Euthanasiemeldingen

Het oordeel over euthanasie is in Nederland lang overgelaten aan de rechter. De wetgever is er pas meer dan vijftien jaar na de eerste uitspraak van de Hoge Raad aan te pas gekomen. De wettelijke normen voor een milde dood die in 2001 tot stand kwamen, zijn tot op grote hoogte het resultaat van een dialoog met de praktijk, lees: de medische sector. De euthansiewet is door de Tilburgse hoogleraar metajuridica Van der Burg als voorbeeld gesteld van een vernieuwend, ,,interactief wetgevingsproces'' ofwel ,,coproductie van wetgeving'', waarbij de burger fungeert als medewetgever. ,,Op zo'n manier is er ook draagvlak en is dus de naleving en controle minder problematisch'', aldus de rechtsgeleerde.

Deze blijmoedige diagnose staat op gespannen voet met de eerste ervaringen met de euthanasiewet. Het aantal meldingen door artsen bij de regionale toetsingscommissies is gedaald in het eerste jaar van de nieuwe wet. Dat kan natuurlijk verband houden met de toenemende belangstelling voor en kennis van palliatieve zorg in medische kring, waardoor men minder vaak toekomt aan euthanasie. Maar er zijn ook signalen dat artsen de nieuwe wet – interactief of niet – niet vertrouwen.

Eén zo'n signaal is het betrekkelijk geringe aantal zaken dat door de toetsingscommissies wordt doorverwezen naar het openbaar ministerie (OM). Dat waren er vijf op bijna 1.900 gemelde gevallen in het eerste jaar van de nieuwe wet, tegenover drie op bijna 2.200 het jaar ervoor. Dit was voor het comité voor de mensenrechten van de Verenigde Naties aanleiding de vraag te stellen of dit niet duidt op onderrapportage door de medici. Het tweede kabinet-Kok kon dat niet ontkennen en vond dat er zeker aandacht aan moest worden besteed bij de evaluatie.

Met reden wees de Nederlandse regering er echter op dat het VN-comité in zijn opmerkingen aan het adres van Nederland in juli 2001 de legitimiteit van de nieuwe wet als zodanig niet wezenlijk in twijfel trok. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van het Europese Hof voor de mensenrechten, dat in maart vorig jaar in de zaak-Pretty een klacht tegen Groot-Brittannië afwees die was ingediend door een ernstig en uitzichtloos zieke Britse vrouw. Zij had gevraagd om voorafgaande officiële toestemming haar leven te mogen laten beëindigen door haar echtgenoot. Dat zou ook in Nederland met zijn nieuwe wet te veel gevraagd zijn. Een officier van justitie kan nooit vooraf een verklaring van geen bezwaar afgeven.

Nederland heeft met de euthanasiewet in Europa zijn nek uitgestoken. Maar de omstandigheid dat de opvattingen over een bepaald onderwerp binnen Europa sterk uiteenlopen, vormt voor het Europese Hof juist een reden de individuele staten een ruime marge te verlenen voor hun afweging. Het is dan ook voorbarig om, zoals wel is gedaan, uit de zaak-Pretty te concluderen dat de Nederlandse euthanasiewet meer ruimte zou claimen dan het Europees verdrag voor de mensenrechten feitelijk biedt.

Een knelpunt blijft wel de mogelijkheid van het OM zicht te houden op individuele gevallen, die immers in de eerste plaats worden getoetst door de regionale commissies. De voorzitter van de OM-top, De Wijkerslooth, stelt openlijk de vraag wie de controleurs controleert. Het antwoord wordt nu gezocht in het opzetten van een databank, waarin alle gemelde gevallen worden beschreven. Dat kan niet alleen zijn nut hebben voor het OM, maar ook voor wantrouwige artsen. Sommigen hebben namelijk het vermoeden dat de commissies strenger oordelen dan het openbaar ministerie. Feiten op tafel kunnen het draagvlak van de wet alleen maar ten goede komen.