Vivisectie op de tegenvoeter

Literatuur over Australië gaat over het effect van het landschap op de ziel, schrijft Pieter Steinz in zijn serie over lezen op locatie.

`Wij hebben niets gemeen met de Engelsen behalve onze taal,' schreef de Australische schrijver Henry Lawson aan het eind van de negentiende eeuw. De blanke Australiërs, merendeels afstammelingen van de bewoners van strafkolonies (en hun bewakers), bewoonden een land dat in heel veel letterlijk het tegenovergestelde van Engeland was. Als in Londen de ochtend aanbrak, begon de avond in Canberra; als de zomer begon in Bristol, brak de winter aan in Brisbane; en terwijl je in Brittannië uitkeek over groene weiden en witte kliffen, zag je in Australië uitgestrekte woestijnen en rode rotsen.

Je zou dan ook verwachten dat de Australische literatuur van begin af aan lijnrecht tegenover die van het voormalige moederland stond. Maar nee. De eerste Australische auteurs hadden juist moeite om zich aan de aantrekkingskracht van de eerbiedwaardige Engelse cultuur te onttrekken. Schrijfsters als Miles Franklin, Christina Stead en `de Nieuw-Zeelandse Tsjechov' Katherine Mansfield emigreerden al vroeg in hun carrière naar Europa; en het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat de latere Nobelprijswinnaar Patrick White een omgekeerde beweging maakte. White, die in Londen uit Australische ouders was geboren en in Cambridge had gestudeerd, maakte Australië, en vooral het Australische landschap, tot zijn belangrijkste onderwerp. Niet alleen in The Tree of Man (1956), dat gaat over een boerenechtpaar in de bush, of in Voss (1957), dat een ondekkingsreiziger in de outback als hoofdpersoon heeft; maar ook in The Vivisector (1970), zijn roman over een nonconformistische schilder in Sydney.

Met White deed het streven naar de Great Australian Novel zijn intrede in de literatuur. Velen na hem probeerden in hun werk duidelijk te maken wat het betekent om een Australiër te zijn en wat de uitwerking is van het uitgestrekte landschap op de menselijke ziel. Peter Carey won er twee Bookerprijzen mee (Oscar and Lucinda, 1988; The True History of the Kelly Gang, 2001); Keri Hulme één, met haar eigenaardige familieroman The Bone People uit 1985 (die zich afspeelt op het belendende Nieuw-Zeeland). Daarna ontdekten ook buitenlandse schrijvers Australië als locatie voor existentialistische (avonturen)romans. Wie daar als Nederlander een bewijs voor wil hoeft alleen maar Vertraging van Tim Krabbé of Zuiderkruis van Pauline Slot te lezen.

Volgende week: Zuid-Italië en Sicilië. Suggesties: steinz@nrc.nl