Vanuit de file uitzicht op een rijtje vrolijke olifanten

Nederland telt honderden kunstwerken langs de snelweg. Snelwegkunst kan als herkenningspunt fungeren, maar ook ergernis oproepen.

Maandenlang heb ik me afgevraagd wat het moest voorstellen, het rechthoekige metalen bouwwerk dat ter hoogte van het Terbregseplein bij Rotterdam uit de geluidswal naast de A20 steekt. Was het de aanzet voor een nieuw viaduct of diende het als schuilhut voor verkeersagenten? Of was het misschien toch de zoveelste poging van een beeldend kunstenaar om met behulp van wat oud ijzer het landschap langs de snelweg te verfraaien?

Toen ik vorige week het nieuwe ANWB-boek Beelden in de Berm kocht, werd het raadsel eindelijk opgelost. In dit gidsje worden 85 kunstobjecten beschreven die langs de Nederlandse snelwegen en provinciale wegen staan – anonieme beelden die je soms al honderden malen vanuit je ooghoeken zag langsschieten, maar nu eindelijk een naam hebben gekregen. Nooit geweten dat de reusachtige betonnen acht die sinds 1998 in het gras langs de A12 bij Gouda ligt, een al dertig jaar oude sculptuur van Ad Dekkers is. En ook niet dat de Dorische zuil die bij het Beneluxplein naast de A15 staat, daar in 1990 is neergezet door het Rotterdamse kunstenaarscollectief Kunst en Vaarwerk.

Ook de opvallende constructie bij het Terbregseplein blijkt een kunstwerk te zijn, al dient het niet tot vermaak van de automobilist. Het grootste deel van het beeld ligt namelijk achter de aarden wal, in de Vinex-wijk Nieuw-Terbregge. Kunstenaarsgroep Observatorium legde hier in 2001 een beschutte tuin aan en bouwde een dijkhuisje uit oude stukken asfalt en vangrail. Het paviljoen oogt als een fort, met een robuuste loopbrug die naar een uitzichtspunt hoog boven de snelweg leidt. Vanaf dat punt hebben buurtbewoners vrij zicht op de Rotte, het Kralingse Bos en de skyline van Rotterdam. Bovendien fungeert het bouwwerk als gedenkplaats: dit is precies de plek van de eerste voedseldroppings in de Tweede Wereldoorlog.

Het Observatorium is een van de weinige kunstwerken langs de snelweg met een duidelijke functie. Het is een beeld dat gebruikt, beklommen en aangeraakt kan worden. Met de meeste snelwegkunstwerken is dat wel anders. Vaak staan ze op een braakliggend stukje grond naast een afslag of in het hart van een druk verkeersplein – restplekken die onbereikbaar zijn voor vandalen maar ook voor geïnteresseerde toeschouwers. Bijna altijd zijn dit soort sculpturen log en groot, zodat ze ook bij 140 kilometer per uur nog in het oog springen. Soms dienen ze als vertrouwd herkenningspunt voor de automobilist, maar vaker vormen ze een bron van ergernis.

Sinds de aanleg van het Nederlandse snelwegennet in de jaren '60 zijn er honderden kunstwerken in de berm verschenen. Ze zijn neergezet door Rijkswaterstaat, door een provincie of gemeente, en in een enkel geval door een enthousiast bedrijf. Sommige provincies hanteren bij de aanleg van wegen de zogeheten éénprocentsregeling. Net als bij nieuwe openbare gebouwen wordt dan een honderdste deel van het budget besteed aan kunst. Al die verschillende initiatieven hebben geleid tot een wildgroei aan – veelal abstracte – staketsels van sloopijzer en op elkaar gestapelde stenen. Maar zo nu en dan passeer je wel eens een vrolijke figuratieve tegenhanger, zoals de vijf betonnen olifanten van Tom Claassen op het knooppunt van de A6 en de A27, of het bronzen tankstationnetje van Henk Visch langs de N30 tussen Lunteren en Barneveld.

Er staan zelfs sculpturen langs de weg waar helemaal geen kunstenaar aan te pas is gekomen. Zo besloten de wegwerkers die in 1986 langs de ringweg van Almere een geluidswal hadden aangelegd, hun werk te bekronen met een zelfgemaakte sculptuur van aan elkaar gelaste stalen buizen. Het roestbruine kunstwerk, De Hoge Ring geheten, staat er nog altijd, en kreeg zelfs landelijke bekendheid toen een medewerker van de Amsterdamse diamanthandel Gassan er in 2001 twee koffers met gestolen edelstenen in verstopte.

Kunstenaar Moniek Toebosch was begin jaren '90 een van de eersten die bewezen dat snelwegkunst ook een immaterieel karakter kan hebben. In 1994 lanceerde ze haar project Engelen, een radiozender die alleen te horen was op de dijk tussen Enkhuizen en Lelystad. Automobilisten die, daarop geattendeerd door een bord, hun autoradio aan het begin van de dijk afstemden op de juiste frequentie, hoorden 29 kilometer lang prachtig engelengezang. Omgeven door het blauw van lucht en water konden ze zich eventjes in de hemel wanen, totdat zij het vasteland weer bereikten en het geluid langzaam wegstierf.

In het project van Toebosch werd het autorijden zelf tot ultieme ervaring verheven. Die aanpak is de laatste jaren veel nagevolgd. Er is lang gedacht dat de snelweg een noodzakelijk kwaad was, een saai stuk niemandsland dat langs desolate industrieterreinen en kantoorcomplexen voert. Maar de snelweg kan ook gezien worden als een toevoeging aan het landschap, en het autorijden als een beleving op zich. Daarom gaan er steeds meer stemmen op om snelwegen niet meer te verstoppen achter uniforme geluidsschermen, maar aandacht te besteden aan de vormgeving van het landschap naast het asfalt. De snelweg is de drukst bezochte openbare ruimte van ons land. Daar kunnen we maar beter iets moois van maken.

Tegenwoordig worden kunstenaars vaak al in een vroeg stadium betrokken bij de aanleg van nieuwe wegen. Ze werken samen met architecten, stedenbouwkundigen of civiel ingenieurs en denken mee over esthetische oplossingen. Een project dat in dit kader niet onvermeld mag blijven, is `De fenomenale weg' van Rijkswaterstaat en de Stichting Kunst en Openbare Ruimte (SKOR). Onder het motto `De weg van last tot lust' nodigden zij vorig jaar diverse kunstenaars uit om op zoek te gaan naar de onbenutte mogelijkheden van de snelweg.

Een van de deelnemers, beeldend kunstenaar Hans van Houwelingen, kwam met een aantal briljante ideeën. Zo stelde hij voor om de elektronische borden boven de weg te gebruiken voor een soort Michelinsysteem, waarbij het rijcomfort op een bepaald traject gewaardeerd wordt met één tot vijf sterren, afhankelijk van de staat van het wegdek, weersomstandigheden en files. Op deze manier zou de psychologische beleving van het snelweglandschap beïnvloed kunnen worden. Ook zouden symbolen op lantaarnpalen de automobilist kunnen attenderen op de aanwezigheid van natuur. En als compensatie voor de aanleg van nieuwe wegen introduceerde Van Houwelingen het bioduct: een fly-over bedekt met gras. Tot nu toe zijn de bijdragen fictief gebleven, maar het zou heel goed kunnen dat er in de nabije toekomst koeien boven de snelweg grazen.