Krijgsmacht is ondoelmatig

In de Nederlandse strijdkrachten wordt te veel geld besteed aan het instandhouden van overtolligheid. De politiek moet hier haar verantwoordelijkheid nemen, meent Frans Timmermans.

Sympathiek dat iemand zo stevig opkomt voor zijn eigen club als ex-marinebevelhebber Van Duyvendijk in deze krant van 26 april. Maar mijn waardering voor zijn geestdrift belet mij niet een paar kanttekeningen te plaatsen, zeker omdat de waarheid hier en daar geweld wordt aangedaan.

Beweerd wordt dat het aantal fregatten sinds 1991 van 22 naar 14 is ingekrompen. Voor de zekerheid heb ik het nog eens nagekeken: er waren in 1991 ook 14 fregatten. Maar dat is niet de kern van mijn kritiek. Van Duyvendijk beweert dat er veel is gedaan in tien jaar tijd om de marine in te kleden voor de nieuwe taken die door de veranderde internationale situatie op ons zijn afgekomen. Daar klopt weinig van. Er zijn veeleer nieuwe taken verzonnen voor bestaande middelen. Sterker nog: de defensiedoctrine uit de Koude Oorlog leidde tot een aantal investeringsbeslissingen die op geen enkele manier zijn heroverwogen, terwijl de Koude Oorlog alleen nog in de geschiedenisboekjes voortleeft.

De eerder genoemde fregatten vormen een mooi voorbeeld van creatief hergebruik. Inderdaad kunnen die schepen overal ter wereld worden ingezet. Meestal mag men patrouilletaken verrichten, waarvoor zeker de helft van de techniek en driekwart van het wapentuig aan boord niet nodig zijn. De fregatten – tot en met de schepen die nu nog van stapel lopen – zijn immers gebouwd om te opereren in een grootschalig maritiem conflict, met geduchte tegenstanders, waarbij `high tech'-systemen onontbeerlijk zijn.

Dergelijke schepen inzetten bij patrouilles ter onderschepping van drugstransporten is net zo verstandig als het aanschaffen van een Ferrari voor het doen van de wekelijkse boodschappen. Het tegenargument van de marine is dan steeds: we hebben nu eenmaal een Ferrari en omdat we er niet meer mee op de snelweg komen, kunnen we er net zo goed boodschappen mee doen. Zou men ook zo redeneren als het niet om belastinggeld zou gaan en men het uit eigen zak zou moeten betalen?

Niet alleen voor de fregatten zijn nieuwe taken verzonnen. Onderzeeboten, vooral bedoeld voor de beveiliging van konvooien en de jacht op andere onderzeeërs, fungeren bijna uitsluitend nog als afluisterposten voor de Amerikaanse bondgenoot. Orionvliegtuigen, uitgerust voor lange afstandspatrouilles en de jacht op onderzeeërs, verrichten vooral transporttaken en wat eenvoudig patrouillewerk. Telkens is er sprake van relatief `low tech'-gebruik van `high tech' middelen. Het zou allemaal niet zo'n punt zijn, als het instandhouden van deze middelen niet zo ontzettend duur was en er, door de kleine omvang van de diensten, relatief veel te veel overhead in stand moet worden gehouden.

De marine heeft niet alleen schepen, maar met het Korps Mariniers ook haar eigen gespecialiseerde landmacht en met de Orions, de Lynx- en straks de NH-90 helikopters ook haar eigen luchtmacht. Dat bracht Pim Fortuyn er waarschijnlijk toe te concluderen dat Nederland wel alleen met de marine toe zou kunnen. Altijd gaat het daarbij om in verhouding kleine eenheden, waardoor er steeds schaalnadelen zijn.

Om dat in stand te houden, vermoed ik, keert Van Duyvendijk zich ook zo tegen de plannen die door Commissaris van de Koningin Franssen zijn ontwikkeld voor verdere centralisering van de krijgsmacht. Want als Franssens plannen worden uitgevoerd – wat ik vurig hoop, maar waar de generaals en admiraals zich stevig tegen verzetten – vervagen de grenzen tussen de krijgsmachtdelen.

Meer dan nu zullen dan de nadelen van versnippering en kleinschaligheid aan het licht komen. Middelen die op elkaar lijken, zullen bij elkaar gebracht worden, onder één leiding, met één beheers- en onderhoudsorganisatie. Als de beslissers wat meer afstand tot de krijgsmachtdelen krijgen, zullen de stammenoorlogen afnemen en zullen investeringsbeslissingen meer worden beredeneerd vanuit wat nodig is op basis van de taken die Nederland voor zich ziet, dan wat wenselijk is voor de meerdere eer en glorie van het eigen krijgsmachtdeel.

Een veiligheidspolitieke analyse, op basis van hetgeen in de EU en de NAVO al is uitgedacht, moet het beginpunt vormen van de discussie over de toekomstige taken van de Nederlandse krijgsmacht. Tekortkomingen worden door beide organisaties vooral gesignaleerd bij bevelvoering, controle en communicatie; inlichtingen voor de bescherming van troepen; maritiem- en luchttransport en, last but not least: inzetbare gevechtstroepen. Immers, als we geen troepen kunnen inzetten, is de rest dure en overbodige `Spielerei'.

Het is ook duidelijk dat in de meeste Europese landen de defensiebudgetten niet zullen stijgen. Daarom zal de verbetering vooral moeten komen uit schaalvoordelen, die gehaald worden door intensievere samenwerking, leidend tot taakspecialisatie en de integratie van krijgsmachten over de grenzen heen. Omdat nu nog iedereen zijn eigen volledig toegeruste krijgsmacht wil houden, heeft Europa van sommige middelen veel te veel en van andere veel te weinig.

Gemeten naar de verhouding tussen financiële `input' en veiligheidspolitieke `output', is er in Europa geen overheidssector waarin zo'n verspilling van belastinggeld plaatsvindt als bij defensie. Het is een raadsel waarom dit nog steeds door de bevolking wordt gepikt.

Voor de Nederlandse krijgsmacht betekent dit niet dat we alles behalve onze gevechtstroepen maar moeten schrappen. Alle drie krijgsmachtdelen beschikken over middelen die in internationaal verband nog steeds erg welkom zijn, maar tegelijkertijd zitten we met nogal wat overtollig spul, waarvan de handhaving niet alleen politiek maar ook bedrijfseconomisch onverstandig is. Want door gebrek aan doelmatigheid, wordt het geld verkeerd ingezet. Te veel gaat op aan het in stand houden van overtolligheid en er wordt veel te weinig geïnvesteerd, met name bij de Landmacht.

Er zullen dus keuzes moeten worden gemaakt, die echter niet langer – zoals in Nederland wel gebruikelijk is – aan de generaals en admiraals kunnen worden overgelaten. Kalkoenen hebben immers doorgaans ook geen inspraak bij de vaststelling van het kerstmenu. De verantwoordelijkheid ligt bij de politiek, het zou tijd worden dat er iets mee werd gedaan.

Frans Timmermans is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van de Partij van de Arbeid.