EU: project Galileo loopt gevaar

Europa mag geen `vazal' worden van Amerika, zo vinden EU-leiders. Maar over het technologieproject Galileo bestaat in de Unie al jaren grote onenigheid.

Zelden is over een Europees technologieproject zo fel touwgetrokken als over Galileo. Na een moeizaam besluit door de transportmininisters van de Europese Unie ruim een jaar geleden, dreigt het ambitieuze project voor satellietnavigatie opnieuw vertraging op te lopen door onenigheid in het European Space Agency (ESA). ,,Het project loopt gevaar'', zegt de woordvoerder van Eurocommissaris Loyola de Palacio (Transport).

Vanaf 2005 moet de eerste van dertig satellieten de ruimte in. Anders dreigt Galileo de internationaal toegewezen radiofrequenties te verliezen. Vanaf 2008 wil de Europese Unie na een investering van zo'n 3,5 miljard euro in satellieten en grondstations beschikken over een eigen satelliet-navigatiesysteem als tegenhanger van het Amerikaanse GPS.

De Franse president Jacques Chirac maakte al eens op eigen wijze het belang duidelijk. Galileo moet volgens hem voorkomen dat Europa een ,,economische en industriële vazal'' van Amerika wordt. Sommigen vergelijken Galileo met andere Europese projecten als Airbus (vliegtuigen) en Ariane (raketten).

Vorig jaar maart gaven de 15 EU-transportministers groen licht. Nederland en Groot-Brittannië hadden de grootste aarzelingen. Want waarom zoveel geld in Galileo steken, wanneer het signaal van het Amerikaanse Global Positioning System (GPS) al gratis beschikbaar is? Voorstanders wijzen erop dat de Amerikanen het GPS om veiligheidsredenen kunnen uitschakelen, zoals ze tijdens de eerste Golfoorlog deden.

De Europese Commissie, die zich steeds sterk heeft gemaakt voor het innovatieve project, wijst ook op de miljardenmarkt voor toepassingen. Galileo kan ook voor militaire doeleinden worden gebruikt.

Het Europese bedrijfsleven gelooft erin. Dat verklaart de strijd binnen ESA om het aandeel voor elke lidstaat in het project. Want een lidstaat kan naar rato van z'n aandeel opdrachten voor de eigen industrie binnenhalen. Binnen ESA beslissen niet de transportministers maar de wetenschapsministers. ,,Wij zijn altijd enthousiast geweest'', zegt ESA-projectleider René Oosterlinck. En de Belg voegt eraan toe: ,,Er ligt een markt van tientallen miljarden euro's.''

Volgens de afspraken nemen de EU en ESA ieder een aandeel van 550 miljoen euro in de gemeenschappelijke onderneming (joint undertaking) die het Galileo-project in de beginfase van de grond moet tillen. De joint undertaking moet de aanbestedingsprocedure inleiden, waarna de EU-lidstaten besluiten nemen voor de stationerings- en exploitatiefase. Het bedrijfsleven moet in de stationeringsfase ten minste tweederde bijdragen.

Binnen ESA is afgesproken dat Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië elk een aandeel van 17,5 procent krijgen. Daaraan ging een maandenlange strijd tussen Berlijn en Rome vooraf. Duitsland leverde voor het project een deel van z'n `normale' ESA-aandeel van 25 procent in om de vestigingsplaats voor Galileo's hoofdkwartier (München) en het industriële leiderschap over het project te krijgen. Het Duitse consortium Astrium staat in de startblokken. Maar nu ligt Spanje dwars, dat z'n eigen aandeel tot boven de 10 procent wil opvoeren. En als Spanje meer krijgt, wil ook België meer. Oosterlinck denkt dat het conflict wegens de grote tijdsdruk nog deze maand wordt opgelost.

Het Nederlandse ESA-aandeel in Galileo is slechts 3,11 procent, minder dan de 4,5 procent van België. Volgens sommige deskundigen een gevolg van de relatief geringe prioriteit die Nederland – in vergelijking met andere lidstaten – de laatste jaren aan de kenniseconomie gaf.

Toch is afdelingshoofd Hans Roefs van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) niet ontevreden. ,,Al is de bijdrage aan de magere kant'', erkent hij. ,,Want je kunt meer doen als je weet dat Nederland een transportland is.'' Roefs is geregeld op pad om het Nederlandse consortium (www.valileo.nl) – met deelname van onder meer Dutch Space (het vroegere Fokker Space) en ook TNO – in het buitenland op de kaart te zetten.

Hij is ervan overtuigd dat Nederland een bijdrage ,,met veel meerwaarde'' kan leveren. Het gaat om de technisch belangrijke verificatie en validatie (van de meest uiteenlopende toepassingen) van satelliet-navigatiesystemen en ook de leverantie van onderdelen voor satellieten en grondstations. Nederland profiteert volgens Roefs van de ervaring in het Egnos-project, dat een verbetering van het Amerikaanse GPS beoogt.

Galileo heeft volgens alle deskundigen als groot voordeel boven GPS dat het veel preciezer en betrouwbaarder is. Volgens Oosterlinck heeft China al te kennen gegeven mee te willen doen. De toepassingen liggen niet alleen op het gebied van navigatie in wegtransport, scheepvaart en luchtvaart.

Er zijn ook allerlei toepassingen bij kartering van gebieden, aanleggen van oliepijpleidingen, pakketbezorging, exploratie van mineralen, landbouw, aanleg van infrastructuur, het meten van minimieme vervormingen van dammen en gebouwen. René Oosterlinck van ESA noemt ook het geleiden van blinden als mogelijkheid.

In Washington ziet men de ontwikkeling van Galileo al enige tijd met lede ogen aan. De VS dreigen door de technologische superioriteit van Galileo een miljardenmarkt mis te lopen. Een van de Amerikaanse bezwaren is ook dat 'vijanden' van Galileo gebruik kunnen maken. De Amerikaanse staatssecretaris voor Defensie, Paul Wolfowitz, stuurde er al eens een boze brief aan de Europese hoofdsteden over. Maar in Brussel heerst de mening dat Europa voor satellietnavigatie niet langer van Amerika afhankelijk mag zijn. ,,Een kind kan toch ook niet aan vader steeds blijven vragen of hij z'n auto mag lenen'', zei onlangs een hoge Brusselse functionaris.