Zand over Nederland

Met het geduld van een landschapsschilder legt Siebe Swart het Nederlandse landschap vast dat door projectontwikkelaars 'op de schop wordt genomen'. Hij fotografeert plekken vóór, tijdens en na de verwoesting.

Soms biedt alleen een enkel torentje aan de horizon nog houvast.

Een aantal keren per jaar wordt mij gevraagd hier of daar te spreken over het landschap het cultuurlandschap, de relatie tussen natuur en landschap, de verstedelijking van Nederland, dat soort zaken. Dit komt, hoop ik maar, doordat van mijn eerste publicaties af het landschap een belangrijke rol speelt in mijn werk, waarschijnlijk omdat ik het ervaar als een van de interessantste spiegels van menselijk denken en handelen. Wie iets wil begrijpen van de mentaliteit van de zeventiende eeuw, doet er verstandig aan nieuwsgierig te kijken naar de Noord-Hollandse droogmakerijen of naar de structuur van vestingstadjes in het rivierengebied, om maar twee voorbeelden te noemen. En wie een beeld wil krijgen van de mateloze ambitie waarmee we vooral de laatste halve eeuw de wereld naar onze hand wensen te zetten, zou eens een rondreis moeten maken langs de zogeheten infrastructurele werken waarvoor we op ontelbare plekken het vaderland aan het oprooien zijn.

In verband met zo'n infrastructureel project werd mij in het voorjaar van 2002 gevraagd of ik op de conferentie van de Rotary in district d 1550 zou willen spreken over het landschap. District

d 1550 ( die aanduiding deed mij steeds maar denken aan Gogols Revisor) bleek ook de Betuwe te omvatten en vanwege de geweldige veranderingen die door de Betuwespoorlijn voor de deur stonden, leek bezinning op het landschap het bestuur geen overbodige luxe. Toen de bestuurder die mij meedeelde dat de gedeputeerde voor Verkeer en Waterstaat van de provincie Gelderland de tweede spreker zou zijn, won mijn nieuwsgierigheid het weer eens van mijn scepsis, en ik zegde toe.

Op een prachtige meidag begaf ik mij naar het Sporten Horecacentrum achter de rivierdijk waar de conferentie zich afspeelde. Het motto van de dag was 'Op de schop' dat verraderlijke

eufemisme van de reuzenmollen die overal om ons heen landschappen omwroeten. 'Ja, dat gebied gaat helemaal op de schop' je ziet er een mannetje met een schep en een bergje zand bij.

Bij het vooruitzicht mij in het gezelschap van louter invloedrijke lieden te bevinden, en omdat bovendien de verantwoordelijke gedeputeerde er nu eens zelf bij was, had ik een praatje voorbereid waarin ik vooral vragen formuleerde over de processen die leiden tot zulke ingrijpende projecten als rivierdijkverzwaringen, Betuwespoorlijnen, hogesnelheidslijnen en wat dies meer zij. Wie beslist er eigenlijk? Hoe democratisch zijn zulke beslissingen? Wie wordt er beter van?

De gedeputeerde was een welbespraakte, sympathieke heer, die mij bij de koffie vooraf de wind gedecideerd uit de zeilen nam door mij toe te vertrouwen dat die hele Betuwelijn er beter niet had kunnen komen. 'Als men alles had geweten.' Ik vroeg hem of hij dat ook in zijn praatje ging zeggen. Natuurlijk ging hij dat doen. Het was allemaal lang voor zijn tijd besloten, en er was uiteraard niks meer terug te draaien, dus hij kan dat zonder risico

zeggen.

En dat deed hij voor ons aandachtig gehoor van heren met kantoorpakken aan en dames op haar mooist want de conferentie was ook ladies' day. Toen ik aan de beurt kwam, werd er regelmatig instemmend geknikt bij mijn beschrijvingen van Betuwse landschappen die ik kende uit mijn kindertijd. Tegen de

gedeputeerde zei ik dat hij de verantwoordelijken wel kon verontschuldigen door te zeggen 'als we alles hadden geweten', maar dat men alles, of ten minste veel, had kúnnen weten, als men maar had gewild. Er was lang voordat de beslissing was genomen al een imposante hoeveelheid artikelen verschenen, waarin met kracht van argumenten werd betoogd dat die hele spoorlijn totaal overbodig was, dat hij in Duitsland nergens op aan zou sluiten, dat de binnenscheepvaart de vraag naar

vervoer gemakkelijk aankon, enzovoort. Dat moest de gedeputeerde toegeven, maar het was

allemaal lang voor zijn tijd

gebeurd.

Roemeense dimensies

Na afloop nam een heer in een heel fatsoenlijk pak mij apart en zei dat hij mij, als ik een keer tijd had, met plezier zou vertellen welke belanghebbenden die hele Betuwespoorlijn hadden doorgedramd. Hij was zelf transportondernemer, en geen kleintje, maar dit hele project was een schande. Het was alleen ingegeven door de angst van Rotterdamse havenbaronnen voor de gevolgen van de Kanaaltunnel en een mogelijke snellere verbinding van

Antwerpen met het Duitse achterland. Voor de landelijke

economie betekende het niks, Sterker, het zou generaties duren voordat er iets van de

gigantische overheidsinvesteringen was terugverdiend, als dat al gebeurde. Ik stak zijn kaartje in mijn zak en reed peinzend terug naar Amsterdam.

Ervaringen als deze vervullen mij steeds weer met verbazing en met ongerustheid over de kwaliteit van de politiek in Nederland. Niet alleen wij, ook veel buitenlanders zien Nederland graag als het land van de correcte, weloverwogen planologie, als bezitters van een lange vormgeeftraditie op het gebied van landschapsarchitectuur en stedenbouw, die tot op de dag van vandaag voortbestaat. Maar elke keer als je, niet op de kaart maar in de echte mensenwereld, wordt geconfronteerd met zo'n project van welhaast Roemeense dimensies, slaat de twijfel toe. En dan heb ik het niet eens over de schandalen die aan de oppervlakte komen als de politiek eindelijk wél eens serieus haar werk doet, zoals in het geval van de bouwfraude-enquête.

Uitgewist

Het landschap als spiegel van ons denken en handelen. Die functie heeft het in positieve zin, bijvoorbeeld als het gaat om een aantal historische binnensteden (de stad is ook een landschap) of om de IJsselmeerpolders, maar ook in negatieve zin, zie de dodelijke banaliteit van de bedrijvenparken langs de snelwegen, die vooral lijken te dienen om het uitzicht op landschappen weg te nemen. Maar soms is het spiegelbeeld onherstelbaar uitgewist.

Jaren geleden, net na de dijkverzwaringswerken in het rivierengebied, reed ik met een groepje radiomakers van de vpro over de dijk tussen Tiel en Zaltbommel. Prachtig landschap, vonden ze. Maar ik zag vooral wat er weg was: gesloopte dijkhuizen, weggegraven uiterwaarden, omgehakte bomen, de in eeuwen van menselijke bewoning ontstane kleinschaligheid en intimiteit. En ik realiseerde me dat er duizenden plekken in Nederland moesten zijn waar die intimiteit alleen nog in de herinnering

bestond, slechts voelbaar voor de bezitters van die herinneringen en soms alleen nog terug te

vinden in werk van schrijvers, schilders of fotografen.

Lieden die het landschap graag als tabula rasa zien, denken dat zulke overwegingen met nostalgie te maken hebben; nostalgie is de dooddoener van de groeidenkers. Het landschap is altijd

veranderd, zeggen ze, er is niets nieuws aan de hand. En natuurlijk is dat zo; verandering, menselijke invloed, behoort tot de kenmerken van landschappen. Maar nooit eerder in de geschiedenis is het landschap in Nederland op zoveel plekken tegelijk zo drastisch, zo achteloos veranderd als nu.

Eeuwenlang was het gewoon dat het landschap de mens overleefde; het landschap had geduld met mensen: het was een milde troost te beseffen dat dit huis, dit uitzicht, die eeuwenoude groep eiken, die stadsmuur er allang waren toen jij nog niet bestond, en er nog zouden zijn als jij er niet meer was. Nu verandert het landschap om je heen onherstelbaar waar je bijstaat. We weten helemaal niet of een mens daar eigenlijk wel zo goed tegen kan, of dat niet een ontworteling oplevert waar hij een beetje raar van wordt maar dat onderzoeken we nooit. Zoals we wel meer

vragen niet eens proberen te beantwoorden.

Hoeveel van die verandering zou werkelijk meer het algemeen belang dienen dan het belang van een kleine maar machtige lobby? Zijn we er echt zo zeker van dat een klein en volgebouwd land het grootste vliegveld van Europa moet hebben? Dat een land waar de spoorwegen dagelijks hun onvermogen demonstreren om fatsoenlijke treinen te laten rijden, laat staan op tijd, per se een hogesnelheidslijn moet hebben? Hebben de groeiprofeten

eigenlijk het idee dat hun groei altijd maar door zal kunnen gaan? Zulke dingen zou je wel willen weten.

De foto's van Siebe Swart zouden verplicht studiemateriaal voor bestuurders moeten zijn, omdat ze al die vragen stellen. Wat ze onderscheidt van het werk van de fotografen die ik hierboven bedoelde en die landschappen vastlegden voordat ze verdwenen, is dat ze niet alleen laten zien hoe het was, maar ook hoe het is

geworden en via welk proces. En dat allemaal tegelijk. Soms geloof je haast niet dat je bij zo'n reeks op dezelfde plek blijft, dan moet een kerktorentje of een

gespaard gebleven bomengroep heel in de verte je helpen. En wat die foto's in mijn hoofd oproepen is de angstige zekerheid dat ze mij maar een paar plekken zó hevig met deze intensiteit laten zien, maar dat er in heel Nederland nog honderden, duizenden méér zijn die ik nu toevallig niet zie omdat Siebe Swart er niet is geweest.

Wat deze reeksen je ook laten ondergaan, is de schrijnende tegenstelling tussen de haast van de plannenmakers en het geduld van de fotograaf, die eindeloos moet zijn teruggekeerd naar hetzelfde punt in een landschap om de verandering van een plek vast te leggen. In het werk van Swart is het geduld van het landschap overgegaan op de enige die weigert haast te hebben, de fotograaf.

Bloeiende boomgaard

Geen bestuurder of plannenmaker houdt zich bezig met de intimiteit van landschappen, die ze tot mensenlandschappen, landschappen vol verhalen, maakt. Het duizelt je als je je de ontelbare intieme plekken voorstelt die dagelijks in Nederland 'op de schop gaan', om die versluierende term uit de tijd van het handwerk nog eens te gebruiken. En het zijn vaak precies die plekken waarvan Siebe Swart je het verdwijnen laat ervaren.

Je ziet een oude, bloeiende boomgaard op het traject van de Betuwespoorlijn in Andelst-Zetten; zon en schaduw op hoog, wollig gras waar je wel met een geliefde in zou willen liggen, veel boterbloemen, een smalle boerenweg. En je ziet, met de jaartallen erbij, in drie stappen de totale Ausradierung (dat bedoel ik letterlijk: je stelt je ook de tekentafel voor waarop een hand de Betuweroute dwars door die boomgaard tekent). Een klein mensenlandschap gemetamorfoseerd tot naamloos deel van een traject. Een non-lieu.

Je ziet, op diezelfde Betuweroute maar nu bij Giessendam, twee tegenover elkaar liggende kleine intieme werelden op de oevers van de Giessen; aan beide kanten een grasveldje en een stacaravan onder bomen. Rechts aan de waterkant een tafeltje en een paar witte stoelen van de Hema of Blokker. Mensen zie je niet maar je voelt, ook als dit niet jouw voorstelling van een zomers paradijs is, dat er mensen zijn voor wie dit misschien wel de grootste rijkdom in hun leven uitmaakt. Twee foto's verder en twee jaar later zijn de aardse miniatuurparadijzen weg, platgebulldozerd voor de tunnel die hier moet komen 'om overlast in dit recreatiegebied te beperken'.

Hetzelfde zie je in de reeksen van Siebe Swart gebeuren met simpele boerenschuren, bomenrijen, kleine villa's, akkers, hekken, kruispunten van landwegen, poldervaarten kortom met al die elementen die je in landschappen herinneren aan mensen. Je gaat ervan verlangen naar een stil, oud dorp waar één keer per dag een auto langskomt, of nog liever een fietser of een boerenkar met een paard ervoor. Of naar een moderne stad waar het leven misschien wel snel verloopt, maar waar de huizen, straten en pleinen tenminste even op hun plaats blijven, zodat je gedachten zich eraan kunnen hechten

voordat een hand ze doorstreept en het lijkt of ze er nooit zijn geweest.

Willem van Toorn is schrijver.

In 2001 verscheen bij uitgeverij Querido zijn bundel Gedichten 1960-1997.

Siebe Swart is fotograaf. De tentoonstelling Panorama Nederland is te zien

in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam (van 27 april tot 15 juni) en

in Las Palmas (vanaf 8 mei). En tijdens het FotoFestival Naarden (van 29 mei tot 22 juni).

Panorama Nederland kwam tot stand dankzij financiële ondersteuning van het Fonds Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, Bureau Rijksbouwmeester, Provincie Gelderland.

Het deelproject HSL wordt gesponsord door de Projectorganisatie HSL-Zuid.