Hulp aan arme landen

DE BETREKKINGEN tussen welvarende landen en ontwikkelingslanden zijn lastig onder één noemer te brengen omdat uiteenlopende elementen een rol spelen. Met als uitgangspunt de vraag `wie helpt de armen?' heeft het Amerikaanse tijdschrift Foreign Policy in zijn jongste nummer geprobeerd hier enige ordening in aan te brengen. Het blad, dat zich laat kenschetsen als pleitbezorger van de liberaal georiënteerde buitenlandse beleidselite in Washington, heeft 21 rijke landen vergeleken op hun inspanningen ten behoeve van arme landen op het gebied van hulp, handel, migratie, investeringen, vredeshandhaving en milieubeleid. Het aardige van een dergelijke brede vergelijking is dat niet alle aandacht gaat naar de fixatie op het percentage van de ontwikkelingshulp, maar dat internationale armoedebestrijding in een breder verband wordt geplaatst. Bijdragen aan vredeshandhaving, milieubeleid, investeringen, open grenzen voor immigranten en goederen dragen evenzeer bij aan de ontwikkeling van arme landen.

Een opsteker voor het nationale politieke establishment is dat Nederland als nummer één eindigt, gevolgd door Denemarken, Portugal, Nieuw Zeeland en Zwitserland. Onderaan de lijst bungelen Australië, de Verenigde Staten en Japan. Nederland scoort, volgens het onderzoek, goed op hulp, handel, investeringen en milieubeleid. Een reden voor borstklopperij is dit overigens niet: op een maximum haalbare score van tien scoort Nederland een magere 5,6 punten. Dit relativeert de politieke betekenis die in Nederland gehecht wordt aan de omvang van de ontwikkelingshulp.

Een patroon valt niet te ontdekken in deze index voor betrokkenheid bij ontwikkeling. Of het moet zijn dat kleinere landen overwegend beter scoren dan grote landen. Met uitzondering van Duitsland bevindt geen van de landen van de groep van zeven rijkste industrielanden zich bij de eerste tien. En het wordt duidelijk dat het beleid van de rijke landen vol tegenstrijdigheden zit: wat ze aan de ene kant doen ten gunste van ontwikkelingslanden, wordt aan de andere kant weer tenietgedaan. Zo stelden de rijke landen vorig jaar in totaal 58 miljard dollar beschikbaar aan ontwikkelingshulp. De handelsbelemmeringen die de rijke landen opwerpen tegen importen kosten ontwikkelingslanden jaarlijks meer dan honderd miljard dollar. Het Europese handelsbeleid, ook dat van Nederland, wordt gekenmerkt door bescherming van sectoren waarin juist ontwikkelingslanden een voordeel hebben, zoals textiel, kleding en landbouw. Een koe ontvangt in de Europese Unie per jaar aan subsidies evenveel als het gemiddelde jaarinkomen van een Afrikaan, een Zwitserse alpenkoe drie keer zoveel.

EEN OPEN Europees handelsbeleid, gebaseerd op marktopening voor landbouwproducten, kleding en textiel uit ontwikkelingslanden, werpt vruchten af voor arme landen. Mede hierom is het pijnlijk te moeten vaststellen dat de EU maar geen vorderingen maakt met hervormingen van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek. Vorig jaar heeft de Franse president Chirac – een politicus met agrarische passie en een deskundige in het labyrint van de Europese landbouwsteun – bondskanselier Schröder zover gekregen dat ze beiden het landbouwbeleid voor de komende tien jaar onaantastbaar hebben verklaard. Bij de toetreding van de nieuwe Oost-Europese lidstaten vormt dit een obstakel, in de moeizame Doha-ronde van handelsliberalisatie een struikelblok. De EU, inclusief Nederland, doet er wijs aan de negatieve effecten van het landbouwbeleid, ook voor de arme landen, eindelijk onder ogen te zien.