OZONGAT KRIMPT DOOR RECORD-OPWARMING OP ZUIDELIJK HALFROND

De winter (onze zomer!) van 2002 op het zuidelijk halfrond was warm, met een septembermaand die (vooral na de 20ste van die maand) nooit eerder zo warm was geweest. Het gevolg was een abnormale afname van het ozongat boven de zuidpool. Een Amerikaans onderzoeksteam (Karl Hoppel, Richard Bevilacqua, Douglas Allen en Gerald Nedoluha van het Naval Research Lab in Washington; Cora Randall van de Universiteit van Colorado in Boulder) zal hierover binnenkort berichten in Geophysical Research Letters (nr. 30-7). Ze kwamen tot hun bevindingen op basis van metingen met het Polar Ozone and Aerosal Measurement III instrument. De metingen wezen uit dat er in de stratosfeer een exceptioneel sterke menging met van elders aangevoerde lucht plaatsvond. Omdat die lucht een relatief grote hoeveelheid ozon bevatte, leidde dat tot een opmerkelijke toename van het ozongehalte in zowel het lagere als het middelste deel van de stratosfeer, juist op het tijdstip van het jaar waarop het ozongat maximaal pleegt te zijn.

In tegenstelling tot de stratosfeer boven de noordpool komen in de stratosfeer boven de zuidpool gewoonlijk weinig golfachtige luchtbewegingen voor. Daardoor blijft er altijd een sterke, koude vortex nabij de zuidpool in de atmosfeer bestaan. De in die luchtkolom aanwezige lucht wordt slechts minimaal gemengd met lucht uit de omgeving, en omzetting van ozon leidt dan ook direct tot een lager ozongehalte ter plaatse (het ozongat). Bij de noordpool zijn er veel meer luchtbewegingen, ontbreekt zo'n stabiele vortex, en treedt dus minder menging van lucht op. Dat verklaart waarom boven de noordpool geen ozongat optreedt.

In september 2002 vond de aanvoer van ozon tot boven Antarctica plaats met lucht die van buiten de polaire vortex werd aangevoerd naar het gebied waar de metingen werden verricht. In dat gebied werd op de hoogte waar normaliter ozon verloren gaat vanwege reacties waarbij chloor als katalysator optreedt (dat wil zeggen de hoogte waar de potentiële temperatuur lager is dan 330 °C), gemeten dat het ozongehalte met dezelfde snelheid afnam als in eerdere jaren, tot de tijd waarop een sterke opwarming plaatsvond. Vanaf dat moment vonden nauwelijks nettoverliezen van ozon meer plaats; het gevolg was dat gedurende de winter van 2002 totaal zo'n 20 procent minder ozon verloren ging dan in de voorafgaande winters.

Onduidelijk is nog of hier sprake is van een uitzonderlijke situatie of van een nieuwe ontwikkeling. Dat kan pas dit jaar worden vastgesteld, waarbij de karakteristieken van de polaire vortex doorslaggevend zijn. Het normale patroon van een vortex waarin nauwelijks menging van lucht uit de omgeving plaatsvindt, werd in 2002 doorbroken door de duidelijke opwarming. Daardoor werd de vortex minder sterk en kon menging met ozonhoudende andere lucht optreden. Het ging bij de waargenomen mindere ontwikkeling van het jaarlijkse ozongot boven de zuidpool in 2002 daarom ook niet om minder verlies van ozon dan vroeger, maar om extra aanvoer.