhankelijkheid van de nieuwe welgestelde bestaat bij de gratie van zijn afhankelijkheid van tientallen, honderden anderen die hun vrijheid opschorten om de zijne te organiseren. En wie kiest voor een actieradius van kilometers, ziet al gauw dat wie vrijheid wil beleven als een gift en een voorrecht niet kan ontsnappen aan het nemen van verantwoordelijkheid voor de route die naar die vrijheid voert, en voor het gebruik van de vrije ruimte die ermee wordt gecreëerd. Materiële vrijheid heeft een voorgeschiedenis en een vervolg, en geen van beide spelen zich af in het isolement van het individu.

Ons economisch systeem heeft individuele vrijheid in ruimere zin gekozen als ideologisch vertrekpunt: de keuzevrijheid van de consument, de investeringsvrijheid van de kapitaalverschaffer, de technische vrijheid van de producent, de concurrentievrijheid van de distributeur. Het zijn stuk voor stuk vormen van vrijheid die appelleren aan een diepe menselijke behoefte om zeggenschap uit te oefenen over de eigen toekomst, en die pas echt gewaardeerd worden door wie geroken heeft aan het alternatief: de verstikkende werking van de voormalige Sovjet-bureaucratieën, de machteloosheid van een kleine koffiehandelaar op een grote markt, de toenemende hulpeloosheid van een patiënt in de loop van een langdurig verblijf in ziekenhuis of sanatorium. Wie de echte economische vrijheid geproefd heeft, wil er niet meer van af, in het comfortabele vertrouwen dat de onzichtbare hand van de markt er wel voor zal zorgen dat de optelsom van individuele initiatieven, in individuele vrijheid genomen, resulteert in een maatschappelijk optimaal resultaat. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Vanaf Adam Smith, de `godfather' van het marktdenken, is het inzicht aanwezig geweest dat die vrijheid voor het individu alleen zou kunnen overleven bij de gratie van beperkingen en spelregels die veiligstellen dat extreme vrijheid voor de een de vrijheid voor ieder ander niet onaanvaardbaar vermindert. Waar vrijheid ingeperkt moet worden is de ultieme rechtvaardiging nog steeds die van John Stuart Mill: ,,The sole end for which mankind are warranted, individually or collectively, in interfering with the liberty of action of any of their number, is self protection.'' Dat principe genereert de duizenden grote en kleine regels, meestal goedbedoeld, vaak onhandig geïmplementeerd, altijd wel bekritiseerd door degene wiens vrijheid wordt aangetast, zelden geprezen anders dan door degenen die veelal tevergeefs hopen daaraan een goed verkiezingsresultaat te ontlenen.

Het is terecht dat economische voorschriften onze economische vrijheden beperken, en het is al evenzeer terecht dat wij als subjecten van regelgeving in permanente kribbigheid de activiteiten van de regelaars volgen. Wij zijn allen vrij om te mopperen, en zelfs vrij om dat vrijblijvend te doen. Maar om het daarbij te laten is niet erg sterk. Wie economische vrijheden koestert zoals ze gekoesterd verdienen te worden, moet bereid zijn om ook zonder regels en voorschriften aan de periferie van zijn eigen vrijheid verantwoordelijkheid te nemen voor wie aan die periferie door diezelfde vrijheid benadeeld of bedreigd wordt. Binnen een afstand van tientallen meters zijn daarvan al voorbeelden genoeg te vinden. En wie bereid is zijn horizon te verleggen naar een afstand van enkele kilometers, kan alleen maar met schaamte constateren dat de economische vrijheden die wij voor onszelf georganiseerd hebben er nog bij lange na niet in geslaagd zijn `the freedom from want', de vrijheid van gebrek, voor alle wereldburgers binnen handbereik te brengen.

Wie zich probeert ook maar bij benadering een voorstelling te maken van wat het betekent om van dag tot dag en van uur tot uur omringd te zijn door armoede, gebrek en tekort, realiseert zich tezelfdertijd hoe flinterdun de luxe-interpretatie van economische vrijheid als doelstelling voor de oude dag is die wij ons de afgelopen tientallen jaren hebben aangemeten. Hoezeer ook vooruitgang is geboekt in relatieve zin, de absolute armoedecijfers blijven nog steeds overdonderend. Meer dan één miljard wereldburgers moeten zien rond te komen van minder dan één dollar per dag – wie van ons kan zich daar bij benadering een voorstelling van maken? Wij leven in een wereld waarin de tweehonderd rijkste wereldburgers samen meer bezitten dan de twee miljard armsten, mensen voor wie economische vrijheid een inhoudsloze abstractie is.

Wie dit beeld van wereldwijde armoede in zijn onvoorstelbare dagelijkse repercussies voor ogen heeft, kan alleen maar in nederigheid constateren hoe beperkt de vooruitgang is die wij geboekt hebben in onze pogingen de `freedom from want' voor grote delen van de wereldbevolking te realiseren. Dat is niet alleen in schrijnend contrast met de hoop van vijftig jaar geleden; het versterkt ook het frustrerende gevoel dat er wezenlijke en principiële fouten zijn gemaakt bij de vele pogingen die kernopgave voor de wereldeconomie te realiseren. Wie reizend door Afrika de effecten waarneemt van vijftig jaar westerse hulpverlening en die vergelijkt met de welvaart in sommige Oost-Aziatische landen, die ziet in de laatstgenoemde omgeving de effecten van het drieluik van vrijheid, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid, en onderkent de doorslaggevende kracht van die combinatie. De schrijnende verschillen tussen landen die vijftig jaar geleden op gelijke achterstand uit de Tweede Wereldoorlog tevoorschijn kwamen, stemmen treurig over het rendement op de vele miljarden aan steun die verstrekt werden om economische ontwikkeling te bevorderen en die zo vaak gebruikt lijken te zijn om een kansloos economisch bestel in stand te houden en zo vaak ook van een dodelijke laag corruptie te voorzien.

Sinds tien jaar tekent zich daartegenover het perspectief af van de globalisering, het totstandkomen van een grenzeloze, wereldwijde markt. Wie de `freedom from want' wenst te bevorderen kan dat niet anders dan met opluchting begroeten als een geweldige kans. Het is de kans van de echte mondialisering, van de mogelijkheid om op de wereldmarkt binnen randvoorwaarden van eerlijke concurrentie juist de armste landen een serieuze kans te gunnen om op eigen kracht tot welvaart te geraken. Natuurlijk, het gaat niet vanzelf; natuurlijk, het kost tijd; natuurlijk, het vergt fatsoenlijk bestuur – good governance – om een zwakke binnenlandse economie kansrijk aansluiting te laten verkrijgen bij de wereldmarkt, fatsoenlijk bestuur dat zo vaak een schaars goed blijkt te zijn. En natuurlijk, een versnelling in de economische groei zal in eerste aanleg gepaard kunnen gaan met een vergroting van de inkomensongelijkheid, als de armen minder arm worden dan zij waren, maar de rijken nog weer veel rijker dan zij al zijn. Er is nu eenmaal geen wereldbelastingstelsel dat zou kunnen zorgdragen voor een eerlijke wereldwijde inkomensherverdeling. Laten we verstandige vormen van ontwikkelingshulp, zoals schuldsanering bij good governance, maar beschouwen als substituut voor zo'n wereldbelastingaanslag, en laten we vooral een flink deel van dat budget blijven reserveren voor de humanitaire plicht van de hulpverlening. Rampen en catastrofes zullen er altijd zijn, maar burenhulp mag nooit een verslavend substituut worden voor zelfredzaamheid en zelfstandigheid op termijn. In de woorden van een Afrikaanse vriend van prins Claus: ,,On ne développe pas, on se développe'' – men ontwikkelt zichzelf.

Onze kernopgave is en blijft om juist de armste landen een maximale kans op de wereldmarkt te bieden, en dus om concurrentie te dulden en aan te moedigen op al die markten waar wij tot dusver, onder lippendienst aan de zegeningen van de vrije markt, vooral onze eigen belangen hebben beschermd; om te accepteren, kortom, dat de kansen die wij de armste landen moeten bieden onvermijdelijkerwijs aanpassingen zullen vergen in onze eigen economische structuren, de agrarische sector voorop, en om ons daardoor niet te laten weerhouden. ,,Protectionism in the rich countries', zei prins Claus, `does more harm than the good which development aid can do even under the most favourable conditions.''

Wie, zoals menige onderneming dat te pas en te onpas pleegt te doen, vrijheid en ruimte vraagt onder verwijzing naar de zegeningen van marktwerking, die heeft een ereplicht om ook de consequenties van die redenering onder ogen te zien. De apologeten van de vrije markt bewijzen de zaak van de economische vrijheid de best denkbare dienst door zich publiekelijk met echte open marktwerking te associëren: de grote en kleine ondernemingen, hun nationale en internationale organisaties, de nationale en internationale vakbeweging – die zich gelukkig in Nederland zo verre heeft weten te houden van elke vorm van protectionisme –, en uiteindelijk de nationale en de internationale politiek die in hun besluitvorming afstand moeten durven nemen van een nationalistisch kortetermijnbelang.

Vrijheid op economisch gebied en welvaart op die manier delen met medebewoners van de global village, doet recht aan de positieve boodschap van het experiment van de Europese economische integratie, vlak na de Tweede Wereldoorlog begonnen, nu nog steeds niet afgerond, maar wel verder gevorderd dan menig scepticus ooit had durven dromen. Het essentiële inzicht van de Europese pioniers, waarvoor wij hun nog steeds dankbaar moeten zijn, is dat economische eenwording, de totstandkoming van één Europese marktplaats, de beste manier zou zijn om een derde grote Europese oorlog te vermijden. Die boodschap heeft meer dan alleen Europese betekenis. Als nationale grenzen ondergeschikt gemaakt worden aan economische vrijheid, dan varen uiteindelijk alle vier de vrijheden van Roosevelt daar wel bij. Ook daarin liggen de kansen van de globalisering.

Zo geformuleerd strekt economische vrijheid veel verder dan de opwinding over de nieuwste mode, het modernste speelgoed en de laatste cd, en veel dieper dan het op zichzelf zo begrijpelijke verlangen naar een materieel onbezorgde oude dag. Meer dan vijftig jaar na vijf mei 1945 zijn vele vrijheden voor vele wereldburgers nog ver weg. Maar de vrijwaring van gebrek, van armoede, van fysieke aftakeling onderscheidt zich doordat wij allen een actieve rol kunnen spelen bij de totstandkoming ervan: door iets van onze eigen welvaart te delen in de vorm van giften en donaties, maar vooral ook door iets van onze eigen welvaart in te leveren in de vorm van markttoegang en de daaruit voortvloeiende economische vrijheid voor de allerarmsten, die al zo lang op een kans wachten en die zich door een bekrompen interpretatie van economische vrijheden en verantwoordelijkheden met recht en reden tekort gedaan voelen.

Vrijheid is meer dan vijftig jaar na het eind van de Tweede Wereldoorlog niet meer de pure, eenduidige, onschatbaar belangrijke opluchting van toen. Het is een fragiel evenwicht van rechten en plichten, van morele geboden en juridische verboden, van ruimte voor ieder individu en van restricties daarop ter wille van de ruimte voor alle andere individuen. Voor wie het zo uitzonderlijk goed heeft als wij het hebben, is vrijheid inmiddels vooral een opdracht. Laat vijf mei – meer nog dan Nieuwjaar – vooral ook het feest zijn van de goede voornemens.

Alexander Rinnooy Kan is lid van de raad van bestuur van ING Groep. Dit is de enigszins ingekorte versie van de rede die hij vanmiddag heeft uitgesproken in de St. Bavo-kerk in Haarlem.