Cultuur kun je niet herstellen

Nou dan gaan we maar emigreren, dacht ik nadat ik in M, het maanblad van deze krant, afgelopen zaterdag de foto's van Siebe Swart gezien had. Daarop zie je het ene aardige, rommelige, vriendelijke hoekje na het andere veranderen in iets groots en desolaats van asfalt en beton. Als ze Nederland toch opdoeken, onder het motto van `op de schop' nemen, als alles wat goeiig is, alles wat geschiedenis heeft en vrede, als dat allemaal weg moet, best, dan moeten wij bewoners ook maar eens gaan omzien naar een andere plek.

Het stuk dat schrijver en dichter Willem van Toorn erbij schreef, was van een voorbeeldige kalmte. Want het is om uit je vel te springen allemaal, maar nee, daarvoor is het te laat. Het is meer zo dat een diepe wanhoop zich van je meester maakt. En angst, de angst voor de projectontwikkelaars, de labbekakkige politici of juist de tevreden machthebbertjes die geen kans voorbij laten gaan om lekker vingerafdrukken te maken op de kaart van Nederland. De kortzichtigheid van de tekentafeltypes die doodleuk over bestaande situaties heen nieuwe tekenen zonder ooit eens te kijken, te denken, te voelen. ,,Hoe democratisch zijn zulke beslissingen? Wie wordt er beter van?'' vraagt Van Toorn zich af. In een pamflet dat in 1990 bij uitgeverij Van Oorschot verscheen, Attila op de bulldozer. Rijkswaterstaat en het rivierengebied was al te lezen dat enorme landschapsingrepen de politiek ijskoud laten. Heel die herstructurering van de rivierdijken, het verwijderen van allerlei oude huizen, boomgaarden, akkers, hekken, bruggen, en het gladtrekken en ophogen van de dijken, heel dat uitwissen van de geschiedenis van een gebied, heeft geen enkele discussie in de Tweede Kamer veroorzaakt. Geen één. Daar hoefde niet over gediscussieerd te worden. Dat kon gewoon met wat commissiewerk geregeld worden.

Was er dan geen verbetering nodig van de dijken? Vast wel. En misschien moest er inderdaad ook hier en daar wel iets verdwijnen en veranderen. Maar zoals de auteurs van dat boekje en zoals ook Van Toorn bij herhaling in veel boeken en stukken heeft beweerd, het hoefde niet zó. Niet zo onverschillig. Niet zo van `even lekker op de schop'. Het zou zo gescheeld hebben als `men', dat is de onontwarbare knoop van politici, rijkswaterstaat, ingenieurs, aannemers, meer oog had gehad voor wat er was, voor de schoonheid van dat land niet alleen, maar vooral ook voor de geschiedenis ervan.

In zijn Leesbaar landschap schrijft Van Toorn over Toscane, over hoe je daar aan het landschap kan zien, zelfs zonder er veel vanaf te weten, hoe het zijn vorm heeft gekregen door de eeuwenlange omgang van mens en natuur. Natuurlijk is er van alles bijgekomen, Toscane is geen openluchtmuseum maar een onderdeel van een modern land. Maar ze hebben het niet `op de schop' genomen, niet van alles rechtgetrokken en weg gegraven en dan, `ter compensatie', een mopje zielloze `nieuwe natuur' gecreëerd met een oeros erop.

Terwijl de wanhoop om Siebe Swarts foto's nog in mij rondwoelde, reden we langs de Vecht. Daar vergat ik even hoe erg het was. Natuurlijk is er erg veel verkeer daar, soms bijna door voorkamers heen. Maar ook kijk je je ogen uit naar wat je niet anders kunt noemen dan geschiedenis. Die buitenplaatsen met hun koetshuizen en hun theekoepels, hun tuinen en oprijlanen, hun weelderige, stijlvolle rijkdom. Soms nog een boerderij, met soms zelfs nog land er omheen, een boomgaard erbij, dat je weer weet dat boeren en landhuizen bij elkaar hoorden, omdat er toch eten geproduceerd moet worden, melk, graan, eieren, boerenkool. En niet alleen de Vecht met zijn huizen, ook de weilanden met hun groene wollige lentejassen aan, met hun paardebloemen en hun hekken, hun schapen en koeien en bermen vol fluitekruid, de sloten en vaarten met de hoge bomen die zich weerspiegelen – nee, emigreren, nee toch maar niet, nergens ooit zal ik het landschap zo kennen als hier.

Denk ik.

Maar wat je ziet is vaak onzin. In Oefeningen bij een beek beschreef de dichter C.O. Jellema hoe hij eens terugkeerde naar zijn geboortehuis en geboortedorp. Wat hij ziet is hoe de landherinrichting de hakhoutwallen heeft doen verdwijnen, de zandwegen tussen de percelen zijn ook weg, zelfs de beek is weg. Nu dat allemaal voltooid is, schrijft Jellema ,,kan er ongestraft naast de spoorlijn, voor treinreizigers duidelijk leesbaar en als het ware ter verontschuldiging voor de karakterloosheid der rechthoekige, door sloten afgebakende stukken land, een bord staan waarvan het opschrift nog de vernietiging van het oeroude cultuurlandschap weet te loochenen: `natuurontwikkelingsproject'.''

In het Attila op de bulldozer-pamflet zegt een Wageningse natuur- en bosbeheerder, J. Bervaes: ,,De eeuwige vraag is (...): wat kan en moet ik in stand houden.'' Zijn antwoord is, hoewel hij dus een natuur- en bosman is, ,,dat je cultuur voorrang moet geven, die is eenmalig en gebonden aan haar ontstaansperiode; de natuur trekt zich niet zo geweldig veel van tijdperken aan. Die kun je ook herstellen. Cultuur kun je niet herstellen.''

Wie cultuurlandschap uitwist, wist het verleden uit, wist zichzélf in zekere zin uit. Je kunt de zeventiende eeuw nog zien als je naar de Beemster gaat, je kunt zien hoe de Amsterdammers heerlijk van het buitenleven gingen genieten in de polder, hoe de ingenieurs en boeren van toen over landschap dachten. In Drenthe kun je de essen, de hoog gelegen landbouwgronden rond de dorpen, nog steeds zien, je kunt zelfs de overgangen van de essen nog voelen in kleine accidenteringen. Het landschap laat zien dat mensen bestaan hebben, geleefd hebben, gedacht hebben. Natuurlijk denken en bestaan en leven wij nu anders, we hoeven niet te doen of dit de zeventiende eeuw is. Maar we hoeven ook niet te doen alsof al die boeren, al die dorpelingen, al die stedelingen, al die gedachten uitgedrukt in het landschap nooit bestaan hebben door in een paar tientallen jaren alles wat nog aan ze herinnert te wissen.

We moeten trouwens ook niet denken dat wij onszelf het beste uitdrukken in het landschap door dat vol te plempen met snelwegen en kantorenparken en hier en daar een `recreatief fietspad'. De zielloosheid van buiten de huizen gelegen winkelcentra, de eindeloze viaducten. Deze krant is in Rotterdam gevestigd tussen een spoorbaan en een snelweg, temidden van andere kantorengebouwen, een drive-in MacDonalds, een meubelgigant en een metrostation. Je wílt het niet eens herkennen na twaalf jaar regelmatige confrontatie. Het is geen omgeving. Het is armoede.