De DNA-dame

In 1953 stierf Stalin en eindigde de oorlog in Korea. 1953 was ook het jaar waarin Watson en Crick hun structuur voor DNA publiceerden. Biologen denken dat over 500 jaar alleen DNA nog in de geschiedenisboeken zal staan. De Britten vinden zelfs dat die elegante DNA dubbel helix – `de Mona Lisa van de wetenschap' de grootste ontdekking is van de 20ste eeuw, maar dat is nauwelijks verbazingwekkend, chauvinistisch als Britten zijn. De DNA-structuur is opgehelderd in Londen en Cambridge, Engeland; en het fameuze stuk van Watson en Crick, waarin die structuur wordt beschreven, is in het Engelse tijdschrift Nature gepubliceerd.

Vandaar dat de Britten 50 jaar DNA groots vierden met als hoogtepunt een diner voor 400 genodigden in het centrum van Londen. Tony Blair kwam niet opdagen, maar zijn minister voor Wetenschap en Innovatie gaf een mooie speech, waarin hij een rechte lijn trok tussen het fundamentele onderzoek aan DNA en de sterke positie van Engeland in de biotechnologie industrie, tweede in de wereld na Amerika. Wat een verademing om een wetenschapsminister voor sterk basaal onderzoek te horen pleiten: ``Als we de grondregels van de natuur niet kennen, kunnen we geen technologische oplossingen vinden.'' Hadden wij maar zulke welbespraakte, goed geïnformeerde wetenschapsministers, dan zou er niet voortdurend op onderwijs en wetenschap beknibbeld worden.

Van het gouden duo Watson en Crick was alleen Watson aanwezig. Crick was te krakkemikkig om te reizen. Watson was pas 25 toen hij zijn DNA-ontdekking deed en op zijn 75ste wist hij zijn reputatie als enfant terrible nog aardig waar te maken: ``Toen hij Francis Crick ontmoette, was religie uit; ze moesten zelf uitvinden hoe de wereld in elkaar stak.'' Hij ziet ook brood in eugenetica: ``Waarom zouden wij niet pogen om betere kinderen te krijgen als de wetenschap ons daartoe in staat stelt?''

Hoewel het belang van de Watson-Crick DNA-structuur nooit in twijfel is getrokken, is er wel van meet af aan discussie geweest over de gebrekkige wijze waarop Watson en Crick de bijdragen van anderen aan hun werk hebben erkend. In hun Naturestuk in 1953 wordt zelfs niet verwezen naar het werk van Oswald Avery, die als eerste, in de jaren veertig, erop wees dat erfelijke informatie vastgelegd is in DNA en niet in eiwit. Wel kon er een bedankje af voor Jerry Donohue, de chemicus die Watson vertelde dat hij de verkeerde structuur gebruikte voor zijn DNA-bouwstenen. De DNA-basen A, T, G en C komen in twee vormen voor, keto en enol, en alleen de keto-vorm past in een DNA dubbel helix, niet de enol-vorm die Watson uit een verouderd leerboek had gehaald. Twintig jaar later schreef Donohue, niet zonder rancune, dat Watson en Crick hun helixmodel nooit hadden kunnen maken zonder zijn hulp. Dat lijkt mij overdreven. Watson en Crick zijn praters, dat weet ik uit eigen ervaring, ze waren constant in discussie met iedereen die horen wilde. Als Donohue hen niet op het rechte spoor had gezet, had iemand anders het wel gedaan. Het was immers al bekend dat in DNA altijd even veel A als T zit, en evenveel G als C. Eens waren ze er achtergekomen dat A niet met T een basepaar in de helix kan vormen als je de verkeerde structuur gebruikt.

Wie aanvankelijk meer te kort is gekomen bij het toekennen van de glorie voor de DNA-structuur, is Rosalind Franklin, zoals recent nog eens met verve is beschreven door Brenda Maddox in een forse biografie, die vorig jaar bij Harper Collins in Engeland is verschenen. Franklin was het die de schitterende röntgendiffractiefoto's maakte, waaruit Watson en Crick konden afleiden dat DNA een dubbel helix is en hoe die helix er globaal uit zou moeten zien. Eén van die foto's kreeg Watson te zien van Maurice Wilkins, die in King's College London aan DNA werkte, net als Franklin. Bovendien kregen Watson en Crick een intern rapport van King's College in handen, waarin belangrijke DNA-informatie stond. Later zouden Watson en Crick toegeven dat ze zonder de gegevens van Franklin hun model niet hadden kunnen maken. Hun stuk in Nature was dus mede gebaseerd op ongepubliceerde resultaten van concurrent Rosalind Franklin, die zij niet van Franklin zelf hadden gekregen. Dat is onacceptabel, naar huidige maatstaven.

Er is veel gespeculeerd over de vraag of Franklin zelf de dubbel helixstructuur had opgelost, als Watson en Crick dat niet hadden gedaan. Ik denk het niet. In de dichotomie Apollinisch-Dionysisch vertegenwoordigt zij bij uitstek de Apollinische kant van het onderzoekersspectrum. Uit de biografie van Maddox blijkt dat zij een excellente onderzoekster was, uiterst zorgvuldig en systematisch, maar wars van wilde speculaties. Zij wantrouwde intuïtie. Haar reactie op het Watson-Crick model was typerend: ``Heel mooi, maar hoe gaan ze bewijzen dat de structuur er werkelijk zo uitziet?'' Dat bewijs is ook pas jaren later geleverd. Uit de historische gegevens blijkt ook niet dat Franklin zwaar was aangeslagen door de coup van Watson en Crick. Zij correspondeerde na 1953 veel met beide heren over haar werk en logeerde bij Crick en zijn vrouw. Nergens blijkt enige rancune dat Watson en Crick `haar' DNA-structuur hadden opgelost.

Toen Watson, Crick en Wilkins in 1962 de Nobelprijs kregen, was Franklin al vier jaar dood, op haar 37ste geveld door ovariumkanker. Dat bespaarde het Nobelcomité een moeilijke beslissing, want de prijs kan maximaal in drieën. Franklin had bij haar dood al een grote reputatie in twee andere gebieden: de structuur van de koolstof en de structuur van virussen. Was zij niet zo jong overleden, dan had ze wellicht gedeeld in de Nobelprijs van haar naaste medewerker Aaron Klug in 1982.

Ook voor haar rol in de ontdekking van de structuur van DNA krijgt Franklin nu ruimhartiger erkenning dan voor haar dood. Bij de viering van het 50-jarige DNA-jubileum werd haar naam in één adem genoemd met die van Watson, Crick en Wilkins. King's College in Londen, waar Franklin twee jaar onder moeizame omstandigheden DNA-onderzoek deed, heeft een nieuw gebouw naar Franklin en Wilkins genoemd. De Royal Society heeft de viering van 50 jaar DNA-structuur aangegrepen om een Rosalind Franklin Award in te stellen `for promoting women in science, engineering and technology'. Dat is wel wat laat. De Universiteit van Groningen heeft al jaren een Rosalind Franklin Fellowship.

Aan het diner van de Royal Society schoven naast de academische royalty, voornamelijk mannen met heel oud DNA in hun cellen, ook wat briljante jonkies aan. Ik zat naast een neurobiologe, die drie jaar vrij had genomen om twee kinderen te baren en die nu was teruggekeerd naar het lab. Zij had een Daphne Jackson Fellowship bemachtigd, genoemd naar de eerste vrouwelijke natuurkundehoogleraar in Engeland. Zo'n fellowship (acht per jaar) geeft vrouwen met een jong gezin de kans om in eigen tempo (deeltijd) het wetenschappelijke werk weer op te pakken. Iets voor NWO? Zij hief braaf het glas toen de president van de Royal Society `the royal toast' uitbracht. Rebels zijn ze niet, die jonge Engelse onderzoekers.

De fascinerende Rosalind Franklin-biografie laat nog eens zien hoe treurig de academische positie van vrouwen was in de eerste helft van de vorige eeuw. Toen Franklin in 1938 naar Cambridge University ging,was er een vrouwenquotum; 10 procent van de totale studentenpopulatie was het maximum aantal vrouwen dat Cambridge kon verdragen. Vrouwen konden geen formele academische graad krijgen, alleen een titulaire. Zelfs in 1951, toen Franklin een stafbaan kreeg in King's College London, waren er nog stafruimten die niet voor vrouwen toegankelijk waren. Aan het eind van de jaren zestig, toen ik nogal eens langs ging bij collega's in Londen, was het trouwens nog een nieuwtje dat vrouwen in alle stafruimten werden toegelaten. Tevergeefs heb ik toen geprobeerd om een bordje `staff only' van een wc-deur te schroeven om als trofee mee terug te nemen naar de gedemocratiseerde Nederlandse universiteit. Die wc mocht niet door promotie-assistenten gebruikt worden, ook niet door mannelijke. Er is wel iets verbeterd in de universiteit in de afgelopen vijftig jaar.