ROMEINEN GINGEN BIJ DE WATERVOORZIENING UIT VAN ÉÉN IDEE

Al heel lang bestaat onzekerheid over de vraag of de Romeinen voor hun watertoevoer en -afvoer uitgingen van één grondidee. Het antwoord is gegeven door Gemma Jansen in haar proefschrift `Water in de Romeinse stad: Pompeji - Herculaneum - Ostia'. Wegens financiële beperkingen kon zij alleen deze steden bestuderen. Het proefschrift biedt echter een model om ook andere steden te onderzoeken.

Jansens belangrijkste conclusie is dat de Romeinen steeds dezelfde oplossingen gebruikten, voor zover althans de omstandigheden dat toelieten. De structuur van de bodem, het grondwaterpeil en de hellinghoek van het terrein verschilden van stad tot stad. Ook de inwoneraantallen van de steden varieerden.

Jansen onderzocht Pompeji en Herculaneum, beide bij Napels, en Ostia, de havenstad van Rome. De eerste twee steden werden in 79 na Chr. na een uitbarsting van de Vesuvius bedekt onder een laag as en lava. In Pompeji was er bovendien de complicatie dat het waterleidingnet net op het moment van de ramp werd vervangen, waardoor zowel het oude als het nieuwe leidingnet grotendeels ontbreekt.

In alle drie de steden werd water via aquaducten uit bronnen in de heuvels aangevoerd. Hiermee werd het leidingnet gevoed. Het hoogteverschil binnen de stad bedroeg in Pompeji 33 meter, in Herculaneum 15 meter. Daardoor zou de druk in het leidingnet erg hoog worden, als er geen speciale voorzieningen werden getroffen. Door de bouw van watertorens op verschillende hoogtes werd het hoogteverschil gereduceerd tot maximaal zeven meter. In het op veel vlakker terrein gelegen Ostia waren watertorens niet nodig.

Een andere waterbron vormden de putten. Het grondwaterpeil in Pompeji lag dertig meter onder het maaiveld. Putten waren daardoor duur in aanleg en werden derhalve alleen geslagen voor gebouwen met een groot waterverbruik, zoals badhuizen. Herculaneum en Ostia hadden een veel hoger grondwaterpeil (3 tot 10 meter) en telden daardoor meer putten. Ostia, dat van de drie de meeste inwoners telde, had de grootste waterbehoefte. Dat het leidingnetwerk niet voldoende water aanvoerde, was een reden te meer om putten te gebruiken. Regenwater werd ook opgeslagen in ondergrondse cisternen, maar de Romeinen gaven de voorkeur aan putten, omdat die de regenval kon in de loop van een jaar sterk variëren minder gevoelig waren voor seizoensinvloeden.

Ook wat de afvoer van het water betreft vertoonden de drie steden overeenkomsten en verschillen. Alle drie hadden ze een riool voor de afvoer van uitwerpselen en urine. In Pompeji en Herculaneum werden ook beerputten gebruikt, in Ostia echter niet wegens de hoge grondwaterstand die een goede werking ervan beperkte. Regen- en afvalwater verdween alleen in Ostia door het riool. In de twee andere steden liep dit, doordat zij op een helling lagen,gedeeltelijk via de straten de stad uit.

Inmiddels is Jansen bezig met een vervolgonderzoek: de watervoorziening in Efeze, een Griekse stad aan de westkust van Turkije. Daar zouden wat betreft de waterhuishouding wel eens interessante verschillen met Romeinse steden aan het licht kunnen komen.