Het braafste jongetje van de Europese klas

In Engeland dragen scholieren nog uniformen, in Frankrijk is de leraar de koning van de klas. Duitse leerlingen houden zich aan de schoolgrondwet.

In Nederland zijn de hiërarchische verhoudingen zoek.

Hieke Jippes bezocht vier scholen in Europa. Ze maakte de lessen mee en ze sprak met leerlingen en leraren.

Waar ben je beter af?

Het is een duivels dilemma: de keuze tussen vrijheid of discipline, kennis of vaardigheden, netheid of creativiteit.

Over Nederlandse scholen hoor je niet veel goeds. Gedemotiveerde leraren, balende leerlingen, zwarte scholen, metaaldetectoren bij de ingang en een gestaag dalend onderwijsniveau. Alarmerende geluiden, want naast veiligheid en een goede gezondheidszorg is onderwijs zo ongeveer het belangrijkste dat een staat zijn opgroeiende burgers kan bieden.

Maar is het werkelijk zo erg? Hoe is het in andere landen met het onderwijs gesteld?

Als je de Nederlandse cijfers vergelijkt met die van andere landen, wordt het beeld veel minder zwartgallig. De statistieken van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso) laten zien dat het onderwijsniveau in Nederland relatief hoog ligt en dat de leraren een goed salaris verdienen. Maar er is natuurlijk meer dat voor de kwaliteit van het onderwijs telt: hoe gaan de leraren met de leerlingen om? Hoe streng zijn de schoolregels? Hoe is de sfeer? Hoe brengen onze kinderen hun leven in de klas door?

We zijn daarom, net als een jaar geleden, in vier landen de werkvloer opgegaan. Vorig jaar hebben we naar aanleiding van de discussie over de wachtlijsten de gezondheidszorg onder de loep genomen (zie De zieke heup van Europa in m van mei 2002). Dit jaar verdiepen we ons in het voortgezet onderwijs.

We zochten in Nederland, Duitsland, Engeland en Frankrijk naar een representatieve schoolklas van het type havo met leerlingen van rond de 15 jaar. Een school van ongeveer het nationaal gemiddelde, zonder bijvoorbeeld de typische problemen van de grote stad.

Via een netwerk van inspecteurs en informele contacten in het buitenland vonden we uiteindelijk vier scholen die bereid waren een vreemdeling enkele dagen lang te laten meekijken. Dat leidde onvermijdelijk tot een positieve selectie, want deze scholen zijn stuk voor stuk zelfverzekerd genoeg om overeind te blijven in het aangezicht van kritische buitenstaanders.

Op die vier scholen zagen we een week lang leraren en leerlingen in de weer en we combineerden dat met achtergrondgesprekken en andere informatie.

Cultuurschok

Voor de gymnasiumleerlinge die ik lang geleden was, was de eerste confrontatie met de braafste en ijverigste 4-havo-klas op het Zaanlands Lyceum in Zaandam een cultuurschok. De herrie, het gebrek aan discipline, de kleding, het openbare vrijen van jongens en meisjes, het 'kut-en-kanker'-taalgebruik van leerlingen die behoren tot de bovenste 30 procent van het voortgezet onderwijs. En dat alles bij een school die een uitmuntende reputatie heeft, zodat de vraag rijst hoe de cultuur bij minder goed aangeschreven scholen in de regio dan wel is.

Er is ook een andere kant. Na het bezoek aan Frankrijk en Duitsland voelt het als een verademing om de Zaanse leerlingen zo vrij en ontspannen met elkaar te zien omgaan en om hen zo openlijk te horen zeggen wat hun aan het hart gaat, al is het dan niet altijd even verfijnd geformuleerd. En al kun je kritiek hebben op een bepaald type Nederlandse leraar, het was in Zaandam dat leerkrachten tijdens het laatste uur van de dag taartjes meebrachten voor bij de thee. Of probeerden een eigen draai te geven aan het menu van 'maatschappelijk relevante' teksten en voorbeelden, dat leerlingen trakteert op een wereld van Amnesty, huiselijk geweld en milieuvervuiling.

Belangrijk natuurlijk, maar kunnen vakken als maatschappijleer en culturele en kunstzinnige vorming de huidige trend naar steeds minder geschiedenis in het lespakket compenseren? Het is een internationaal fenomeen: ook in de andere landen doen maatschappelijke problemen hun intree in het lesprogramma. Frankrijk heeft al 'burgerschapskunde' in het verplichte pakket en de Engelse school krijgt dat vak volgend jaar.

In elk land betogen de leerkrachten dat de scholen op die manier opgezadeld worden met de tekorten in de samenleving zelf, zoals het gebrek aan politieke interesse en het gebrek aan behoorlijke manieren en aandacht voor anderen. Scholen, zeggen zij, zijn niet meer dan een reflectie van de maatschappij. Een krachtige schoolleiding en een enthousiast lerarenkorps kunnen hun best doen, maar niet het onmogelijke tot stand brengen.

Die weerspiegeling van de maatschappij bleek uit kleine dingen: ontbrekende kluisjes in de Franse school (schooltassen liggen in rekken in de gang, want hier wordt niet gestolen), het hameren op schoonhouden in de Duitse school (zelfs de openbare afvalbakken op straat zijn in Düsseldorf qua afvalsoort gescheiden) en de waarschuwing van de Engelse schooldirectie dat wij nóóit in de leerlingentoiletten en nóóit in de buurt van de kleedkamers mochten komen (de pedofielenhysterie).

Prestaties

Wat betreft de schoolprestaties van de leerlingen: Nederland heeft voor het pisa-rapport van 2000 (Program for International Student Assessment, waarmee de oeso in 30 landen de vaardigheden van leerlingen toetst) niet genoeg gegevens ingeleverd, maar het cito in Arnhem zegt dat Nederlandse leerlingen in het internationale top-echelon horen. Het Nederlandse onderwijs blinkt volgens de projectleider van pisa bij het cito uit door het feit dat de economisch-maatschappelijke doelstelling een zo goed mogelijk opgeleide beroepsbevolking wordt gehaald. Dat doet het door zoveel mogelijk leerlingen zo lang en gericht mogelijk aan het leren te houden. Dat betekent veel meer aandacht voor zwakkere leerlingen en het verklaart de nadruk op praktijkgerichtheid bij het stellen van theoretische opgaven. (Niet: 'Een driehoek heeft een zijde van', maar 'je moet een badkamer tegelen en de ene muur is...'). Het is een systeem dat is afgestemd op de meerderheid, waarin slimmere leerlingen dat wordt toegegeven 'zich soms vervelen'.

Selectie van leerlingen naar aanleg en interesse, maar daarmee vaak ook naar sociale status, is een onderwerp dat in heel Europa eindeloos wordt bediscussieerd. Het concept van de comprehensive, het collège, de middenschool en de Gesamtschule heeft als gemeenschappelijke ratio dat alle leerlingen, ongeacht hun afkomst en aanleg, tot ongeveer hun 14de of 15de gelijke kansen moeten krijgen. Dan pas hoeven ze te ontdekken of ze timmerman dan wel advocaat willen worden. Het is een ideologie die in bijvoorbeeld Engeland zo'n dogma is geworden, dat sinds de jaren '70 hele generaties leerlingen van staatsscholen daarvan het slachtoffer zijn geworden. Tegenwoordig selecteert het systeem in feite toch: geen leerling blijft zitten, maar binnen het klassejaar vormen zich groepjes die worden onderwezen op hun eigen niveau en die toewerken naar een eindexamen dat in naam hetzelfde is, maar waarbinnen toch verschillende niveau's zijn aangebracht.

In het vroeg-selecterende Duitse systeem blijft de Gesamtschule een uitzondering. In Frankrijk zitten leerlingen tot vijftien jaar gevangen in rigoureus collège-onderwijs. In Nederland is het idee van de middenschool inmiddels weer verlaten: ouders willen selectie en in de praktijk selecteert het secundair onderwijs ook steeds meer en steeds vroeger. Het idee dat een systeem van 'de sterken helpen de zwakken' binnen één klas voor beide partijen de beste resultaten oplevert, ondervindt steun tot het op het eigen kind aankomt.

Kan een school verschil maken? Ja, maar hoevéél is afhankelijk van de sociale omgeving. Een schoolkind is ook een product van zijn huiselijke omstandigheden. Die achtergrond thuis speelt, net als de inzet van de leraren en de presentatie van de leerstof, een grote rol bij de vraag of een kind wel maximaal profiteert van de school. De enthousiasmerende leraar, de begaafde didacticus, een mate van orde en regelmaat, een besef van omgangsvormen, de extra's aan sport, aan muziek, aan theater, aan uitstapjes het kan allemaal worden aangereikt. Maar of het ook in goede orde wordt ontvangen, dat hangt niet alleen van de school af, maar van ons allemaal.

Engeland

Schooluniformen kunnen de Engelse klasseverschillen niet verhullen

Het is dag 2 van de geallieerde aanval op Irak. Sinds gisteren is Groot-Brittannië een land in oorlog. Op Oxted County School, een comprehensive (middenschool) voor meer dan 2.000 leerlingen in een dorp even ten zuiden van Londen, is op het eerste oog niets te merken van de oorlog. De gebruikelijke hordes leerlingen, herkenbaar aan het voorgeschreven schooluniform met stropdas en schoolwapen op de borstzak, persten zich vanmorgen uit bus, trein en auto door de hekken naar binnen. Ze hebben zich verspreid over het allegaartje van barakken, oude en nieuwe gebouwen achter de imposante Victoriaanse voorgevel van de school. In de groene lanen rond het complex staan narcissen en magnolia's in bloei, het lijkt een en al landelijke lieflijkheid. Maar bij de Safeway-supermarkt om de hoek hamsteren volwassenen op last van de overheid flessen water, vlees in blik en batterijen uit angst voor een terroristische aanval.

Bij de gemeenschappelijke dagopening onderricht de deputy-headmaster zijn leerlingen intussen in de kunst van de nobele mislukking: 'Iedereen kan zijn best doen en dát is wat we hier belonen bijna zonder te kijken naar wat je daadwerkelijk hebt bereikt. Zelfs als je mislukt in je keuze, dan kunnen we in elk geval zeggen: hij heeft zijn best gedaan!' Geen woord over de oorlog, afgezien van een subtiele verwijzing naar 'deze prachtige dag in deze sombere tijd'.

Maar in klas 11, op twee Pakistaans ogende leerlingen na geheel bevolkt met inheemse vijftienjarigen, ontspint zich achter de rug van de lerares science (een mengeling van scheikunde en biologie) een discussie. Zullen de leerlingen in de lunchpauze op straat gaan demonstreren tegen de oorlog of niet? Voor het front van de klas ontvlamt in een reageerbuis een jelly baby (een gombal) tijdens de les over verbranding van suikers in het menselijk lichaam, maar om ons heen klinkt gemompel met argumenten voor en tegen een demonstratie.

'Als we het doen, komt onze foto misschien wel in de Surrey Mirror.'

'Als ze over jihad praten daar, komt dat alleen maar omdat de mensen daar alles geloven wat ze wordt verteld. Die zijn nauwelijks naar school geweest!'

Geen politiek

Later zal blijken dat er van de beraamde demonstratie niets terecht is gekomen. Te veel leraren hebben gewaarschuwd dat staken gelijkstaat aan spijbelen en verwijdering van school tot gevolg kan hebben. Politiek ageren is hier niet toegestaan. Niets mag afdoen aan de goede naam van Oxted County School.

In geen land is het bewaken van de reputatie voor een school zo precair als in Engeland en Wales. Twee scholen elders in Engeland hebben de afspraken voor deze serie afgezegd, 'vanwege onze plaats in de league-tables'. Dat zijn de jaarlijks gepubliceerde lijsten, waarin de kwaliteit van scholen wordt vergeleken.

Wie laag eindigt, kan zijn deuren wel sluiten: school en leerkrachten krijgen geen bonussen en ouders sturen hun kinderen liever ergens anders heen. De school die hoog eindigt in de competitie zit op rozen. Hoe zwaar zo'n status weegt, mag blijken uit het feit dat hier vorige maand een hoofd van een school voor negen maanden de gevangenis indraaide, om-dat hij betrapt werd op het verbeteren van het examenwerk van zijn leerlingen, om te voorkomen dat zijn school zou dalen op de ranglijst.

De league-tables zijn een erfenis van een minister van Onderwijs uit de laatste Conservatieve regering, maar Labour vanaf 1997 aan de macht heeft ze in stand gehouden om, zo heet het, de ouders een beter inzicht te geven in de prestaties van een school. Om die te meten, krijgen leerlingen door hun hele schoolperiode heen een reeks examens, die zijn weerga niet kent. Leraren klagen dat ze alleen nog maar naar deze tests kunnen toewerken. Leerlingen voelen zich overbelast.

Die vermeende consumentvriendelijkheid van de league-tables is voor veel afnemers van het Britse onderwijssysteem niet meer dan schijn. Nog steeds geeft 55 procent van de ouders die hun kind naar een openbare school (state school) sturen, de voorkeur aan een particuliere school (public school of independent school). Het enige wat hen daarvan weerhoudt zijn de enorme schoolgelden.

Neem Sevenoaks School, een van de vele particuliere scholen in de omgeving van Oxted. De school heeft een topreputatie, maar vraagt 10.662 pond per kind per jaar. Ouders met geld kopen daarvoor niet alleen het privilege van kleinere klassen, individuele aandacht en riante voorzieningen, maar ook een reputatie voor hun kind. Want de naam van je school en je universiteit ('Eton en Oxford' of 'Sevenoaks School en Bristol University') draagt iemand hier zijn hele verdere leven met zich mee. Het is de sleutel tot de beste banen en de hoogste kringen.

Dat is het oneerlijke aan het Engelse onderwijssysteem: als je geen goede opleiding voor je kind kunt kopen, ben je overgeleverd aan de staatsscholen in de buurt waar je woont. Het is hier niet ongebruikelijk dat middenklasseouders, die geen independent school kunnen betalen, een hypotheek op hun huis nemen om hun kinderen toch naar een privéschool te kunnen sturen, of verhuizen naar een gebied waar de staatsschool goed staat aangeschreven. De binnensteden en andere verwaarloosde armoedegebieden blijven achter met het droesem, door de woordvoerder van premier Blair zelf de 'plee-scholen' genoemd.

Sinds Labour aan de macht is, is er voor het eerst in jaren weer heel veel geld voor onderwijs beschikbaar. Dat heeft in de eerste regeringsperiode van Labour (1997-2001) geleid tot verbetering van schoolgebouwen, die letterlijk op instorten stonden. Ook is er veel gedaan aan een beter leerprogramma voor de lagere school (6 tot 11 jaar). Voorheen leverde die kinderen af die veelal niet behoorlijk konden lezen en schrijven. Daar legt men zich niet langer bij neer. En nu, in Labours tweede regeerperiode, komt de verbetering van de secondary school aan de beurt.

Het recht van de sterkste

Het is donderdagmorgen, Engelse les. Dit is een kernvak, met science en maths een absoluut verplicht vak voor het eindexamen waarmee alle Engelse schoolkinderen op hun zestiende jaar de leerplichtige periode afsluiten. Maar klas 11 is niet de homogene eenheid die je zou verwachten in een stelsel dat elk kind dezelfde kansen zegt te geven. De slimme leerlingen van klas 11 behandelen Shakespeare en de metafysische poëzie van John Donne.

In lower grade English discussiëren hun minder begaafde leeftijdsgenoten op eigen niveau over Blood Brothers van Willy Russell. Deze voormalige kapper uit de Midlands schreef het script voor een musical, die nu al jaren draait in Londens West End. De lerares is er met haar lower grade-leerlingen naartoe geweest. Met veel inzet lezen de kinderen een stukje rol uit dit volkse verhaal over twee broers die vanaf de geboorte gescheiden worden. De een wordt rijk en chic, de ander blijft arm en ordinair.

Behandelde passage: het jongetje dat is geadopteerd door rijke, maar waardeloze ouders, komt op straat zijn door de wol geverfde straatjongen-broertje met de warmhartige moeder tegen. Zonder te beseffen dat ze broertjes zijn, sluiten de twee een bloedbroedersverbond.

Het thema van de les is klasseverschil en sociale status en de gestelde vraag is waar je dat kunt zien in de tekst.

Lee (15) zit er helemaal in. 'Die Mrs. Lyons', zegt hij over de rijke, maar egocentrische adoptiemoeder van Eddy, 'die houdt helemaal niet echt van hem. Wedden dat hij een kindermeisje heeft gehad? En die vader: waarom neemt die niet een hond?' De lerares, jong en enthousiast, schrijft kernbegrippen op het bord: 'geld', 'waar ze wonen', 'macht', 'afkomst', 'taalgebruik hoe ze spreken', 'naar welke scholen ze gaan', 'wat voor baan ze hebben', 'wat hun rol is in de samenleving'. Het is onwillekeurig een lesje Britse samenleving.

Na afloop vertelt de lerares dat deze kinderen vrijwel allemaal uit een taalarm en relatief achtergesteld milieu komen. Uit de league-table-cijfers van de school maken we later op dat 4 procent van de leerlingen zo arm is dat ze gratis schoolmaaltijden krijgen. Deze klas is het erover eens: de meeste mensen in de welvarende buurt van hun school hier spreken posh en dus anders dan zij thuis gewend zijn. Becky voegt er openhartig aan toe: 'Mijn moeder gaat deftig praten als ze aan de telefoon is. Mijn vader nooit.'

De lerares laat ze gaan met een laatste vermaning: 'En wat zou er gebeuren als jullie waren opgegroeid in een aristocratisch gezin? Would you still be you?'

In de lerarenkamer, compleet met bediening achter de dienbladen met broodjes, Kitkats, fruit en chips, komt een van de leerkrachten nog eens terug op het sociale verschil. 'Leerlingen zijn zo behoudend', zegt ze. 'Net als wij allemaal eigenlijk: niemand wil echte vriendschappen maken buiten zijn eigen sociale kring. Het mengt nooit echt helemaal, wat we ook proberen.'

Schooluniformen

Daar tript Eloïse voorbij, lang blond haar, Estée Lauder-smile en een elegant beugeltasje waarin twee schoolboeken zijn gepropt. Ontegenzeggelijk een product van de welvarende middenklasse. Elke keer als we haar tegenkomen, zingt ze ons toe: 'Lovely day, isn't it?' Het verraadt een meesterschap in het maken van sociaal wenselijke geluiden, die hele groepen kinderen hier zich nooit eigen zullen maken. Omdat ze de code niet kennen en hem ook niet oppikken.

Het schooluniform, dat Engelse leerlingen vrijwel algemeen dragen, wordt geacht klasseverschillen te camoufleren, onderlinge solidariteit te bevorderen en te stimuleren dat de kinderen trots zijn op de school. Jongetjes van zes lopen al in blazer met korte broek, jongetjes van elf jaar met een heus pak aan. 'Hemd in je broek!', horen we de leerkrachten tientallen malen per dag zeggen. Maar 'normen en waarden', een onderwerp dat de Britse middenklasse al sinds de negentiende eeuw bezighoudt, staan ook hier onder druk. In Oxted valt het nog mee, 'maar het is een constant gevecht'. In veel achterstandsgebieden, verpauperde woonwijken in de binnensteden, met een ongeletterde bevolking van vaak etnische minderheden is de toestand schrikbarend.

De kranten staan er vol van: de headmaster, die door leerlingen is neergestoken. De leerkrachten die door leerlingen gechanteerd worden, de sluiting van een hele school omdat de populatie onhandelbaar was geworden. Minister na minister laat maatregel na maatregel los op het onderwijs in een poging jarenlang laisser faire goed te maken. Leraren moeten weer bewijzen dat ze goede leraren zijn, leerlingen dat ze willen leren en ouders sluiten een contract met school waarin ze zich verplichten hun kind behoorlijk aangekleed op tijd op school te krijgen. De Local Education Authorities wringen zich in bochten om moeilijke leerlingen bij de verplichte les te houden: McDonalds-vouchers voor op tijd komen, een reisje naar een pretpark als je dagen achtereen aanwezig bent geweest, spijbelpolitie in de winkelcentra, steun voor kinderen die gepest worden, straf voor de pestkoppen, álles lijkt al een keer geprobeerd.

Desondanks moest de Engelse onderwijsinspectie constateren dat vorig jaar 10 percent meer leerlingen wegens onhandelbaar gedrag van school is verwijderd. Dat bracht het totaal op 8.300 leerlingen. Een geloofwaardig onderzoek dit voorjaar onder leerkrachten op ruim 300 lagere, middelbare en bijzondere scholen in noordwest-Engeland lijkt erop te duiden dat leerkrachten jaarlijks meer dan 200.000 maal blootstaan aan lichamelijke bedreiging van leerlingen of ouders, zelfs in peuteren kleuterklassen.

'Het zijn zeker niet per definitie de ouders uit een lagere sociale klasse met wie de school zo'n moeite heeft', zal een staflid later zeggen. 'Ouders die zichzelf heel wat vinden, door wat ze verdienen en door waar ze wonen, kunnen ongelofelijk arrogant opbellen omdat ze bezwaar hebben tegen de sancties die uitgerekend hun kind treffen. Meermalen zijn jongere leerkrachten daarover in tranen. Ik schat dat 95 procent van de ouders ons steunt, maar met 5 procent is niets te beginnen.'

In de informaticales raken we in gesprek met Dan. Hij werkt aan een presentatie over de gevaren van roken, de meesten van zijn klasgenoten hebben gekozen voor de gevaren van toenemend wapengebruik op straat (de jongens) of geweld in het gezin en anorexia (de meisjes).

Dan gaat volgend jaar van school, zegt hij. Hij heeft via de school een beurs gekregen voor de enige beroepsopleiding voor discjockey en muziekmanagement in zuid-Engeland.

'Ik zal mijn mates hier wel missen', zegt hij. 'Sommigen van mijn vrienden willen in het leger volgend jaar. Dat kan ik nou niet begrijpen.' Hij friemelt wat rond met de muis van zijn computer. 'Miss', zegt hij dan tegen me, 'U bent journalist, right? Bent u bang voor een chemische oorlog?'

Frankrijk

De Franse leraar is de koning van de klas en de kinderen zijn keurig

'Wat was dus het belang van de Encyclopédie?'

Monsieur Emmanuelle Bocco, professeur d'histoire et de géografie, stelt een retorische vraag.

Niemand in de klas kijkt op, er wordt furieus geschreven. 'De encyclopedie verspreidde in de achttiende eeuw le savoir et le savoir faire wetenschap en kennis', dicteert de leraar.

Even later, over de Franse revolutie, maant hij de leerlingen: 'Onderstreep! Alle woorden en zinsneden die jullie belangrijk lijken!' Hij geeft het voorbeeld op het bord, met een rood krijtje. 'Elke republiek is een democratie!' De leerlingen grijpen allemaal naar hun liniaal en onderstrepen.

'Wat is een republiek?', vraagt M. Bocco. Onderdrukt gemompel uit de klas. 'Een staatsvorm waarin de macht in handen is van het volk', doceert de leraar. 'Noteer! Als jullie dit niet rigoureus doen, leren jullie dit soort dingen nooit!' De klas, alle hoofden gebogen, schrijft of haar leven er vanaf hangt.

Het Franse onderwijs kun je het beste beschrijven aan de hand van een verhaal over president Charles de Gaulle. Als hij om half twaalf 's ochtends uit het raam van zijn kamer in het Elysée keek, koesterde hij zich in de gedachte dat op dat moment in elke schoolklas van het land precies hetzelfde onderwerp op precies dezelfde manier werd onderwezen. Het nationale lesrooster was voor elke klas hetzelfde, of het nu een primaire in het hart van Marseilles, een collège op het platteland van de Morvan of een lycée in Frans-Guyana betrof.

Dat cliché klopt niet meer sinds het Franse onderwijs zo'n tien jaar geleden enigermate werd gedecentraliseerd. Formeel zijn nu de regio's verantwoordelijk voor de manier waarop ze het nationaal curriculum willen vertalen. Toch blijft de indruk bestaan van een hiërarchisch, strak geregisseerd en gereglementeerd systeem.

In de Engelse krant The Independent klaagde de correspondent in Parijs onlangs over de 'van feiten en theorie bezeten Fransen' die zijn kinderen 'eindeloze grammaticale oefeningen laten doen en hen testen op het kunnen opdreunen van grammaticale regels'. Voor de lagere school is dat nog tot daar aan toe, maar tot de gang naar het lycée (de bovenbouw) is alles voor ieder Frans kind nog steeds hetzelfde. 'Er is geen enkele creativiteit mogelijk', schreef de Engelsman boos.

Machtige onderwijsbonden

Er is nog een verschil met de omringende landen. De 1,5 miljoen leerkrachten die in Frankrijk op de loonlijst van het ministerie van Onderwijs staan, zijn ambtenaren die onderling zwaar concurreren voor een baan. Een sollicitatie is daarom een landelijke wedstrijd. Al die lesgevende ambtenaren zijn stuk voor stuk georganiseerd in hun eigen, machtige vakbonden. De directeur heeft inhoudelijk geen enkele vat op zijn leraren, zij het dat de regionale inspectie het niveau en de kwaliteit van de lessen controleert.

Frankrijk is dan ook het enige land waar we in de lerarenkamer slagzinnen van vakbondsorganisaties prominent aan de muur opgeprikt zagen, terwijl de enige literatuur op tafel betrekking had op de drie regionale lerarenstakingen van het afgelopen jaar. Die gingen over bezuinigingen: vacatures worden minder snel opgevuld als een leerkracht ziek is en de schuld daarvoor ligt volgens de leerkrachten bij de flamboyante minister van Onderwijs, de filosoof Luc Ferry. Die heeft 7,2 procent van het bruto nationaal product (1999) te besteden aan onderwijs, maar zijn prioriteit ligt bij de strijd tegen het analfabetisme en de ongehoorzaamheid in de klas. Eensgezind zuchten alle leraren dat dit de clichés zijn van iedere nieuwe minister.

Binnen de school lijkt de leraar een koning in zijn eigen rijkje. In Frankrijk geen 'teamoverleg' tussen leraren, zoals overal elders. Er is zelfs nauwelijks sprake van uitwisseling: een beleefde groet is de hoogste vorm van interactie die we waarnemen. 'Elke leraar werkt in dit land met zijn eigen oogkleppen op. Niemand bemoeit zich met het vak of met de klas van zijn collega', zegt een regionaal onderwijsbestuurder. 'We proberen dat te veranderen, maar dat heeft tijd nodig.'

La France profonde

We zijn in de eerste klas van de bovenbouw van het Frans middelbaar onderwijs : klas 2h van het lycée 'Le Bois d'Amour'. Deze school met ruim duizend leerlingen ligt in de buitenwijken van Poitiers, aan de rand van een industrieterrein en aan drie kanten omgeven door heuvels met schaapjes. Het gebouw is roze en golvend langgerekt, omgeven door vijverpartijen en bruggetjes. De lokalen zijn schoon, fris geverfd in primaire kleuren en verder vooral overvol: een klas van 33 is hier heel normaal.

Poitiers zelf is een onmiskenbare provinciestad, ook al heeft het een universiteit. Het lijkt op het eerste gezicht niet eerlijk om deze school te vergelijken met een school in Zaanstad of Düsseldorf, die elk vlak buiten grote bevolkingscentra liggen. Aan de andere kant: 'Dit is het prototype van een gemiddelde Franse middelbare school', zegt een Franse onderwijsinspecteur. 'Het buitenland ziet het Franse onderwijs als één groot gevecht over hoofddoekjes en sluiers en losgeslagen kinderen van Arabische en Afrikaanse immigranten. Dat is alleen een probleem in de buitenwijken van grote steden.'

Die visie wordt nog eens bevestigd door de Franse lerares Duits, die ons in de gang aanspreekt en wil weten hoe we het hier in Poitiers vinden. Dat we de leerlingen zo gedisciplineerd vinden, kan ze zich wel voorstellen. Haar collega's in Duitsland, vertelt ze ons, lijkt het altijd heerlijk om Franse leerlingen te onderwijzen, omdat ze zo 'gemakkelijk' zijn. Dit lycée is 'representatief voor exact soortgelijke scholen door heel Frankrijk, of je nu in Limoges, in Auxerre of in Poitiers bent. Dit is la France profonde.'

Grote verontwaardiging bij de Manons, Maries, Martines en Zépherines van klas 2h, keurige meisjes die in hun kleurige truitjes met bijbehorende sjaals zo uit een Benetton-reclame zijn weggelopen. Poitiers heeft heus wel disco's én bioscopen én 'een beetje' problemen met drugs en alcohol. Dus we moeten niet geloven dat hier 'achterlijk' is.

De Fransen beschouwen hun onderwijssyteem in grote trekken als perfect. Franse leerlingen worden in het pisa-rapport van de oeso gemiddeld goed beoordeeld, met die kanttekening dat ze, geheel overeenkomstig onze ervaringen, relatief weinig initiatief tonen.

Het deert de Fransen niet. 'Wat kan ons het schelen dat Finland en Korea internationaal hoger eindigen?', zal een onderwijsdeskundige zeggen. 'Ons systeem is voor ons altijd goed genoeg geweest.' Dit gevoel van nationale eigenwaarde blijkt ook in een gesprek met een lerares Engels van een ander lycée. Onderwijs in vreemde talen is al vanaf het begin van het collège verplicht. Maar op de televisie worden alle vreemde talen nagesynchroniseerd. Zelfs Amerikaanse en Engelse popmuziek lijken in Franse versies in de ether te komen. Hebben Franse leerlingen dus geen grote achterstand op bijvoorbeeld Nederlandse en Duitse leerlingen?

'Nou en?', zegt de lerares Engels nogal bits. 'Engels hoef je alleen maar te leren om economische redenen. De francofone cultuur is minstens zo belangrijk. Wij zijn óók een groot en belangrijk land en wij hebben óók koloniën gehad waar men nu nog Frans spreekt.'

Goede naam

Het Lycée Le Bois d'Amour heeft leerlingen uit alle sociale geledingen. Het hoofd, Madame Renaume, specificeert dat met een curieus rijtje: 23 procent werknemers, 57 procent bovenkader, 15 procent ouders die niet (meer) werken en 22 procent ouders die werkzaam zijn in de landbouw. Net als elders zijn het ook in Poitiers de verspreid door stad en omgeving gelegen collèges (middenbouw) die de lycées (bovenbouw) voeden.

Poitiers heeft drie lycées, waarvan het lycée Victor Hugo wordt beschouwd als het van oudsher 'chique' binnenstadslyceum. Maar dat heeft ook het oudste gebouw en 'leraren die er al dertig jaar rondlopen', zegt men op Le Bois d'Amour misprijzend. Ons lyceum heeft met zijn fraaie voorzieningen en relatief idyllische ligging geen moeite om leraren te rekruteren. Poitiers is een prettig oord.

Le Bois d'Amour trekt meer meisjesleerlingen, omdat het zich onderscheidt door

'meisjesvakken': extra toneel, handbal, kunstgeschiedenis en wonderlijk genoeg een klas 'Europees-Duits': twee uur Duits extra plus kennis over de Duitse samenleving. Andere lycées richten zich vooral op technologie, als voorbereiding op een studierichting exacte vakken. En dan zijn er nog de lycées die opleiden voor een hbo-opleiding: van hotelier tot monteur tot boekhouder. Dat is een nieuwe poging om beroepsopleidingen meer status te geven.

Ons lycée mag er dan uiterlijk schoongewassen, burgerlijk gehoorzaam en welvarend uitzien, die indruk blijkt bedriegelijk. Deze leerlingen komen uit dezelfde sociaal gecompliceerde milieus als die in Zaanstad of Düsseldorf. Scheiding van de ouders, alcoholmisbruik, (seksuele) mishandeling: de conseiller, een maatschappelijk werker die op elke Franse school een volledige baan heeft, ziet het allemaal voorbij komen.

'Le grand Ouest' heet het gebied tussen Poitiers en de Atlantische Oceaan. De boeren die hier hun onrendabele boederijen en land opgaven om in een nieuwe stoelenfabriek te gaan werken, hebben die fabriek inmiddels ook alweer ten onder zien gaan. Het Grote Westen is al voor een tweede generatie een zône de pauvreté geworden. De leerlingen die hier vandaan komen, hebben minder kansen om 'hun potentieel te vervullen'. Dat ze het collège halen, geldt al als een prestatie, dat ze een lycée met succes afmaken en dan ook nog naar de universiteit gaan is uitzonderlijk.

Opstandige uitzondering

Helemaal achterin onze klas 2h zit één leerlinge met dwarse vlechtjes en een harlekijnbroek. Het is de opstandigste uitdossing van de hele klas. Blote buiken, mutsen, bedrukte joggingshirts we hebben ze nergens gezien. In de bibliotheek-annex-computerruimte surveilleert continu een van de bibliothecaressen, om te controleren of de leerlingen niet stiekem surfen naar een site die niets met hun opdracht heeft te maken. In de gangen van de school staan teder kussende leerlingen-paren. En buiten voor de schooldeur wordt beperkt gepaft.

In de kantine schuiven we aan bij een paar leerlingen voor de dagelijkse schoolmaaltijd. Het assortiment brood, salades, pasta's, vleesen visgerechten zou in een gemiddeld restaurant niet misstaan.

'Welke leraar is bij jullie populair?'

Enig onderling overleg en gegiechel van de meisjes. Dan: 'Monsieur Bocco.' Waarom? 'Hij is onze klasseleraar.' Nog enkele pogingen en telkens hetzelfde antwoord: 'De leraar wiskunde.' Waarom? 'Hij is belangrijk.' 'De leraar Frans. Frans is ook heel belangrijk.'

Omdat in Frankrijk een schooldag duurt van 8 uur 's ochtends tot 5 uur 's middags, speelt hier, net als in Duitsland, de discussie over de vraag wie de jeugd van tegenwoordig vormt. Leveren ouders hun kind de hele dag aan de school uit, zodat de school die kinderen kneedt tot de burgers van morgen? Omdat Franse kinderen al vanaf héél jonge leeftijd vele uren van de dag in het systeem terecht kunnen de école maternelle wordt wel het kroonjuweel van het Franse onderwijssysteem genoemd vormt 'de staat' leerlingen al heel vroeg op een manier die in Nederland, Engeland en het overgrote deel van Duitsland niet aan de orde is.

Geen wonder dat het ministerie van Onderwijs in Londen vorig jaar nog voorzichtig speelde met de gedachte om vanwege de grote disciplineproblemen op veel Engelse scholen een aantal 'Franse methoden' in te voeren: kinderen staan naast de bank tot de leraar binnenkomt en hen goedemorgen wenst. Op het Lycée Le Bois d'Amour lacht men hier meewarig over: dat is volgens de leraren hier 'al lang niet meer gebruikelijk'. En leraren hebben allang niet meer die verheven status, die vroeger door ouders aan hen werd toegeschreven. 'Ik ben nu hoogstens een halfgod', zegt een leraar half-grappend. Maar toch, nergens op onze rondreis hebben we het woord 'respect' en 'discipline' zo vaak horen vallen als hier. En de leerlingen kijken er nooit vreemd van op.

Onze klas 2h moet het doen met 'éducation civique', zoiets als maatschappijleer. De frèle lerares die dit vak doceert, moet de kinderen burgerplicht bijbrengen.

'Wie is er geïnteresseerd in politiek?' vraagt ze. Geen enkele jongen steekt zijn vinger op. Vier meisjes doen dat wel.

'Alors!', zegt de lerares. 'We gaan het hebben over een vraag die speelde bij de presidentsverkiezingen van 1992. Moeten we de buitenlanders terugsturen, ja of nee? Schrijf op!'

Duitsland

Duitse leerlingen houden zich stipt aan de schoolgrondwet

De klasselerares betreedt haar lokaal: 'Guten Morgen, Klasse Neun-d!' De klas draait zich in haar richting en zegt uit één mond: 'Guten Morgen, Frau Wetzel!'

Klas 9-d van de Hilda Pankok-Gesamtschule in Düsseldorf telt op dit eerste uur van de dag 32 leerlingen. Het vak is Duits en het is verplicht. De leerlingen zitten aan een enorm carré van tafels en stoelen, groepjes jongens naast groepjes meisjes. Op de tafels liggen boeken, die uit de kast zijn gehaald, blocnotes of oefencahiers en voor elk een etui. De klas ziet er tamelijk opgeruimd uit. De meeste jassen hangen over de rugleuning van de stoel, er is één baseballpetje, maar geen enkele muts. Er wordt niet gegeten in de klas, wel onderling gepraat en soms ook verstolen gestompt of geknepen. Maar het blijft allemaal redelijk gecontroleerd.

Na de les tilt elke leerling zijn stoel op de tafel, zodat het lokaal er opgeruimd uit ziet en de schoonmakers gemakkelijk hun werk kunnen doen. Niet dat er veel valt schoon te maken: op de grond geen snoeppapiertjes, lolliestokjes of kauwgumresten.

De Hilda Pankok-Gesamtschule geeft de leerlingen zo veel milieulessen dat sommigen daar doodziek van zeggen te zijn. Zoals ze ook de pest hebben aan de andere heilzame regelgeving van bovenaf, zoals de 'belachelijke' verordening dat je in de kantine geen cola kunt kopen, zolang je niet in de bovenbouw zit. En dan ben je meestal al 16 of 17 jaar oud.

Eigenlijk is een 'Gesamtschule', een soort middenschool, niet erg representatief voor het Duitse middelbaar onderwijs als geheel. Maar een representatieve school is in Duitsland moeilijk te vinden: zestien deelstaten hebben zestien verschillende leerprogramma's, die tot een globaal vergelijkbaar, nationaal geldend eindniveau leiden. We hebben voor Düsseldorf gekozen, omdat het de hoofdstad is van Noordrijn-Westfalen, een dichtbevolkte deelstaat, vergelijkbaar met de Nederlandse Randstad.

Roep om individualisering

Nationaal zit maar 6,3 procent van alle 671.500 leerlingen in het basisen voortgezet onderwijs op een Gesamtschule. Ouders die een kind naar een Gesamtschule sturen, doen dat vaak omdat ze de beslissing voor het schooltype willen uitstellen tot het zestien jaar is. Maar voor verreweg de meeste Duitse kinderen valt die beslissing op hun tiende en hun twaalfde.

Dat is bij uitstek het kenmerk van het Duitse onderwijssysteem: het selecteert streng en het selecteert jong. Voor Duitse kinderen houdt de lagere school na vier jaar op, als ze 10 jaar zijn. Daarna stappen ze over naar de Hauptschule (vmbo, ca. 11 procent van de totale schoolbevolking), de Realschule (havo/vwo, ca.11 procent), of het Gymnasium (Athenaeum, ca. 23 procent). Veel ouders proberen alles om hun kind op het gymnasium te krijgen, zelfs als de lagere school anders heeft geadviseerd. Dat leidt tot veel hartzeer: als de leiding van de gekozen middelbare school na twee basisjaren toch een lager schooltype adviseert en dit keer is het advies bindend dan gaat dat voor de leerling vaak gepaard met verlies aan status, aan vriendjes en soms met een verlies aan geloof in eigen kunnen.

De Gesamtschule (Düsseldorf heeft er vier, tegenover twintig gymnasia) ondervangt dat allemaal door de definitieve keuze nog 5 jaar uit te stellen, en laat de leerlingen individueel in dezelfde schoolklas kennis maken met verschillende niveaus en vakkenpakketten. Pas dan maken ze de overstap naar de afsluitende twee jaren van het Gymnasium, de Realschule, óf de Hauptschule.

'Eén ding staat vast', zegt de directeur van de Hilda Pankok-Gesamtschule, Heinz Gniostko. 'Tweederde van de leerlingen die ik hier met een aanbeveling van de basisschool krijg, komt uiteindelijk op een andere plek terecht dan de basisschool heeft voorspeld. Er gebeurt in het leven van kinderen tussen de 10 en 16 jaar zóveel dat die tunnelblik naar het eindexamen gymnasium en die baan als dokter of jurist wel erg beperkend is. Ouders dringen kinderen hier veel te vaak iets op. Wij willen niet dat ze onder de druk bezwijken.'

Gemengd zootje

Klas 9-d is in alle opzichten een gemengd zootje. Sandra, zwaar opgemaakt en in een roze keurslijfje geperst, laat het hele uur lang ostentatief zien dat ze totaal niet geïnteresseerd is in het bespreken van de opstellen van haar klasgenoten. 'Komt u uit Nederland? Bent u wel eens in een coffeeshop geweest? Kuhl!'

Frau Wetzel, lerares Duits, projecteert de gekozen opstellen een voor een op de muur. Net als in Nederland zijn de thema's modieus, of, zoals voorgeschreven door de wetgever: 'maatschappelijk-relevant'. Alcoholisme, geweld binnen het gezin of doorrijden na een aanrijding. Groepjes leerlingen bespreken stijl en inhoud van zo'n opstel en de klas als geheel mag daarna commentaar leveren en een titel suggereren. 'Een bloedige gebeurtenis!' 'Angst!' 'In de nacht!'

We maken veel van dit soort lessen mee: stijlen verhaalvormen, analyse van de bedoeling van de schrijver, mogelijke alternatieve methodieken, een open of een gesloten einde, een typisch kort verhaal of toch meer een uit de hand gelopen karakterschets? In alle lessen Duits ligt het zwaartepunt op tekstanalyse. Het lijkt typisch voor het Duitse onderwijs. In een hogere klas treffen we later vier Russische meisjes, kinderen van joodse immigranten of van voormalige Sudetenduitsers uit Rusland, die hun eigen Russische literatuur op precies diezelfde manier ontleden.

Hun leraar, de heer Jigalin, vat het dilemma van zijn leerlingen in een paar zinnen samen: 'In de eerste plaats spreek ik gebrekkig Russisch. Bovendien krijgen Russische leerlingen hier in Duitsland steeds maar teksten die hun land van herkomst kritiseren. En ze kunnen niet wennen aan de verplichte tekstanalyse. Zij zijn gewend uit het hoofd te leren. Een leerlinge zegt het zo: 'In Rusland lezen we Poesjkin en dan wenen wij. Hier lezen wij Poesjkin en dan wordt hij met een mes vermoord.'

De Hilda Pankok-school heeft het hele jaar door een gestage toevloed van Russischtalige leerlingen, die na een snelcursus Duits voor immigranten gewoon mee moeten doen aan het schoolprogramma. De helft van hen haalt het eindexamen havo/vwo of athenaeum, de rest druipt af naar het beroepsonderwijs. In de kantine van de school zien we de Russische leerlingen steeds weer bij elkaar klitten, zoals de tweede-generatie Marokkaanse en Turkse leerlingen in Zaanstad steeds weer elkaars gezelschap lijken op te zoeken.

'Het is moeilijk met de integratie', zegt een leraar. 'De Russische leerlingen accepteren de school niet, omdat die veel minder autoritair is dan wat ze gewend zijn. Ze accepteren ook de Duitse cultuur niet, omdat ze bijvoorbeeld zien dat jongens hier in de tram niet voor een ouder iemand opstaan. In de lerarenkamer hoor ik collega's wel zeggen: geef mij die Russische leerlingen maar, daar kun je tenminste mee werken! Maar ze stellen geen vragen, ze tonen geen initiatief en discussiëren niet. Ik hoor een van die kinderen nog zeggen: Het is hier niet genoeg dat ik alles uit mijn hoofd ken, ik moet hier steeds maar zelf denken!'

Tevreden

Duitsland was lang erg tevreden met zijn eigen onderwijssysteem. De economische motor van Europa moest zijn jeugd immers wel opleiden tot heil van de natie? Maar sinds pisa is die zelfgenoegzaamheid verdwenen. Het Program for International Student Assessment is een studie onder auspiciën van de oeso, die in dertig landen toetst hoe bekwaam hun scholieren van 15 à 16 jaar zijn in lezen, in wiskunde en in science (exacte vakken). In Duitsland werden de resultaten in december 2001 bekend. Ze sloegen in als een bom: in alle drie categorieën komen Duitse leerlingen uit op de 20ste plaats of lager. Ter vergelijking: Finland eindigt zowel bij begrijpend en studerend lezen als bij wiskunde en bij exacte vakken telkens bij de top-vijf. Duitse politici hebben sindsdien de mond vol over pisa en ouders vragen zich af 'wat voor dienstverlening de overheid hier eigenlijk biedt in ruil voor hun belastinggeld'.

Na een even desastreus unicef-onderzoek over Duitse onderwijsresultaten zei Dietrich Garlings, de baas van unicef-Duitsland, vorig jaar tegen Der Spiegel: 'Zwakkere leerlingen worden in Duitsland simpelweg losgekoppeld.' Hij bedoelde: leerlingen die in ons hoogst selectieve systeem niet kunnen meekomen, laten we afvallen. Sindsdien wijzen de aanhangers van het Gesamtschule-model trots op hun theorie dat vroege selectie niet helpt.

Directeur Heinz Gniostko: 'Je moet een kind niet alleen maar zeggen wat het niet kan. Je moet het laten incasseren op zijn sterke kanten en dan helpen met de rest. En hem niet laten uitvallen, zodat hij zich uitgestoten voelt. En leren op school moet samengaan met sociaal leren. Al onze leerlingen moeten in het achtste jaar, als ze 14 jaar oud zijn, verplicht vrijwilligerswerk doen: in een kinderhuis, een ziekenhuis, zonder dat ze er iets mee verdienen. Dat leert kinderen ook wat ze zelf waard zijn.'

Gemengd

De Hilda Pankok-school, genoemd naar een Duitse die in de nazi-tijd joden, zigeuners en gehandicapten beschermde tegen het regime, heeft een gemengde populatie. De school ligt in een buitenwijk die niet welvarend oogt. Het gebouw ziet er kaal en somber uit, maar elk jaar melden zich meer leerlingen dan de school aankan, ook van ver buiten de onmiddellijke omgeving.

'Ik neem éénderde aan met een aanbeveling voor Gymnasium', zegt directeur Heinz Gniostko, 'éénderde met een aanbeveling voor Realschule en éénderde met een verwijzing naar de Hauptschule. Daarbinnen kies ik bewust voor 20 procent kinderen van buitenlandse afkomst. Dat percentage vertegenwoordigt het gemiddelde van de bevolking in deze regio. En ik meng zoveel mogelijk bekwaamheden: kinderen die goed zijn in sport, of in taal, of in muziek of in rekenen. Ik heb alle 114 kinderen van tevoren persoonlijk gesproken.'

Waar die mengeling toe leidt, is zichtbaar op het bordes boven de trap naar de mensa. Omdat deze school per klas ook nog eens maximaal drie kinderen met een lichamelijke handicap aanneemt, oogt een massa leerlingen bij elkaar hier anders: men wijkt uit voor een elektrische rolstoel of voor een jongen achter een looprek. Of het nu komt omdat de leerlingen gewend zijn rekening te houden met dit soort medeleerlingen, of omdat de Duitsers gewoon betere manieren hebben, leerlingen zullen het hier niet in hun hoofd halen om bij de deur van een klaslokaal vóór de leraar de klas binnen te dringen, of een deur dicht te laten vallen voor iemands neus. Bij zoveel positieve indrukken is het bijna een verademing op de deurpost van een klaslokaal de kreet 'Fuck you!' te ontwaren.

Discipline is hier natuurlijk net zo'n groot probleem als elders, erkent een lid van de ouderraad. Maar het aantrekkelijke is dat klas en klassenleraar hier in een wekelijks klassenberaad aan een soort conflictoplossing doen. Dat is geen softe procedure en leerlingen spreken er met ontzag over. Wie drie keer onderwerp is geweest van zo'n beraad, gaat van school. Regels die de leerlingen daar zelf vaststellen, zijn beter te handhaven dan edicten van bovenaf.

Schoolgrondwet

'Mevrouw, Ihre Handy!' roept een jongetje verschrikt, als in een overvolle kantine per ongeluk in mijn tas een mobiele telefoon afgaat. Van elders schiet een leraar toe, die bezwerend voor mij gaat staan en met zijn armen zwaait. 'Handy ausmachen!' blaft hij me toe. 'Handies', zo hebben de leerlingen net in hun schoolgrondwet vastgelegd, 'zijn alleen voor buiten het gebouw, of het nu om teksten of bellen gaat.' Soortgelijke verordeningen zijn er voor roken en voor alcoholgebruik. En drugs? 'Daarmee is het hier net als overal elders', zegt de directeur. 'Maar het blijft op deze school binnen de perken.'

Ergens in de week praat ik met vijf jongens van 9-d over hun toekomstvisie. Joshua, met de baseballpet en Marcel, een verlegen jongen met een bril, zien zichzelf als tekenaar of ontwerper. Met vrouw en eventueel kinderen. Als ze tenminste zo'n 20.000 euro verdienen, want anders hoef je aan een gezin niet te beginnen. Tobias wil architect of ingenieur worden, Alex ook ingenieur en Michel wil als econoom later ergens bij een groot bedrijf veel geld verdienen.

Mevrouw Wetzel vertelt later over de projectweken met haar klas, waarin jongens en meisjes afzonderlijk over hun toekomst leren nadenken: 'Jongens willen vooral geld hebben en een auto en bedienden. En een vrouw en kinderen. Van de meisjes wil 80 procent een eigen carrière, mét partner en kinderen. En een eigen huis en een auto. We laten ze collages maken over hoe die toekomst eruit ziet: ze knippen altijd donkere mannen uit tijdschriften. Het is opvallend dat de helft van onze klas alleenstaande ouders heeft. Maar toch zien ze hun toekomst als een soap.'

Nederland

Drukke Nederlandse scholieren heb ben geen last van discipline

Het eerste wat opvalt in de klas is de herrie. Klas havo 4-c van het Zaanlands Lyceum

(770 leerlingen) heeft minder dan drie kwartier om iets op te steken van de les, maar op de stem van de leraar voor het schoolbord wordt nauwelijks acht geslagen. Twee jongens op de een na achterste bank zitten met hun rug naar hem toe met klasgenoten achter hen te praten, het gesprek gaat uitdrukkelijk niet over de leerstof. Drie meisjes giechelen elders over iets in hun agenda. Anderen roezemoezen hardop met hun buurman of buurvrouw.

'Kom op jongens!', zegt de leraar met stemverheffing. 'Vandaag wil ik honderd procent concentratie van jullie hebben. Als je niet oplet, heeft deze hele les weinig zin.' De klas kalmeert enigszins.

Veertig minuten totaal heeft de leraar Engels om vijftien jongens en vijf meisjes met een exact vakkenpakket hier in dit kale leslokaal iets bij te brengen van de wereldtaal. In havo 4 en 5 samen zijn 360 studielesuren ingeruimd voor Engels. Daarmee leren Nederlandse vijftienjarigen al meer dan bijvoorbeeld Engelse leerlingen. Die mogen in het nieuwe leerplan, dat volgend jaar ingaat, vanaf hun veertiende jaar de verplichte vreemde taal laten vallen, vermoedelijk omdat 'iedereen toch al Engels spreekt'. Dit soort cultuurarmoede blijft de havo-klas, met twéé verplichte vreemde talen, tenminste bespaard. Met die kanttekening dat maar 40 van de 360 uur gewijd zijn aan literatuur, waarvan we ons ook geen te hoge verwachtingen moeten maken. De leerlingen mogen de drie boeken die verplicht zijn voor het eindexamen Engels in vertaling lezen.

'Die lesstructuur doet weinig voor het welbevinden van een talendocent', zegt leraar Arno de Bruin met het understatement dat bij zijn vaktaal hoort. 'Het maakt het doceren van zo'n onderwerp er niet leuker op.' De vraag moet natuurlijk eerder zijn: wat geeft zo'n lesstructuur de leerlingen? Binnen hun beperkte mogelijkheden slagen deze leraren er met veel inspanning toch nog in hun havo-leerlingen enig begrip van Shakespeare bij te brengen en misschien ook wel enig enthousiasme. Maar deze generatie havo-scholieren lijkt nauwelijks geïnteresseerd in dat soort ongrijpbare verworvenheden. Er is maar één woord dat hun aandacht vangt. Valt het woord 'toets', dan verstomt het permanente geruis en draaien alle hoofden de richting van de leraar uit.

Iedere onderwijsdeskundige legt het ons telkens weer geduldig uit: het gaat bij onze toekomstige hbo'ers niet meer over hun parate kennis, maar over de vaardigheid waarmee ze aanvullende kennis weten op te zoeken. De eis is niet langer: 'jij moet dat woord weten', maar 'jij moet dat woord kunnen opzoeken'. De havo-opleiding lijkt op een moestuin met vele soorten gewassen, waarvan de grond maar zeer oppervlakkig wordt omgespit.

Het hoger beroepsonderwijs klaagt dat het niveau van de talenkennis van zijn eerstejaars lager is dan ooit tevoren. Maar hoe vang je de verbeelding en de aandacht van leerlingen wier belevingswereld waarschijnlijk dichter ligt bij de tekst achterop het Nirvana-shirt, waarmee Erik de dag opfleurt? Erik zit rechts vooraan in de schoolbanken, dus we staren vanachter uit de klas de hele dag tegen zijn rug aan met de regels: Flower sniffin/Kitty pettin/baby kissin/corporate Rock/whores.

Luistertest

Het antwoord in het lesprogramma is kennelijk: door een luistertest. De klas beluistert een interview met de producent van een nieuwe generatie pacemakers. Daarna moeten de leerlingen aan de hand van multiple choice-voorbeelden schriftelijk vragen beantwoorden over het interview.

'Wie weet niet wat een pacemaker is?', vraagt de leraar Engels aan zijn klas. Eén Turks meisje steekt haar hand op. Op een school met rond de 15 procent allochtonen mag je niet automatisch aanemen dat hun cultuurgoed hetzelfde is als dat van kinderen met puurHollandse ouders. Dat zie je al als 's morgens de school begint: de blonde koppen komen 'Hollands' op de fiets, de donkere van Turkse, Antilliaanse, Surinaamse, Afghaanse, Iraanse, Iraakse afkomst massaal met de bus.

'Van de tien vragen wil ik er zeven goed hebben', zegt de leraar. 'Desnoods zes, maar dan heb je een vijfeneenhalf en dat is niet genoeg.' Dan zegt hij iets wat we op deze school de hele week van leraren horen: 'Weet wat je kan! Leer van jezelf!' Met al hun ogenschijnlijke wereldwijsheid en bravoure hebben deze leerlingen kennelijk constant bemoediging nodig. We zien meer van dit soort schouderklopjes dan disciplinaire regelgeving. Waar in de Duitse klas geen leerling iets zegt zonder eerst de vinger te hebben opgestoken, verlaten leerlingen hier zonder duidelijke toestemming het lokaal of dringen zich vóór de leerkracht uit als eersten door een deur. Is het kinderachtig om daarover te vallen? Dat het ook anders kan, demonstreert keer op keer een Afghaanse leerling in onze klas. Hij is nog niet lang in Nederland en stapt elke keer weer automatisch opzij om leerkrachten en bezoekers te laten voorgaan.

Docenten lijken niet zo'n zin te hebben leerlingen ook nog manieren bij te brengen. Eten en drinken in de klas wordt soms niet, maar soms oogluikend toch weer wel toegelaten. Kauwgum kauwen wordt over het hoofd gezien, maar snoepjes overgooien gaat te ver.

Kledingvoorschriften bestaan kennelijk niet: jassen aan, mutsen over de oren, schooltassen en rugzakken slingeren in een wanordelijke hoop in het gangpad een leraar schopt ertegen, maar zegt er niets van. Een school-bioscoopbezoek (The Silence of the Lambs) ontaardt in een chaos van lawaai en gooien met voorwerpen, die de hele film bederft. Eén keer gaat een leraar in de donkere zaal naar achteren om te vragen 'of het niet iets zachter kan'. De Nederlandse overlegcultuur in optima forma.

Maar wie zegt dat leraren oog kunnen hebben voor de nuances van beleefde omgang en fatsoenlijke kledij, als ze die kennis niet zelf hebben meegekregen? In de lerarenkamer van het Zaanlands Lyceum zijn meer verfomfaaide spijkerbroeken, T-shirts en sportschoenen te zien dan in welke van onze buurlanden-lerarenkamers ook. Is dat erg? En hoe moeten leerlingen een rolmodel zien in de gedesinteresseerde leerkracht die met volle mond kauwend naast ons neerploft en luid verkondigt dat hij dit vak 'hélemaal gezien heeft' en alleen nog blijft werken vanwege zijn hypotheek?

In Engeland en Frankrijk wordt het dreigend tekort aan leraren vooral veroorzaakt door het feit dat veel leraren de komende tien jaar met pensioen gaan. Maar het beroep van leraar heeft beslist een zeker aanzien. In Duitsland heeft het beroep status, ook omdat het relatief goed wordt betaald. Maar in Nederland, horen we telkens weer, is het aanzien van het docentenvak in de laatste decennia zo uitgehold dat alleen de zwaksten onder de universitaire studenten voor de klas terechtkomen. En wat van de lerarenopleiding kwam was lange tijd 'een lachertje'. Op het Zaanlands Lyceum komen we ook enthousiaste leraren tegen, maar is dit het niveau dat de samenleving van de toekomst moet inspireren?

'Ik vind jullie hartstikke lastig vandaag!'

De lerares culturele en kunstzinnige vorming (ckv) kan maar nauwelijks boven het gekakel, gestomp en gegiechel uitkomen. ckv wordt door de leerlingen als tamelijk overbodig beschouwd en dus is dit een vak om bij te ontspannen. Aan het eind van het schooljaar moeten ze de lerares zes culturele projecten of activiteiten kunnen overleggen. Wie kan bewijzen dat hij een cd heeft gekocht of naar een bioscoop is geweest, is al cultureel actief geweest.

Jackson Pollock

In de klas worden de culturele projecten gepresenteerd. Robin en Michiel hebben in Amsterdam foto's gemaakt van verschillende beroepsuitoefenaars die ze op straat tegenkwamen. Erik heeft elektronisch een museum-affiche voor een expositie van Jackson Pollock gemanipuleerd. Manuel heeft Pollock en Mondriaan in beeld gebracht en op een cd van pakkende achtergrondmuziek voorzien. De aanpak is vaak verrassend en de bijbehorende toelichting voor de klas ('Die straatveger wilde geld van ons hebben!' 'Welnee man, die wilde jullie poeier verkopen') varieert van kinderlijk tot tamelijk gelikt.

Klas 4h hoeft zich geen vol uur bezig te houden met een vak als geschiedenis, en de leerlingen worden niet bovenmatig lastiggevallen met de juiste spelling. Zo heeft de wetgever het verordonneerd en traditionalisten huiveren. Wel worden deze havo'ers geacht drie uur in de week met zelfvertrouwen een presentatie te kunnen houden over 'cultuur', een onderwerp waar veel leerlingen geen idee van hebben.

We vragen de leerlingen of de aanslag van 11 september op het wtc in New York in enige vorm in hun lessen is besproken. Niemand weet zich er iets van te herinneren.

'Ik dacht toch wel dat ik het er met een klas over heb gehad', zal de lerares Nederlands later zeggen. 'Is het bij maatschappijleer ook niet gebeurd? Pim Fortuijn is zeker wel aan de orde geweest.'

Als je dit soort vermeende lacunes ter sprake brengt bij onderwijsdeskundigen, zeggen ze allemaal hetzelfde: kinderen moeten tegenwoordig zovéél weten. En ze krijgen hun informatie via zoveel meer wegen toegediend dan vroeger op school. Je kunt dus niet verwachten dat de leerlingen aandacht hebben voor alles wat hun in de klas wordt voorgeschoteld en de school moet niet op elk front willen concurreren met de informatie via televisie, video en internet. Sterker nog: het is een pedagogisch gegeven dat leerlingen van 15 jaar niet langer dan 10 minuten achter elkaar geconcentreerd kunnen zijn. Daarna moet de docent zijn tactiek van lesgeven veranderen om de interesse vast te houden. Klopt dat wel en is dit dan een typisch Nederlands verschijnsel?

'Het aantal leerlingen dat ons zorgen baart, neemt strikt genomen toe', zegt een onderwijsinspecteur. 'Dat komt door het gebrek aan sociale samenhang in hun achtergrond en door de minder strikte normen in de maatschappij, maar het is ook een gevolg van de vooruitgang in de medische wetenschap. Van te vroeg geboren kinderen blijft 30 procent uiteindelijk

lichamelijk en qua verstandelijk vermogen achter bij zijn leeftijdgenoten. Steeds meer kinderen vergen extra zorg, omdat ze anders niet in toom te houden zijn. In tien jaar tijd is het aantal scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen verdubbeld. Al die moeilijke kinderen leggen ook druk op het reguliere stelsel. Anders dan in sommige andere landen hebben we in Nederland niet goed geleerd hoe we op een 'normale' school moeten omgaan met leerlingen die beschadigd zijn. Laat staan dat daarvoor tijd zou zijn, gezien het al bestaande lerarentekort.'

We spreken met een klasselerares, die leerlingen met problemen begeleidt. Leerlingen met faalangst krijgen 'faalangstreductietraining'. Ze vertelt over lyceïsten met de vreselijkste problemen thuis, over de zelfmoord van een leerling en over de pesters onder de scholieren, die zo vaak de voormalige gepesten van de lagere school blijken te zijn. Dan zijn er de allochtone kinderen met gedragsproblemen. 'Die leiden een verborgen leven thuis en een ander leven hier, en daartussen moeten ze steeds switchen. Lastig voor hen, maar ook lastig voor ons.' Er zijn kinderen die enerzijds geen bevelen willen opvolgen van vrouwelijke personeelsleden, maar zich anderzijds verschuilen achter de slogan: 'Ik word gediscrimineerd!'

'En dat worden ze soms ook', zegt een oudere leraar heel eerlijk. 'Er zijn hier natuurlijk mensen die zich niet echt in hen willen verdiepen. Een aantal collega's zit nu eenmaal diep van binnen net zo in elkaar als alle Nederlanders. De Zaanse mentaliteit is nogal direct en ook nogal grof. Te veel leraren blijven veel te lang op één school zitten en dat continueert de cultuur van die school. Voor een niet-geïnteresseerde leraar is het in zo'n geval gemakkelijk om zich ervan af te maken onder het motto: als ik me er niet verantwoordelijk voor voel, hoef ik er ook niets voor te doen.'

'Mevrouw', zegt een allochtone jongen, 'dit is wel een brave school, hoor. Maar die voordeur alleen voor de leraren, dat vinden wij stom. En voor de mediatheek moeten wij betalen.' 'En de wc-bril zit al een jaar los', voegt een klasgenoot eraan toe. 'Geld wordt er niet aan ons uitgegeven.'

We vragen wat ze later willen worden. De allochtone jongen zegt: 'Ik word arts'. Wij: 'Maar je zit op de havo!' Hij: 'Ja, maar ik kom al van de mavo. Ik moet nog hard studeren. Dan ben ik 28 als ik klaar ben. Ik weet niet wat ik anders zou moeten worden, hoor. Echt niet!'

Een ander zegt: 'Ik wil iets waarmee je veel kunt verdienen.' En de derde, bloedserieus: 'Ik word kleuterleider, denk ik. Dat vind ik nou echt leuk, die hele kleine kinderen iets leren.'

Hieke Jippes is medewerker van NRC Handelsblad. Ze woont in Engeland.

Otto Snoek is freelance fotograaf.

[streamer]

Voor de gymnasiumleerlinge die ik lang geleden was, was de confrontatie met het Zaanlands Lyceum een cultuurschok.