Die lieve meisjes toch

De feminiene cultuur in het Nederlandse onderwijs is sympathiek, maar ongunstig voor de kwaliteit. De ijver van meisjes wordt beloond, maar veel jongens kunnen hun draai niet vinden. `Slechte prestaties worden te vaak door de vingers gezien.'

Het is een van de weinige successen waar in tijden van onderwijsmalaise nog mee wordt gepronkt: in dertig jaar hebben de Nederlandse meisjes hun onderwijsachterstand ingehaald en ze doen het nu zelfs beter dan jongens. Campagnes uit de jaren zeventig en tachtig als `Marie, word wijzer' en `Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid' hebben kennelijk effect gehad. En neem die fantastisch presterende allochtone meiden in de hogere regionen van het voortgezet onderwijs: een voorbeeld waar het onderwijs toe in staat is!

Maar volgens Paul Jungbluth, onderwijsonderzoeker van het sociaal wetenschappelijk instituut ITS van de Katholieke Universiteit Nijmegen, zijn deze juichende cijfers slechts schijn. Dat de meisjes zo goed presteren is volgens hem vooral het gevolg van een verdere verschoolsing van het onderwijs waar dociliteit en ijver hoger worden aangeslagen dan aansluiting op het vervolgonderwijs en beroepswereld.

De afgelopen maanden stond de zogenoemde feminisering van het onderwijs midden in de belangstelling, nadat Louis Tavecchio, hoogleraar kinderopvang aan de Universiteit van Amsterdam, verkondigde dat het gebrek aan mannen voor de klas niet goed is voor de ontwikkeling van jongens. In alle westerse landen is het aantal vrouwen in het onderwijs de afgelopen dertig jaar drastisch toegenomen. Nederland staat met 75,9 procent vrouwen in het basisonderwijs nog achter België met 80 procent vrouwen. Het percentage vrouwen in het primair onderwijs is in de OESO-landen gemiddeld 77.

Jongens zouden volgens Tavecchio meer mannen in hun leven moeten hebben, alleen al voor het rolmodel dat ze nodig hebben. Dat geldt zowel voor de voorschoolse- als basisschoolleeftijd, belangrijke vormende perioden in het leven van kinderen. ``Je ziet het al op een kinderdagverblijf met een mannelijke groepsleider. De jongetjes, meisjes trouwens ook, lopen de hele dag achter hem aan. Zo'n man gaat vaak anders om met die jongetjes, stoeit meer met ze en daagt ze meer uit tot exploratief gedrag. Het ontbreken van deze stimulans is een bedreiging voor de ontwikkeling van sommige jongens.''

De feminisering van het onderwijs, zowel in de bemensing als in de sfeer, heeft een pseudo-voordeel gecreëerd voor meisjes, die het nu op school wel heel goed doen, maar nog altijd niet niet in de maatschappij daarbuiten. En daardoor ontstaat zelfs een enigszins irreële sfeer. Jungbluth: ``Meisjes vermoeden dat ze het, ondanks de beloning voor hun ijver op school, toch niet zullen gaan maken in de harde maatschappij. Ook leerkrachten staan ambivalent tegenover de ijverige houding. En jongens hebben op hun beurt ook weer hun twijfels over het nut van bepaalde schoolsuccessen.''

Dat in de laatste dertig jaar veel meer meisjes zijn gaan studeren en tegenwoordig zelfs de meerderheid van de wetenschappelijk studenten van het vrouwelijk geslacht is, is volgens Jungbluth niet zo belangrijk. Want de getalsmatige inhaalslag heeft nog niet geleid tot de maatschappelijk posities die logischerwijs wel zouden moeten volgen. ``Vrouwen kiezen nog steeds voor de studierichtingen en beroepen met minder perspectieven. Bij geneeskunde zijn de vrouwen in de meerderheid, maar chirurgen zijn over het algemeen man. Die parallel vind je in veel beroepen terug. In internationaal opzicht scoort Nederland ook bijzonder laag met vrouwen in hoge posities. Kortom, de positie van meisjes en vrouwen in het Nederlandse onderwijs staat los van de realiteit die na de opleiding volgt. Het onderwijs is een eiland in de maatschappij geworden met zijn eigen normen en waarden. Aangepast gedrag wordt beloond binnen het onderwijs, maar daarbuiten niet. Buiten het onderwijs halen mannen hun vermeende achterstand kennelijk snel in.''

Of de overvloed aan vrouwelijke docenten de belangrijkste factor is in de meisjes-vriendelijke sfeer op school is de vraag. Tavecchio wijst op Amerikaanse en Engelse literatuur waarin een relatie wordt gelegd tussen de achterstand in de schoolprestaties van jongens en het tekort aan mannen voor de klas. Maar Tavecchio is de eerste om te onderkennen dat zoiets heel moeilijk wetenschappelijk is te onderzoeken.

Volgens twee Belgische onderzoeken van de Vrije Universiteit van Brussel heeft de feminisering geen invloed op de prestaties van de Belgische jongens in het voortgezet onderwijs waar 56 procent van de leerkrachten een vrouw is. Wel constateren de onderzoekers een achterstand bij allochtone jongens, maar zij zoeken de oorzaak daarvan bij het milieu waaruit de jongens komen. Daarnaast merken de onderzoekers op dat leerkrachten, of ze nou man of vrouw zijn, `een apart soort mens' vertegenwoordigen: ``Ze zijn verdraagzamer, meer solidair en niet individualistisch ingesteld.''

Paul Jungbluth: ``In het Nederlandse onderwijs heerst een zogenoemde feminiene cultuur zoals die door de socioloog Hofstede is beschreven. Zachte waarden als bescheidenheid, samenwerken, zorg voor anderen en conflictmijdend gedrag worden gewaardeerd. Die waarden zijn zo dominant, dat slechte cijfers te gemakkelijk door de vingers worden gezien. Dat wordt versterkt door het grote aantal vrouwelijke docenten. Ik geef niet de vrouwen de schuld van de achteruitgang van het onderwijs, maar we eisen niet het uiterste van leerlingen en we hebben dubbele normen aangelegd. Meisjes en middenklasse-kinderen zijn geneigd te voldoen aan de geldende norm, ze werken hard en zijn ijverig. Dat wordt in het huidige onderwijs beloond, maar op intellectueel niveau wordt er niet alles uitgehaald. Het eindresultaat is vooral voor kansarme leerlingen desastreus. Ze worden niet verder gepusht. Er heerst een verkeerde vorm van mededogen: `Ach, ze hebben het al zo moeilijk, we gaan het niet moeilijker maken.' In feite geef je een leerling er nog een probleem bij, je daagt het kind niet uit verder te reiken.''

Pedagogisering

Sarah Blom, onderwijskundige en onderzoekster van Instituut voor de Lerarenopleiding (ILO) van de Universiteit van Amsterdam noemt het dan ook niet de feminisering maar de `pedagogisering' van het onderwijs. ``In Nederland heerst de opvatting dat kinderen zich vrij moeten ontwikkelen en dat daar geen druk achter moet zitten. Maar dat heeft inderdaad de keerzijde dat kinderen niet intellectueel verder worden geduwd.''

Het onderzoek `Nieuwe media, nieuwe verschillen' naar het gebruik van computers in het onderwijs bevestigt het idee dat de feminisering van het onderwijs invloed heeft. Volgens dit uit 1999 stammende gezamenlijke onderzoek van het Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam en de afdeling onderwijspedagogiek van de Vrije Universiteit hebben meisjes een duidelijke achterstand in de kennis van elektronische leermiddelen. Jongens krijgen naar hun idee niet het computeronderwijs dat zij graag willen. De onderzoekers zien een belangrijke oorzaak in de vrouwelijke leerkrachten die zelf ook geen kaas hebben gegeten van de computers. Een deel van de jongens leert uiteindelijk thuis met de computer werken, zij doen daar bijvoorbeeld de eerste stappen in het programmeren.

Jungbluth: ``Jongens ervaren op school dat ze niet leren wat ze willen en nemen daardoor het schoolsysteem minder serieus. Klaarblijkelijk is dat niet erg voor de jongens die doorstromen naar de hogere regionen van het voortgezet onderwijs, want die komen er toch wel. Het zijn de kansarme jongens die niet mee kunnen komen en vroegtijdig afhaken. Ze krijgen voortdurend de boodschap dat ze niet voldoen aan de heersende norm. Op straat leren ze echter het tegenovergestelde.''

Uit onderzoek van Sarah Blom naar het functioneren van leerlingen in het Studiehuis op Amsterdamse witte en zwarte scholen voor voortgezet onderwijs komt een soortgelijk beeld naar voren. ``Meisjes presteren niet beter dat de jongens. Ze geven aan zelfstandiger te werken dan jongens en leerkrachten bevestigen dat.'' Opvallend is echter dat meisjes veel onzekerder zijn over hun prestaties dan de jongens. Die jongens doen minder hun best op school en zijn veel meer bezig met het groepsgedrag, maar zij worden wel nog steeds gewaardeerd door het lerarenkorps. Het afzijdige en nonchalante gedrag wordt beloond als een vorm van intelligentie. Sarah Blom: ``Máár, aan de onderkant van het onderwijs is dit gedrag opeens lastig.'' Een ander opvallend feit is dat allochtone meisjes wel goed scoren op het hard en zelfstandig werken, maar er uiteindelijk als slechtste uitkomen in de wiskunde- en de woordenschattest. Sarah Blom: ``Leerkrachten waarderen hun prestaties naar hun inzet en niet naar intelligentieniveau.''

Vrouwen mogen dan getalsmatig hun achterstand hebben ingehaald, volgens Sarah Blom is het aandeel studerende meisjes afkomstig uit een arbeidersmilieu erg klein. ``In vergelijking met bijvoorbeeld Frankrijk is de toename van Nederlandse meisjes in het hoger onderwijs laat op gang gekomen. In Frankrijk is het aandeel arbeidersmeisjes ook aanzienlijk groter.'' In 1965 was in Frankrijk 25 procent van de meisjes in het hogere segment van het voortgezet onderwijs afkomstig uit een arbeidersmilieu. Tegelijkertijd was het aandeel in Nederland 1,9 procent. In 1982 was dat aandeel in Nederland gegroeid naar 7,4 procent waarvan 0,8 procent arbeidersmeisjes naar het gymnasium ging. Een verklaring voor het verschil tussen Frankrijk en Nederland is volgens Blom de meer op prestatie gerichte cultuur van het Franse onderwijs. Fijntjes voegt ze daar aan toe: ``En vrouwen krijgen in Frankrijk ook banen die in verhouding staan tot hun opleiding.''

Het probleem is niet gering. Jungbluth en Blom zijn beiden van mening dat de kwaliteit van het onderwijs in het geding is en daarmee ook het Nederlandse opleidingsniveau. Jungbluth: ``In onze samenleving nemen de kansarme leerlingen in aantal toe. De blanke populatie krimpt en de allochtone populatie breidt zich uit. In internationaal vergelijkende onderzoek worden de prestaties gecorrigeerd naar etnische en economische achtergrond maar dat verbergt de verslechtering van het algemeen gemiddelde.''

Eind januari bevestigden de hoogleraren economie Henriëtte Maassen van den Brink (Universiteit van Amsterdam) en Wim Groot (Universiteit van Maastricht) dit beeld in het onderzoek `Investeren en Terugverdienen' dat ze in opdracht van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt schreven. Ze noemen de prestaties van het Nederlands onderwijs mager en weerleggen het rooskleurige beeld dat jarenlang door het ministerie van Onderwijs naar buiten is gebracht: Nederland presteert in vergelijking met andere ontwikkelde landen heel goed, zeker gezien de lage investering die Nederland in het onderwijs doet. Volgens Maassen van den Brink en Groot kloppen de cijfers van het ministerie niet. Ten eerste worden het hoge percentage vroegtijdig schoolverlaters (10 procent) en het aandeel leerlingen in het speciaal onderwijs (3 procent) niet in de resultaten meegerekend. De schoolverlaters zijn vaak (allochtone) jongens met laagopgeleide ouders. Volgens het onlangs uitgekomen rapport `De staat van het onderwijs' van de Onderwijsinspectie zijn de huidige cijfers over schoolverlaten weinig betrouwbaar, doordat die cijfers door de scholen niet goed worden bijgehouden en doordat verschillende onderzoeken verschillende cijfers opleveren.

VMBO-niveau

Nederland heeft volgens het rapport van Maassen van den Brink en Groot een laag opgeleide bevolking in vergelijking met andere landen. In 2001 had 35 procent van de Nederlandse bevolking in de leeftijd tussen 25 en 64 jaar niet meer dan een opleiding op vmbo-niveau. Ter vergelijking: in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden heeft minder dan 20 procent een vergelijkbare opleiding. Gezien het feit dat zestig procent van de huidige Nederlandse leerlingen in het voortgezet onderwijs het vmbo volgt, zal het aantal laagopgeleide Nederlanders de eerste tijd zeker niet afnemen. Maassen van den Brink en Groot geven ook ondubbelzinnig `ja' als antwoord op de vraag of een laag opgeleide bevolking een probleem is. ``De perspectieven voor het individu en de algehele bevolking zijn lager, zowel economisch als sociaal. Een toename van de gemiddelde opleidingsduur met gemiddeld een jaar heeft al een economische groei van 0.3% tot gevolg.'' Als er niet snel iets gebeurt, is volgens Maassen van den Brink en Groot het predikaat `Nederland kennisland' een uit de lucht gegrepen eufemisme.