Hoeveel kaas is gorgonzola?

Bij elke trefwoord in het nieuwe Groot woordenboek hedendaags Nederlands van Van Dale treft de gebruiker een of meer woorden aan met een verwante betekenis. Maar omdat de grenzen van de precieze woordbetekenis vloeiend zijn, dienen zich juist bij gewone, veel voorkomende woorden grote problemen aan.

Hoe heet die Italiaanse kaas met die blauwe schimmel ook alweer? Wie niet op het woord kan komen, kan ernaar op zoek gaan in de nieuwste editie van het Groot woordenboek hedendaags Nederlands van Van Dale. Daarin zijn nu bij ieder trefwoord allerlei `betekenisverwante' woorden opgenomen, met name woorden met een ruimere betekenis (hyperoniemen) en woorden met een engere betekenis (hyponiemen). Via deze hypero- en hyponiemen kan de gebruiker van het woordenboek op zoek gaan naar het juiste woord.

De zoektocht naar de Italiaanse kaas begint bijvoorbeeld bij kaas. Bij kaas staat een rijtje hyponiemen, waaronder schimmelkaas. Bij schimmelkaas wordt de gebruiker doorgestuurd naar blauwschimmelkaas. En daar staan drie hyponiemen vermeld: stilton, roquefort en... gorgonzola. De zoektocht zou ook kunnen beginnen bij roquefort, als dat een woord is dat de gebruiker wèl kan ophoesten. Van roquefort wordt hij dan doorgestuurd naar het hyperoniem blauwschimmelkaas en vandaar naar het hyponiem gorgonzola.

Naast hypero- en hyponiemen, zijn in dit woordenboek ook alle synoniemen en antoniemen (tegengestelde betekenis) opgenomen. Het woordenboek is hiermee als het ware een supermarkt geworden, waar alle woorden netjes geordend in de schappen liggen. De gorgonzola kan nooit ver van de andere kazen liggen. Wie een kaas ontwaart, kan vandaaruit op zoek gaan naar de gorgonzola. Uiteindelijk verwijzen alle woorden naar elkaar, in een alomvattend netwerk van syno-, anto-, hypero- en hyponiemen.

Was het maar zo eenvoudig. Juist bij de allergewoonste woorden zijn die betekenisrelaties lang niet zo ondubbelzinnig als men misschien zou denken. Wat is bijvoorbeeld de relatie tussen God en Allah? Zijn het synoniemen? Nee, zal de christen zeggen. Jazeker, zegt de moslim: Nederlands-sprekende moslims noemen hun Opperwezen bijna altijd `God'. Maar in Van Dale zijn God en Allah twee verschillende hyponiemen van Opperwezen. Het islamitische gebruik van God (synoniem met Allah) is dus (nog) niet in dit woordenboek terug te vinden.

En wat is de betekenisrelatie tussen neuken en vrijen? Vrijen heeft een ruimere betekenis, zou je zeggen, neuken zal dus wel een hyponiem van vrijen zijn. Mis! Van Dale geeft ze alleen als synoniemen. In de praktijk wordt vrijen natuurlijk in twee betekenissen gebruikt: de ene is synoniem met neuken, de andere is een hyperoniem van neuken. Dat onderscheid geeft Van Dale ook heel netjes in de betekenisomschrijving van het trefwoord vrijen (liefkozen; neuken), maar in het netwerk van betekenisrelaties is dit onderscheid niet terug te vinden.

Wie verwacht dat onder vrijen (in de betekenis van liefkozen) een fiks aantal hyponiemen vermeld staat vingeren, pijpen, etc. komt bedrogen uit: er staat geen enkel hyponiem. Vingeren is in dit woordenboek een hyponiem van bevredigen. Een niet erg bevredigende keuze: want vingeren leidt niet altijd tot bevrediging. Vingeren zou een hyponiem van vrijen kunnen zijn, maar het probleem daarbij is dat je ook in je eentje kunt vingeren. Het is dus niet zo gemakkelijk om bij vingeren een passend hyperoniem te vinden.

meisje en mokkel

Meisje en mokkel: synoniemen? Van Dale vindt van wel. Er is, aldus het woordenboek, alleen een verschil in taalregister, niet in betekenis. Mokkel zou een informele aanduiding voor meisje zijn. Maar is daarmee alles gezegd? Is mokkel een meisje `dat op een bepaalde manier bekeken wordt' of is het (soms) ook `een bepaald soort' meisje? Of iets daartussenin? In dat geval heeft het toch iets van een hyponiem.

``Randgevallen heb je altijd'', zegt Rik Schutz, uitgever van Van Dale. ``Woorden als God en vrijen hebben meer betekenissen. Juist bij heel gewone, hoogfrekwente woorden doen zich altijd allerlei problemen voor. Neem een willekeurig alledaags woord en kijk dan eens in de verschillende woordenboeken hoeveel betekenissen zij onderscheiden. Je zult zien dat ze het allemaal anders doen. Met andere woorden, het is vaak heel arbitrair of idiosyncratisch waar de grenzen tussen die betekenissen precies gelegd worden. In de algemene omgangstaal kunnen die grenzen behoorlijk vaag zijn. Het is heel erg lastig om die ingewikkelde, vage semantische relaties te expliciteren in ja-en-nee-verbindingen. Want dat is de manier waarop wij het in ons systeem hebben gecodeerd: is die relatie er wel of niet? Is er sprake van synonymie, hyperonymie? Ja of nee. Er is in geen enkele nuance mogelijk. Op die manier hebben al deze woorden een plek gekregen in ons semantisch-hiërarchisch systeem.''

Jaap Parqui, eindredacteur van het woordenboek, voegt hieraan toe: ``Het is natuurlijk ook belangrijk dat je veel vage woorden hebt in een taal. Zodat je ze overal kunt toepassen.'' Schutz: ``Natuurlijk. Ik zou ze niet willen missen.''

Alle hypo- en hyperoniemen vormen met elkaar in theorie een reusachtig boomdiagram. Een boom die in de regel op zijn kop wordt getekend: het meest abstracte woord staat helemaal boven, de boom vertakt zich in neerwaartse richting, steeds verder, in steeds specifiekere woorden. Die boom is geen moderne vinding. De Griekse filosoof Porphyrios schreef er al over, al had hij het niet over woorden, maar over begrippen. In de moderne wetenschap komen we de boom tegen in allerlei taxonomieën, zoals de manier waarop volgens de biologen de dieren- of plantenwereld in elkaar zit, maar ook in bijvoorbeeld de medische of juridische terminologie, die zo helder en systematisch gedefinieerd is, dat ze goed kan worden weergegeven in de vorm van een zich steeds verder uitsplitsende boom.

merrie

Voor de gewone omgangstaal is dat, zoals gezegd, veel lastiger. Niet alleen omdat de betekenissen daar helemaal niet zo scherp zijn gedefinieerd, maar ook omdat veel woorden onder verschillende hyperoniemen kunnen worden ondergebracht. Is een merrie een hyponiem van vrouwtje of van paard? Van Dale kiest voor vrouwtje. Is gorgozola een schimmelkaas of een schapenkaas? Van Dale kiest voor schimmelkaas.

Schutz: ``Ach ja, zo zijn er heel veel voorbeelden. Is pindakaas smeersel of is het broodbeleg? We hebben bij het opzetten van dit systeem bewust gekozen voor de restrictie dat ieder woord maar één hyperoniem krijgt. Met het argument: we overzien niet wat anders de consequenties zijn voor de complexiteit van het netwerk. Nu het resultaat er ligt, moeten we wellicht vaststellen dat het beter is om die restrictie op te heffen en een andere werkwijze toe te passen.''

Er is nog een ander probleem met dit boomdiagram: als je naar boven klimt, van hyperoniem naar hyperoniem, al doorbladerend (of klikkend, want het woordenboek is ook leverbaar als cd-rom), dan kom je vaak heel raar uit. Bij veel stapjes naar boven treedt namelijk een betekenisverschuiving op. Seks heeft als hyperoniem: handeling. Maar de definitie van seks geeft al aan dat de betekenis veel breder is: `handelingen en gevoelens die te maken hebben met lichamelijk opwinding en vrijen'. Zodra je doorschakelt naar het hyperoniem handeling, ben je de gevoelens kwijt, en daarmee de helft van de betekenis.

Bij bewolking leidt de weg omhoog via bedekking naar voorwerp. Maar je kunt toch onmogelijk beweren dat bewolking een voorwerp is? Schutz: ``Dat is inderdaad een stap te ver, wat mij betreft. De instructie aan de redacteuren was om alle woorden een plaats te geven in het semantisch-hiërarchisch systeem. Ik denk dat dat in sommige gevallen heeft geleid tot geforceerde keuzes. We hebben nu besloten om in de toekomst, als dit systeem verder vefijnd wordt, ook anderssoortige semantische relaties toe te staan. Zoals meroniem-relaties: deel van. Een woord als dooier kun je eigenlijk alleen maar op die manier beschrijver: dooier is een meroniem van ei. In deze editie van het woordenboek is nog gekozen voor dooier als hyponiem van deel. Dat is een vreemd resultaat, waar je als gebruiker ook niet zoveel aan hebt. Nu het werk gedaan is, hebben we tijd voor kritische reflectie en kunnen erover na gaan denken wat we in de toekomst willen verbeteren en veranderen.''

Maar waarom is het nodig om alle woorden een plek te geven in het semantisch-hiërarchisch systeem? Schutz: ``Allereerst: er bestaan geen woorden die geen verband hebben met andere woorden. In de tweede plaats: als je de redacteuren per verwerkt woord betaalt, dan moet je ze geen vrijbrief geven om zich er al te gemakkelijk van af te maken. En in de derde plaats: omdat we denken dat de gebruiker van het woordenboek er iets aan heeft.''

Toch zijn er genoeg zelfstandig naamwoorden die in het lexicale universum van Van Dale eenzaam en alleen rondzweven, zonder enig betekenisverwant woord. Zoals: volksoploop, entropie, rembours. En de naamwoorden dinges en huppeldepup moeten het alleen met elkaars gezelschap stellen: zij zijn synoniemen van elkaar, maar kunnen verder met geen enkel ander woord in verband worden gebracht.

In het (denkbeeldige) boomdiagram vallen de meeste gaten vooral boven in, bij woorden die zo'n abstracte betekenis hebben dat verder abstraheren alleen maar tot heel geforceerde, bedachte resultaten zou leiden. ``Op een gegeven moment houdt het gewoon op'', zegt eindredacteur Jaap Parqui. Bij woorden als zaak, handeling, product, steen, gewaarwording, wil en geheel, valt met goed fatsoen geen hyperoniem te bedenken. Hetzelfde geldt voor werkwoorden als weergeven, geven en gebruiken. En voor adjectieven als blij, interessant, aangenaam en verdrietig.

ervaringsfeit

Deze `abstractste' adjectieven zijn trouwens een stuk concreter dan de `abstractste' zelfstandig naamwoorden en werkwoorden. Wat sowieso opvalt, is dat dit systeem voor de verschillende woordsoorten heel anders uitpakt. Parqui: ``Voor de zelfstandig naamwoorden werkt het heel goed. Voor de werkwoorden redelijk goed. De bijvoeglijk naamwoorden zijn het moeilijkst. Hoe dat komt, zou ik niet kunnen zeggen. Het is in elk geval een ervaringsfeit.''

Schutz: ``Je kunt in ieder geval vaststellen dat er veel meer zelfstandig naamwoorden zijn. En dat de woorden die erbij komen, meestal zelfstandig naamwoorden zijn. Nieuwe woorden zijn bijna altijd specificaties en komen in de boom dus onderaan te hangen. Het zijn ook vaak samengestelde woorden, dus ze verwijzen zelf al naar een ander, algemener woord.'' Dit geldt inderdaad voor veel woorden die aan deze nieuwe editie van Van Dale werden toegevoegd: smartshop, afterparty, rugzaktoerist, kliklijn. Schutz: ``Maar waarom het bij werkwoorden minder goed werkt en bij adjectieven nog minder goed, daar hebben wij hier geen theorie over. Dan kom je op het terrein van de taalwetenschap en daar houden wij ons hier niet mee bezig.''

Even later nuanceert Schutz zijn opmerking. Natuurlijk heeft men, toen het semantisch-hiërarchisch systeem werd opgezet, wel gekeken wat voor theorieën er zoal waren en wat je daar als lexicograaf eventueel aan zou kunnen hebben. ``Maar wij maken lexicografische producten. Dus ieder systeem dat we opbouwen, is primair bedoeld om nieuwe producten uit af te leiden. Met dit systeem kunnen we nu onze vreemde woordenboeken verder verbeteren en verfijnen. Met name voor het vinden van precieze vertalingen is het heel handig als je via een wat algemener begrip de daarmee samenhangende begrippen kunt vinden. Verder moet je het zien als werk in uitvoering. Het gaat altijd door, het kan altijd beter.''