Rechtsbescherming

Op 4 mei waait de stilte van dood en onschuld. Een krans voor een onbekende soldaat, voor een ongekende rij namen. Het collectieve geheugen herdenkt de geestelijke en lichamelijke verlatenheid waarin de slachtoffers van de nazi's moeten hebben verkeerd.

De totalitaire regimes in Europa hadden zich gekeerd tegen de Verlichting, die aan het recht van de moderne tijd structuren en idealen heeft gegeven die in vrijheid en gelijkheid moesten resulteren. Niet de rechten en privileges van goddelijken of hun dienaren, maar de rechten van de mens werden het centrum van recht en politiek. De fascistische en communistische regimes beschouwden daarentegen de rechten en privileges van de ideologie als het centrum van recht en politiek. Het eerste juridische slachtoffer van dit moderne kwaad was en is, in al die landen, het wetboek van strafvordering. De vrijheid en gerechtigheid van de l'esprit européen werden door de totalitaire bewegingen geëlimineerd.

Het uitbannen van overheidswillekeur, het bevorderen van rechtszekerheid en de bescherming van de rechten van de mens geven in de moderne tijd gestalte aan de vrijheidsidee van de Verlichting. Concreet hebben deze waarden bijvoorbeeld vorm gekregen in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering. De strafvorderlijke procedure is weliswaar een legitieme inbreuk op de grondrechten, maar deze inbreuk moet zijn afgegrensd door de rechten van de mens. De technisch-juridische uitwerking van deze afgrenzing noemt men `rechtsbescherming'. De legitimiteit van het strafrecht ligt besloten in de mate waarin de rechtsbescherming verwerkelijkt wordt. Het Wetboek van Strafvordering kan óók slachtoffer worden van een wespennest van technisch verouderde vormen die de effectuering van de rechtsbescherming in de weg kunnen staan.

Die situatie dreigt met ons WvS. Dit wetboek is ingevoerd in 1926, ver voor de fax, e-mail, internet of het DNA-onderzoek. In het project Strafvordering 2001, uitgevoerd met subsidie van het ministerie van Justitie, is de afgelopen jaren onderzocht op welke wijze de rechtsbescherming in het strafprocesrecht op moderne leest kan worden geschoeid. Het onderzoek is verricht door de strafsecties van de universiteiten van Tilburg en Groningen, onder leiding van de professoren M. S. Groenhuijsen en G. Knigge. Er zijn drie congressen gehouden en drie lijvige rapporten geschreven. Het vierde en laatste congres wordt op 15 mei in Tilburg gehouden. Het is opmerkelijk dat de media, toch altijd geïnteresseerd in de strafrechtspleging, er (nog) geen aandacht aan hebben besteed.

De uitgangspunten van het huidige Wetboek van Strafvordering weerspiegelen de maatschappelijke en politieke situatie van begin van vorige eeuw. Hierover schrijven Groenhuijsen en Knigge: ,,De discrepantie tussen die uitgangspunten en gewijzigde maatschappelijke werkelijkheid is de afgelopen twintig jaar in hoog tempo groter en voelbaar geworden. Er bleken zich steeds meer `knelpunten' voor te doen, die aanleiding gaven tot partiële herzieningen en corrigerende jurisprudentie, die echter vaak op gespannen voet stonden met het oorspronkelijke wettelijke systeem.''

Zelfs zijn, naar mijn mening, de kernwaarden van het procesrecht enigszins veranderd. Bedacht moet worden dat de doorwerking van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM, 1950) een revolutie ten aanzien van die kernwaarden heeft veroorzaakt. Er kwamen hierdoor veel aanvullingen en wijzigingen in de geldende regels. De kernwaarden van rechtsbescherming, namelijk de mensenrechten, zijn niet tijdelijk, maar de concretisering ervan is wel tijdgebonden. Het recht is daardoor een dynamische activiteit. Het reageert ook op veranderingen in de criminaliteit. Daarom stellen Groenhuijsen en Knigge terecht dat, in tegenstelling tot 1926, de criminaliteit allang niet meer beschouwd kan worden als ,,een betrekkelijk incidentele verstoring van de rechtsorde''.

Die toegenomen criminaliteit werpt ook het probleem op van de kosten van het recht. Voor traditionele strafrechtjuristen lijken de woorden economie en efficiency op vloeken in de kerk. Terwijl iedereen weet dat een rechtszitting een kostbare aangelegenheid is, zijn er genoeg voorbeelden te vinden van zittingen waarbij de verdachte en zijn raadsman niet verschijnen. Een ander pregnant voorbeeld is het hoger beroep, wanneer volgens de wet de zaak helemaal opnieuw moet worden behandeld. Waarom is dat nodig, als geen nieuwe feiten naar voren zijn gebracht? Vaak gaat het in zo'n situatie om de straftoemeting (denk aan Volkert van der G); dan zou logischerwijs alleen weer dit aspect onderzocht moeten worden.

De strafvordering mag niet opgevat worden als een abstract proces waarin sommige advocaten (economisch gezien de directe belanghebbenden) in plaats van waarheidsvinding naar waarheidsverduistering zoeken. De economie van een democratische rechtsorde prevaleert boven de particuliere economie van een advocaat. Immers, het doel van een strafproces moet nog steeds zijn zoals dat in de memorie van toelichting in 1926 werd geformuleerd: ,,Een goed ingericht strafproces moet zooveel mogelijk bevorderen de toepassing van de strafwet op den werkelijk schuldige en tevens de veroordeling, kan het zijn, de vervolging van den niet-schuldige naar vermogen verhinderen.'' Hier verschijnen de idealen van vrijheid en gerechtigheid.

De onderzoekers van het project `Strafvordering 2001' stellen op een zorgvuldige wijze de kernthema's aan de orde, zoals de positie van het slachtoffer, de getuige, het gerechtelijk vooronderzoek of het politieverhoor. Bij deze onderwerpen dient steeds de vraag naar het daadwerkelijke belang van de verdachte én de waarheidsvinding de rode draad te zijn bij het bepalen van inhoud en de manier waarop de rechtsbescherming in concreto gestalte krijgt.

Door dit rapport ontstond een debat binnen de strafrechtwetenschap omtrent de toekomst van het strafprocesrecht. Zo voerde professor Ties Prakken (Maastricht) indringende polemieken met de onderzoekers. Dit debat mag niet beperkt blijven tot de wereld van de wetenschap. Strafrechtelijke aangelegenheden raken alle burgers en daarom moeten zij bij het debat worden betrokken. Niet alleen wijze, zeer geleerde mensen moeten bepalen wat goed is voor de burgers. De burgers zelf moeten aangeven wat zij het verstandigste vinden. Dit leert ons de Verlichting.