Herdenken

De herdenking op de Dam blijft een indrukwekkende plechtigheid met al die duizenden mensen die twee minuten lang een gonzende, breekbare koepel van stilte oprichten. Maar er is één nadeel: je kunt er niet veel meer zien dan de nek van degene die voor je staat. Daarom besloot ik gisteren eens uit te wijken naar twee kleinere herdenkingsplechtigheden in Amsterdam.

Tegen zeven uur vond er in het 1e Weteringplantsoen een korte plechtigheid plaats bij het monument van De gevallen hoornblazer. Daar in de buurt werden op 12 maart 1945 36 gevangenen bij wijze van represaille door de Duitsers gedood.

De sprekers hebben het niet makkelijk bij deze dodenherdenkingen. Alles is al gezegd. Er wordt dan ook veel geciteerd.

Cox Habbema, die hier het publiek toeprak, redde zich eruit met tamelijk onbekende, maar mooie poëzie van Van der Graft, Presser, Dendermonde en Brecht.

Ter inleiding las ze artikel 1 van de Grondwet voor, waarin staat dat discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging etc. niet is toegestaan. Zelfs `foute pakken' mochten niet worden gediscrimineerd, voegde ze er schalks aan toe, maar ze legde niet uit wat in haar ogen een fout pak is. Is het een slechtzittend, gekreukeld gevalletje van een gewone burgerman, of is het juist duur, perfect maatwerk rond de bast van een parvenu? De laatste categorie ergert mij meer dan de eerste, en ik blijf die ook discrimineren als de pest.

Toen werd het tijd voor de herdenking van acht uur bij het oorlogsmonument op de Apollolaan in Zuid. Daar werden op 24 oktober 1944 als represaille 29 gevangenen neergeknald. Voor mensen als ik, die er voor het eerst waren, was het een bijzondere plechtigheid.

Het leek een familiereünie, maar dan een van een bittere soort. Uit de omringende straten stroomden zo'n tweeduizend mensen naar het plantsoen en al die mensen leken elkaar te kennen. Ze stonden in druk pratende kluitjes bij elkaar. Veel joodse families uiteraard, want er hebben in deze buurt altijd veel joden gewoond.

Dat maakte het tot een intiemere plechtigheid dan die op de Dam. ,,Je schaamt je hier een beetje als buitenstaander'', zei iemand naast me, en ik begreep wat ze bedoelde.

Geert Mak sprak het publiek op een indringende, persoonlijke manier toe. Alles mag dan gezegd zijn, voor de jongere generaties geldt dat niet. Mak wees er met nadruk op dat het kwaad van de Tweede Wereldoorlog niet alleen door antisemitisme was veroorzaakt, maar ook door `de bureaucratie, de techniek, de moderne tijd'. Hij noemde de politieagent, de trambestuurder en de perfectionistische ambtenaar die het kwaad mede hadden uitgevoerd. Het kwaad `als bureaucratisch proces' waaraan zoveel Europeanen hadden deelgenomen. Mak: ,,Als het kwaad een naam heeft, is het misschien vooral onverschilligheid. Ook dat mogen we nooit vergeten.''

Toen de Last Post was geblazen en twee coupletten van het Wilhelmus waren gezongen, riep een man bij het podium: ,,Leve de koningin!''

Dat oogstte de nodige bevreemding. De koningin? Wat had die er op dit moment nou mee te maken?

Gelukkig was er iemand met tegenwoordigheid van geest die luidkeels verbeterde: ,,Leve de vrijheid!''