Gras dat men plattrapt wordt een pad

In Sofia is op 1 mei Blaga Dimitrova overleden, de belangrijkste dichteres van Bulgarije, schrijfster, toneelschrijfster en vertaalster, voormalig dissidente en oud-vice-president. Haar overlijden werd gemeld door de Bulgaarse ambassade in Parijs.

De in 1922 geboren Dimitrova publiceerde haar eerste gedichten al in 1938. Na de oorlog studeerde ze in Moskou. Na haar terugkeer werkte ze voor literaire tijdschrijften en bij uitgeverijen. Haar gedichten waren vooral lyrisch van aard. Later, vanaf de jaren zeventig, stond ze in haar poëzie vaker stil bij sociale en politieke thema`s. Vietnam was er een van; ze bezocht dat land vijf keer en adopteerde een Vietnamees weeskind.

In de jaren zeventig en tachtig raakte Dimitrova – inmiddels de populairste dichteres van Bulgarije – vaak in conflict met het communistisch bewind. Ze werd gecensureerd en gedwongen ,,semi-waarheden en semi-woorden te schrijven'', zoals ze het zelf in 1992 in een gesprek met deze krant uitdrukte. ,,Ik ben niet bang dat men mij plattrapt / Gras dat men plattrapt wordt een pad'', dichtte ze. Het kwam voor dat dichtbundels de ene dag verschenen en de volgende dag uit de handel werden genomen – ,,in de boekengevangenis verdwenen en daar gebleven, in goed gezelschap trouwens: dat van de bijbel bijvoorbeeld''. Als vertaalster maakte Dimitrova indruk met vertalingen van onder andere Mickiewicz, Homeros en Ovidius. Ze kreeg voor die vertalingen buitenlandse prijzen. Haar eigen poëzie en romans werden in vele talen vertaald, inclusief Engels, Frans en Duits. Ze was in 1992 in Nederland te gast bij Poetry International.

Dimitrova, een struise vrouw met blond haar en groene ogen, gold in de late jaren tachtig niet alleen als een radicale vernieuwster van de Bulgaarse taal en poëzie, maar ook als een belangrijke dissidente. De Franse president François Mitterrand ontving haar demonstratief tijdens een bezoek aan Sofia. Na 1989 ging ze in de politiek – ze was mede-oprichter van de Unie van Democratische Krachten, de belangrijkste nieuwe partij in Bulgarije, en ze was in 1992 en 1993 vice-president van het land. Na een conflict met president Zjeljoe Zjelev – ook hij oud-dissident – stapte ze op. Opgelucht. Zoals ze in 1992 als vice-president zei: ,,Ik zie hier nog vaak de geesten van de vroegere communisten. Soms, als ik alleen ben, vraag ik me af: lijk ik op hen? Ik ben bang voor de dag waarop ik me die vraag niet meer stel.'' Aan het eind van het gesprek zei Dimitrova: ,,Waarom zou ik toch de hele tijd aan Sysifus moeten denken?''

Haar ware passie was de poëzie. ,,Als dissident ben je een Don Quichotte die de macht bevecht. Nu we vrij zijn is moed niet langer vereist. De dichter moet nu verhuizen. Hij moet de diepte in. Hij moet de taal bewaken.'' Maar ook later bleef ze soms over politiek schrijven, getuige bijvoorbeeld het gedicht `Nacht over Kosovo': ,,Een zee van ondoordringbare duisternis / geen vuur, geen venster, geen ster / alleen de schreeuw van een vogel als lichtbaken.''