The Boy Wonder

Twee weken lang, dagelijks, kijken ze urenlang naar het wereldkampioenschap snooker. De diehards die geen seconde kunnen missen van het biljartspel met al die gekleurde ballen kennen de hoofdrolspelers bij hun bijnaam: Jimmy White, The Whirlwind; Steve Davies, The Nugget: John Higgins, The Wizard of Wishaw; Ronnie O'Sullivan, The Rocket; en Steven Hendry, The Boy Wonder. Namen die bij heldendom passen, namen die voor een snookerleek weinig betekenis hebben.

Steven Hendry ken ik van de wekenlange uitzendingen op de BBC. Dat kan ook niet anders, want de Schotse snookerspeler was tussen 1990 en 1999 zevenmaal wereldkampioen. Geen mens die wel eens op zoek gaat naar vreemdsoortige spelletjes die Hendry kan zijn ontgaan, nietwaar? Meer nog dan darts – dat andere merkwaardige, van oorsprong Britse caféspel – maakt snooker veel los, vooral bij Britten. Hendry, bijvoorbeeld, mag dan nog altijd tot de beste snookerspelers worden gerekend, helemaal vrij van verwarrende geestesverschijnselen is hij niet meer. Hendry is publiek bezit, van hem worden bijzondere staaltjes verwacht. Hij moet in uitzonderlijke vorm zijn om wekenlang dagelijks, urenlang, berekenend en onder druk te kunnen snookeren.

Vandaar ook waarschijnlijk dat Hendry eind vorige week in de kwartfinale van het WK werd uitgeschakeld. Het is niet alleen een kwestie van urenlange concentratie, het is ook het gewicht van het altijd maar favoriet zijn, met al die camera's urenlang op je gericht. Hendry is bij mijn weten nog normaal in vergelijking met Ronnie O'Sullivan, bijgenaamd The Rocket. O'Sullivan is echt gek, gek van snooker, mogelijk ook gek geworden door snooker. Hij is niet alleen verslaafd aan snooker, maar aan alles wat zijn geest kan verruimen. Als het niet snooker is, dan is het cannabis, cocaïne of alcohol. Hij zuipt, blowt, snuift, snookert; hij bezoekt al jaren psychiaters, anti-alcoholistensessies (AA), anti-cocaïnesessies (CCA) en anti-drugssessies (NA), de Priory (een Engels ontwenningscentrum) en slikt antidepressiva, maar daarmee wordt de afbraak van serotonine in zijn hersens nauwelijks tot staan gebracht en zakt het peil wel eens tot net boven dat van suïcidale mensen.

Dankzij zijn vriendin, die hij op de Priory-sessies ontmoette, en vooral dankzij het antidepressivum prozac, werd hij in 2001 wereldkampioen. Het stemmingverhogende middel deed zijn angsten verdwijnen. Maar met prozac heeft The Rocket niet het talent kunnen waarmaken dat men in hem zag. Hij blijft een snookerspeler die niet is opgewassen tegen de druk. O'Sullivan speelde vaak met het idee zelfmoord te plegen. Pas wanneer hij de keu in zijn hand had en urenlang bezig kon zijn met snooker was hij zijn leven zeker. (Lees: Ronnie, The Autobiography of Ronnie O'Sullivan). Tijdens het wereldkampioenschap van dit jaar werd hij al in de eerste ronde uitgeschakeld. Maar gelukkig, The Rocket leeft nog.

Steven Hendry is, volgens ingewijden, aanzienlijk minder depressief. Maar de succesvolle loopbaan van de kaalgeschoren, jonge uitgave van zanger Joe Cocker heeft na 1998 evenmin een succesvol vervolg gekregen. Mogelijk is Hendry gaan relativeren en ziet hij in dat verliezen in sport niet levensbedreigend is. Het is niet meer een kwestie van leven of dood, zoals bij O'Sullivan. Een ingebouwd excuus dus. Niet meer durven winnen, zou dat het zijn? In de finale van het wereldkampioenschap stonden gisteravond de onrustige Welshman Mark Williams en de hyperactieve Ier Ken Doherty urenlang tegenover elkaar. Ik zag het aan en dacht: die mensen worden gek. Vandaag gaan ze weer urenlang verder, met Williams op voorsprong. Als hij wint, wordt waarschijnlijk heel Wales gek.