De kloof tussen Den Haag en Hollandia

Het scheelde weinig of Pieter Johannes Platteel had zijn ambtstermijn als hoogste gezagsdrager van Nieuw-Guinea niet volgemaakt. Uit archiefmateriaal blijkt dat hij in maart 1962 overwoog zijn functie ter beschikking te stellen. `Hij was oprecht betrokken bij de zaak van de Papoea's.'

Edzo Hendrik Toxopeus had geen enkele belangstelling voor Nieuw-Guinea, toen hij in 1956 lid werd van de Tweede Kamer voor de VVD. Drie jaar later werd hij minister van Binnenlandse Zaken. Tot zijn verrassing behoorde ook het administratieve beheer van Nederlands Nieuw-Guinea tot zijn portefeuille. De politieke zorgen waren voor collega Luns van Buitenlandse Zaken. Tweemaal maakte minister Toxopeus de lange reis naar Nederlands laatste kolonie in de Oost. Nu is hij 85, en thuis in Zoeterwoude haalt hij herinneringen op.

,,Het was natuurlijk een gruwelijk land om te besturen. Een en al oerwoud, vanuit het vliegtuig zag je alleen maar boomtoppen, net bloemkool. Bergpieken met eeuwige sneeuw, heel vreemd vond ik dat voor een land in de tropen. Hoog gelegen valleien, moeilijk bereikbaar. De mensen deden aan vrouwenroof, varkensroof, gingen elkaar constant te lijf, deden aan koppensnellen. Honderd verschillende talen spraken ze. Met de Papoea's in het binnenland konden we niks, maar de mensen langs de kust, die wilden we opleiden.''

Eergisteren, op 1 mei, was het precies veertig jaar geleden dat Nederlands Nieuw-Guinea werd overgedragen aan Indonesië. Een half eiland aan de andere kant van de wereld, onvoorstelbaar groot en onvoorstelbaar woest, met bewoners die in het stenen tijdperk leefden. Een bevolking ,,die op den duur in staat zal worden gesteld zelve over haar toekomst te beslissen'', beloofde koningin Juliana in de Troonrede van 1952. Het liep anders.

De kwestie Nieuw-Guinea leidde tot een van de warmere episodes in de Koude Oorlog, en bracht Nederland op de rand van een echte oorlog met Indonesië. Twaalf jaar lang had Nederland zich verzet tegen Soekarno's claim op het laatste stukje Nederlands-Indië, dat bij de soevereniteitsoverdracht in 1949 was uitgezonderd. Onder zware internationale, met name Amerikaanse druk tekende Nederland op 15 augustus 1962 het Akkoord van New York.

Het akkoord voorzag in een korte overgangsperiode onder gezag van de Verenigde Naties, daarna overdracht aan Indonesië en een volksstemming onder de Papoea's over een eventuele zelfstandige toekomst. Iedereen wist dat die volksstemming, gehouden in 1969, een farce zou worden, maar Nederland had de Papoea's nu eenmaal zelfbeschikking beloofd. Oud-minister Toxopeus nu: ,,Die stemming was een doekje voor het bloeden.''

Zelfbeschikking voor de Papoea's was een geërfd standpunt van Drees en Beel, zegt Toxopeus. ,,We hebben daar uit idealisme aan vastgehouden. Die toezegging was gedaan aan de Papoea's, dat kun je niet verzaken.'' Idealisme is mooi, maar was het niet ook een weigering om afscheid te nemen van Nederland als koloniale grootmacht? ,,Voor mij speelde dat in ieder geval niet, Nieuw-Guinea kostte ons handenvol geld.'' Zeker is dat zulk prestige wel een motief was voor Luns, de personificatie van het Nederlandse verzet tegen overdracht.

De belofte is niet nagekomen. Toxopeus: ,,Een schuldgevoel tegenover de Papoea's heb ik niet meer. Ik denk wel dat ik het heb gehad, maar dat zakt weg in de tijd. Ik durf niet te zeggen of we onze belofte hadden kunnen nakomen. We konden niet écht een oorlog voeren. Als de Amerikanen hun steun niet hadden ingetrokken, dan wel. Anders hadden we het nog geen week volgehouden, nog geen vier dagen. Bedenk wel, de Russen hadden daar flink wat in het water liggen.''

Infiltraties

Elegant vertrekken uit een kolonie is niet makkelijk, een kolonie in de slotfase besturen evenmin. Zeker niet als er een oorlog dreigt. En als de belangen van politici in het moederland dan ook nog eens botsen met die van de bestuurders ter plaatse, wordt het helemaal lastig.

Dat was de situatie voor Pieter Johannes Platteel, gouverneur van Nederlands Nieuw-Guinea van 1 mei 1958 tot 1 oktober 1962. Platteel (1911-1978) was opgeleid als Indoloog, gepromoveerd bij de beroemde professor Gerretson en voorafgaand aan zijn gouverneurschap al lange tijd werkzaam in Nederlands-Indië. De regering verleende hem eervol ontslag ,,onder dankbetuiging voor gewichtige diensten door u in moeilijke omstandigheden bewezen''. Het scheelde weinig of de gezagsgetrouwe, streng-protestantse Platteel had zijn ambtstermijn, als gevolg van die moeilijke omstandigheden, niet volgemaakt. Uit onlangs openbaar geworden archiefmateriaal blijkt dat de hoogste gezagsdrager van Nieuw-Guinea in maart 1962 serieus overwoog zijn functie ter beschikking te stellen. Hij wilde niet langer de verantwoordelijkheid dragen voor het Nederlandse beleid.

Begin 1962 was de situatie in Nieuw-Guinea, en de relatie tussen Nederland en Indonesië, uiterst gespannen. Dagelijks voerden Indonesische militairen `infiltraties' uit, vooral bedoeld om de Papoea's tegen de Nederlanders op te zetten. Bijna 10.000 Nederlandse militairen hadden de taak deze infiltraties te bestrijden, vanaf 1960 werd de marine bijgestaan door landmacht en luchtmacht. Half januari was er de Slag bij Vlakke Hoek: een Indonesische motortorpedoboot werd tot zinken gebracht door een Nederlandse onderzeeër, waarbij 33 Indonesiërs omkwamen. Soekarno speculeerde in toespraken over een grote aanval op Nieuw-Guinea, de Nederlanders verwachtten die aanval begin april.

Gouverneur Platteel voelde zich in de eerste plaats verantwoordelijk voor `zijn' mensen, de honderden Nederlandse bestuursambtenaren en hun gezinnen die in kleine plaatsen langs de hele kustlijn werkten. Ver weg van de Jachtclub, het sociale leven en het relatieve comfort in hoofdstad Hollandia het huidige Jayapura – moesten zij het Nederlandse gezag overeind zien te houden, terwijl het steeds duidelijker werd dat de zaak op z'n eind liep. Toxopeus benijdde hen niet toen hij in 1961 per Cessna diverse dorpen bezocht: ,,Je zult maar resident zijn in Manokwari, met alleen een stelletje lokale marechaussees tot je beschikking.''

Toxopeus' rechterhand inzake Nieuw-Guinea was staatssecretaris Theo Hendrikus Bot, een KVP'er met veel ervaring als bestuursambtenaar op Java. Aan het einde van een bezoek aan Nieuw-Guinea, begin februari 1962, ontving Bot van Platteel een nota waarin deze waarschuwt voor de afnemende motivatie bij de ambtenaren. Met name het personeel aan de zuidkust, dichtbij Indonesië, voelt zich onveilig. Bot vindt dat de ambtenaren niet moeten zeuren en gewoon hun taken moeten blijven vervullen.

Vanaf dat moment wordt de intensieve correspondentie tussen Platteel en Bot grimmiger van toon. Vrijwel dagelijks, soms meerdere keren per dag, werden zogenoemde codeberichten heen en weer geseind tussen het gouverneurskantoor in Hollandia en het ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag. Ze zijn voorzien van een stempel `geheim' of `zeer geheim', en sinds kort in te zien. Begin maart ontving het Nationaal Archief het 340 meter tellende archief van het Kabinet van de Minister-President, gevormd door twaalf minister-presidenten in de periode 1942-1979.

Verkeerd signaal

Ook al blijft de toon van de berichten formeel, beide correspondenten kunnen hun groeiende irritatie niet verhullen. Platteel verlangt twee dingen van de Nederlandse regering en blijft daar wekenlang om vragen: toestemming om vrouwen en kinderen van bestuursambtenaren aan de zuidkust te evacueren, en militaire versterkingen. Dat laatste moet Indonesië duidelijk maken dat het Nederland ernst is met de verdediging van Nieuw-Guinea en zal het moreel van de ambtenaren opvijzelen, aldus Platteel.

Bot weigert beide verzoeken. Evacuatie geeft een verkeerd signaal af, schrijft hij op 20 februari. ,,Het aldus langs indirecte weg het sein op onveilig zetten, (zodat men een min of meer geruisloos en geleidelijk tijdig een goed heenkomen in nederland kan zoeken), zal niet alleen in n.n.g. [Nederlands Nieuw-Guinea, red.] en in nederland, doch ook in de v.s. en elders worden geïnterpreteerd als het ingaan van de laatste fase door de nederlandse regering waarin de nederlanders zich van n.n.g. beginnen te distanciëren.'' En dat komt de onderhandelingspositie van Nederland niet ten goede.

Op 12 maart schrijft Bot waarom ook Platteels andere verzoek niet zal worden ingewilligd. Luns heeft die dag in de ministerraad verteld dat president Kennedy hem heeft toegezegd dat niet-autochtone burgers bij een Indonesische aanval zullen worden beschermd en geëvacueerd. ,,De zevende vloot kreeg inmiddels opdracht hiervoor de nodige contingency-planning op te stellen.'' Als tegenprestatie verlangen de Amerikanen dat Nederland geen extra troepen naar Nieuw-Guinea stuurt. De Amerikaanse toezegging moet bovendien strikt geheim blijven. Het kabinet heeft besloten om aan beide verzoeken te voldoen, aldus Bot.

De reactie uit Hollandia is opmerkelijk. Platteel, tegen de zin van Luns ingelicht door Bot, blijkt allerminst gerustgesteld door het prachtige Amerikaanse aanbod. Integendeel. Die Amerikaanse steun is eerder humanitair dan militair, vermoedt Platteel, en komt hoe dan ook te laat als mensen pas na een eerste aanval mogen worden geëvacueerd. Bovendien: als die steun geheim moet blijven, werkt het voor Indonesië niet als afschrikmiddel en ,,is zij voor militaire situatie van onwaarde''. Platteel voorziet dat de burgerbevolking aan de zuidkust in april groot gevaar zal lopen. Zonder evacuatie en versterkingen is hun veiligheid niet gewaarborgd.

En die constatering brengt Platteel tot zijn slotoverweging, die bij ontvangst in Den Haag moet zijn ingeslagen als een bom. Platteel schrijft aan Bot: ,,Althans als uitvoerder van thans door de regering aangegeven beleid valt het mij zodanig zwaar hiervoor medeverantwoordelijkheid [te] dragen en worden mijn uitlatingen en gedragingen conform de regeringspolitiek zo onwaarachtig, dat ik in geweten de vraag in beraad heb genomen, welke consequenties ik er uit dien te trekken.'' Had Platteel besloten om op te stappen, dan had dat vrijwel zeker geleid tot een kabinetscrisis. De startpositie van Nederland bij de onderhandelingen met Indonesië in het Amerikaanse Middleburg, die zes dagen later zouden beginnen, zou er ernstig door zijn verzwakt.

Kabinetscrisis

Platteel bleef aan. Kennelijk kreeg hij zijn gewetensconflict onder de knie. Of hij dat deed op eigen kracht of onder druk uit Den Haag, laat zich moeilijk reconstrueren. Zowel Platteel als Bot is overleden. Dat het kabinet een sterk moreel appèl deed op Platteel om toch vooral aan te blijven, blijkt uit Bots telegram van 15 maart. ,,De minister en ik hebben volkomen begrip voor uw moeilijkheden en voor uw gewetensconflict. Ook in de ministerraad hebben meerdere ministers zich afgevraagd of zij – op verschillende momenten en om verschillende redenen – nog wel de verantwoordelijkheid voor de nieuw-guinea-politiek zouden kunnen dragen. Steeds heeft de doorslag gegeven het argument dat de papoea's en de nederlanders in n.n.g. allerminst gediend zouden zijn met een kabinetscrisis. [...] Wij behoeven u niet te zeggen, dat indien u zou menen op dit moment te moeten stellen dat u niet langer de verantwoordelijkheid kunt dragen voor de uitvoering van het beleid als uitgestippeld door de nederlandse regering zulks mutatis mutandis dezelfde desastreuze gevolgen zou hebben voor land en volk van n.n.g als een kabinetscrisis.'' Kortom: Den Haag verzoekt u dringend uw gewetensconflict opzij te zetten en op uw post te blijven.

Hierna komt de kwestie niet meer ter sprake. In de correspondentie ontbreken enkele codeberichten, mogelijk zijn ze wegens verhoogde gevoeligheid elders in het archief opgeslagen, dat was met Bots Amerikaanse toezegging en Platteels hartekreet ook het geval. Op 22 maart spreekt Platteel nog subversief van ,,toenemende lusteloosheid van wachten op het einde'', daarna bericht hij vooral over Indonesische propaganda die via de radio tot de Papoea's komt.

In de literatuur over Nieuw-Guinea speelt Platteel een zeer bescheiden rol. In een interview met onderzoeker Ronald Gase, gepubliceerd in 1984, is oud-premier De Quay zo stellig dat het bijna verdacht is: ,,Dr. Platteel zat volledig op de lijn van het kabinet en stond dus geheel achter het door het kabinet ten aanzien van Nieuw-Guinea gevoerde beleid.'' Gase wijdde in 1987 een artikel in Vrij Nederland aan een volgende botsing tussen Platteel en de Nederlandse regering, naar aanleiding van de terugkeer naar Nederland van Platteels echtgenote op 24 augustus 1962, vijf weken voor het verstrijken van haar mans ambtstermijn. Bot vond dit getuigen van een defaitistische houding, en een slecht voorbeeld voor de ambtenaren die tijdens de overgangsperiode moesten blijven doorwerken.

Toxopeus, die van zijn staatssecretaris Bot gehoord moet hebben over Platteels dreiging om ontslag te nemen, kan zich de kwestie niet herinneren. Een anekdote heeft hij wel. ,,Platteel was een strenge, rechtlijnige man, die enige strafheid onder het personeel moest brengen na zijn voorganger Van Baal, die heel vriendschappelijk met iedereen omging. Platteel maakte zijn reputatie meteen waar door te laten weten dat hij bij aankomst op het vliegveld in jacquet ontvangen wenste te worden. Ha, op heel Nieuw-Guinea was maar één jacquet en dat zag groen van verwording!'' Platteel liep ondanks de hitte graag in ambtskostuum, aldus Toxopeus.

Jos Frans Amapon Marey, nu 62 en wonend in Den Haag, werd als jonge Papoea opgeleid tot bestuursambtenaar en was in 1962 assistent van Bot in Hollandia. Hij bevestigt de wrijving tussen de protestantse gouverneur en de katholieke staatssecretaris, die geregeld tot conflicten leidde. Marey: ,,Platteel was geen aimabele man, erg strak en to the point. Afspraak is afspraak, te laat komen vond hij vreselijk. Maar hij was oprecht betrokken bij de zaak van de Papoea's. Anders dan Van Baal, die het heeft laten sloffen, heeft Platteel vaart gezet achter de Nieuw-Guinea Raad, een belangrijke stap op weg naar zelfbeschikking.''

Zelf beschouwde Platteel de installatie van de Nieuw-Guinea Raad, die fungeerde als volksvertegenwoordiging van de Papoea's, als de belangrijkste gebeurtenis uit zijn bestuursperiode. Ook na zijn vertrek uit Nieuw-Guinea bleef Platteel betrokken bij de zaak van de Papoea's, bijvoorbeeld door steun tijdens het referendum in 1969. Terug in Nederland werd hij burgemeester van Ede (Toxopeus: ,,Daar heb ik voor gezorgd, die gemeente sloot aan bij zijn geloofsovertuiging. Eerst was ie er niet erg blij mee, later wel.'') en Hilversum.

Staatsbelang

Wat vooral duidelijk wordt uit de aanvaring tussen Bot en Platteel, is de afstand tussen Den Haag en Hollandia. Ook al werd er druk getelegrafeerd, en verzorgde de KLM een veelgebruikte dienst tussen Biak en Amsterdam, de horizon zag er hier heel anders uit dan daar. Bot in casu de Nederlandse regering – keek naar het staatsbelang en de wereldpolitiek: wat valt er nog te redden in de door Amerika afgedwongen onderhandelingen met Indonesië? Platteel keek naar het belang van zijn ambtenaren en hun gezinnen: hoe kunnen zij het beste worden beschermd tegen een dreigende Indonesische aanval?

De blik van Platteel lijkt beperkter, maar hij zag het toch beter dan de Haagse politici. Zijn scepsis ten aanzien van de Amerikaanse toezeggingen was terecht, anders dan de ministers liet hij zich niet leiden door wishful thinking. Niet voor het eerst was het beeld inzake Amerikaanse steun dat minister Luns zijn collega's voorschotelde optimistischer dan gerechtvaardigd.

Dat bleek drie weken later, op 2 april 1962, toen Kennedy zijn befaamde brief aan De Quay stuurde, waarin Nederland werd opgeroepen akkoord te gaan met het plan-Bunker, het Amerikaanse bemiddelingsvoorstel. Toxopeus kan er veertig jaar later nog boos om worden. ,,De Amerikanen hebben ons belazerd. Kennedy en zijn broer hadden ons eerder moeten waarschuwen dat ze hun steun introkken, op een andere manier, niet met dat Bunker-gedoe. Ik ben er niet anti-Amerikaans van geworden, wel anti-Kennedy.''

Platteel, de man ter plaatse, wist het al op 14 maart: ,,Los nog van vorenstaande veroorloof ik mij als mijn visie voordragen dat de Nederlandse onderhandelingspositie thans reeds zodanige is dat van onderhandelen geen sprake meer kan zijn doch alleen van alleen van toegeven''. De politici in Den Haag en de diplomaten in Middleburg hadden nog vijf maanden nodig om tot dezelfde conclusie te komen.