Bloed en bodem van de Ba'ath

De bevrijding van Irak begon met het omverhalen van de standbeelden van de grote leider. Maar voor de wederopbouw van het land is het essentieel om af te rekenen met de perfide denkbeelden van Michel Aflaq, de grondlegger va de Ba'ath-partij en de inspirator van Saddams moordzucht.

Dat de Parijse Sorbonne de meest meedogenloze ideologen van de wereld heeft gevormd, is genoegzaam bekend.

Iedereen kent Pol Pot, de architect van de killing fields van Cambodja, Abimael Guzman, de leider van de maoïstische terreurbeweging Lichtend Pad in Peru, en de Soedanees Hassan al-Turabi, die in de jaren negentig aan de wieg stond van

de Fundamentalistische Internationale waartoe ook Osama bin Laden behoorde. Allemaal behaalden ze hun graad of doctorstitel aan de oevers van de Seine. Er is echter één naam die meestal wordt vergeten. En dat is die van Michel Aflaq, de kampioen van het Arabisch nationalisme.

Het was Aflaq, een Syrische intellectueel en politiek agitator, die de Ba'ath-partij oprichtte, een partij die in zowel Syrië als Irak aan de macht kwam. Hij was het die de Ba'ath-ideologie formuleerde als een soort Arabisch fascisme, waarin de Arabieren figureren als Übermenschen en geweld wordt

verheerlijkt. En het was Aflaq, die de jonge Saddam Hussein stimuleerde om carrière te maken binnen de partij, zodat Saddam na zijn staatsgreep in 1979 verklaarde: 'Hoe kan ik ooit vergeten wat Michel Aflaq voor mij heeft gedaan? Was hij er niet geweest, dan had ik nu niet deze positie bekleed.'

Wie het fenomeen Saddam wil doorgronden, kan niet om Aflaq heen. Hij voorzag Saddam van een ideologie die zijn meedogenloosheid niet slechts legitimeerde, maar zelfs aanmoedigde. Als Saddam sprak over de Moeder Aller Veldslagen, dan had hij het in feite over 'de eeuwige strijd', die de ware Ba'athist volgens Aflaq moest voeren, als een vorm van innerlijke reiniging. Het Irak van Saddam, met zijn persoonsverheerlijking en institutionalisering van geweld, was in vele opzichten de concrete uitwerking van Aflaqs gedachtengoed.

Het is een erfenis die slechts ten dele vernietigd kon worden door Amerikaanse smart bombs en Abram-tanks, want Aflaqs ideeën hebben zich via Saddams terreur en indoctrinatie stevig genesteld in de mentale wereld van het Iraakse volk. En dat zullen de Amerikanen terdege moeten beseffen als zij de wederopbouw van Irak tot een succes willen maken. De 'de-saddamisering' van Irak is meer dan alleen het omtrekken van standbeelden; het komt veel meer aan op de uitroeiing van Aflaqs perfide ideologie.

Mussolini

Michel Aflaq werd in 1910 in Damascus geboren als telg uit een gegoede Grieks-orthodoxe familie. In 1929 vertrok hij naar Parijs om filosofie te studeren, samen met de Syrische soenniet Salah al-Din Bitar, die later zijn politieke compagnon en de medeoprichter van de Ba'ath-partij zou worden. Aan de Sorbonne viel Aflaq gretig aan op de boeken van Marx, Nietzsche, Rousseau en nationalisten als Mazzini. Aflaq raakte geobsedeerd door Mussolini's fascisme en de opkomst van Hitler in Duitsland. Maar Aflaq bewonderde ook Lenin, met name de wijze waarop deze de Communistische Partij in de Sovjet-Unie had georganiseerd. Later zou ook de Ba'ath-partij worden opgezet volgens een cellenstructuur.

Aflaq nam zijn ideeën mee terug naar Syrië, dat in de jaren '30 en '40 nog Frans mandaatgebied was. Het land was het

levende bewijs van alles wat er mis was gegaan met de Arabieren. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog in 1918 hadden de Britse en Franse legers de Arabische wereld opgedeeld in

invloedssferen. Op de puinhopen van het verslagen Ottomaanse Rijk waren nieuwe staten als Syrië, Irak, Jordanië

en Palestina verrezen, niet omdat de Arabieren die daar woonden dat wilden, maar omdat dat strookte met de imperialistische ambities van de overwinnaars. De merkwaardig getrokken grenzen hadden van Syrië en Irak landen zonder identiteit gemaakt, giftige cocktails van minderheden die

elkaar haatten.

In Damascus ontpopten Aflaq en Bitar zich als politieke agitatoren. Hun aanstelling als docent aan de Tajhiz-school, het Eton van Syrië in die dagen, gebruikten ze om studenten te mobiliseren tegen de Franse overheersers. Maar het verjagen van de kolonisator was volgens Aflaq niet voldoende om de Arabieren hun verloren glorie terug te geven. Nee, niets minder dan een Arabische renaissance het Arabische woord daarvoor is ba'ath was nodig. Hij streefde naar afschaffing van de verdeeldheid in de Arabische wereld en het creëren van een nieuwe Arabische mens die onvoorwaardelijk geloofde in de superioriteit van zijn ras. 'Bij het nationalisme waartoe

wij oproepen, komt liefde op de eerste plaats', schreef Aflaq lyrisch. 'En hij die lief heeft, vraagt niet om redenen.'

De Ba'ath-partij werd officieel opgericht in 1947. Het koffiehuis waar Aflaq en de zijnen regelmatig bijeenkwamen, is er nog steeds. Wie bij Café Havana in Damascus de spaarzaam bezette tafeltjes met zwijgende, waterpijp rokende mannen beziet, kan zich moeilijk voorstellen dat het hier ooit zinderde van politiek. Toch kwamen in de jaren veertig en vijftig studenten vanuit Syrië, Irak en andere Arabische staten hierheen om te luisteren naar 'de professor', zoals Aflaq werd genoemd. Men herinnert zich een kleine, grijzende, ascetisch levende man die altijd een fez op het hoofd droeg, waarschijnlijk om zijn geringe lengte te compenseren. Hij was een begenadigd spreker, die de theatrale pauze als geen ander

beheerste. Zijn discipelen hingen aan zijn lippen.

Een van hen was Hafez al-Assad, die in 1970 de macht zou grijpen in Syrië. Hij trad toe tot de partij toen hij 27 jaar was. Maar ook de 22-jarige Saddam Hussein moet zijn opwachting hebben gemaakt in Café Havana, kort nadat hij Irak in 1959 was ontvlucht wegens zijn aandeel in een moordaanslag op de Iraakse president Abd al-Karim Qasim. Hoewel Aflaq aanvankelijk beweerde dat hij zich niet kon herinneren Saddam indertijd te hebben ontmoet, was hij later zo geporteerd van de jonge Ba'athist dat hij hem in 1964 promoveerde naar het Regionaal Commando van de partij in Irak. In de meeste

Arabische landen had de Ba'ath 'regionale commando's' die in theorie, maar zelden in praktijk, gehoorzaamden aan het

Nationale Commando dat onder leiding stond van Aflaq.

Duistere belangen

Onder de regimes van Assad en Saddam verscheen de slogan van de Ba'ath op elke muur: 'Eenheid, Vrijheid, Socialisme'. Eenheid (wahda) stond voor de eenheid van alle Arabieren, van de Atlantische Oceaan tot de Golf. Wilde de Arabische natie als een feniks herrijzen, dan was het noodzakelijk de kunstmatig getrokken koloniale grenzen te slechten. Onder vrijheid (hurriyya) verstond Aflaq beslist geen individuele vrijheid, maar vrijheid van vreemde overheersing, of deze nu

militair, politiek of cultureel van aard was. In dit verband beschouwde hij Israël als een 'kruisvaardersstaat' die slechts de duistere belangen van de westerse imperialisten diende.

Maar de Arabieren moesten zich ook losmaken van de traditionele ketenen die de ontwikkeling van de maatschappij belemmerden, zoals tribalisme en onderdrukking van vrouwen. Vrouwenemancipatie is inderdaad een opvallend fenomeen in de steden van Syrië en Irak. Daar is het normaal een ongesluierde bedrijfsleidster in legging te treffen. In Syrië krijgen meisjes die toetreden tot de Voorhoede van de Ba'ath, een soort Assad-Jugend, zelfs de volgende richtlijn mee: 'Als een meisje erop aandringt haar hoofddoek op te houden, toont ze daarmee haar reactionaire houding, en dat is niet in lijn met onze boodschap van Eenheid, Vrijheid en Socialisme.'

Wie de ware essentie van Aflaqs boodschap wil doorgronden, moet echter door deze slogan heen kijken. Vanuit Aflaqs essays, waarvan de meeste zijn gepubliceerd onder de titel

Fi Tariq al-Ba'ath (Op de Weg van de Ba'ath), stijgt namelijk een waar Blut-und-Boden-Arabisme op, dat zowel pathetisch als totalitair is. Neem Aflaqs visie op de verspreiding de Ba'ath-gedachte, 'het geloof in de eeuwige missie van die

Arabische natie', dat hij de 'idee' noemt. 'De natie is geen

numerieke som van individuen, maar een ”idee” dat wordt belichaamd in de gehele natie of een deel daarvan', stelt hij. 'Naties worden niet vernietigd door een reductie van het aantal leden, maar doordat de ”idee” onder hen wordt verstikt.'

De leider, die bij Aflaq een soort Arabische Führer is, speelt daarbij een belangrijke rol. Als de meerderheid van de bevolking de 'idee' afwijst, moet de leider, volgens Aflaq, niet streven naar consensus, maar juist naar het opleggen van de gewenste denkbeelden. 'De leider is de meester van de ”idee” ', stelt Aflaq, 'en hij werpt iedereen ter zijde die dat tegen-spreekt'. Het is niet moeilijk een voorstelling te maken van de praktische invulling van deze kille woorden in Ba'athistische heilstaten als Syrië en Irak. Zelfs de moord op 180.000 Iraakse Koerden in 1987-89, die etnisch gezien toch al waardeloos waren voor de Ba'ath, wordt erdoor gelegitimeerd.

Seculiere partij

Algemeen wordt aangenomen dat de Ba'ath een seculiere partij is die moslims en christenen verbindt op basis van het idee dat 'we toch allemaal Arabieren zijn' en religie naar de achtergrond dringt. Op grond daarvan wordt ons door menig Midden-Oostenexpert voorgehouden dat de goddeloze Saddam en de islamist Osama bin Laden nooit bondgenoten kunnen zijn, omdat ze elkaar ideologisch zouden uitsluiten. In werkelijkheid ligt de zaak genuanceerder. Aflaq ziet de islam

namelijk helemaal niet als een bedreiging van de Ba'ath-ideologie, maar juist als 'de sterkste expressie van de totale eenheid van de Arabische persoonlijkheid'.

De profeet Mohammed verschijnt bij Aflaq als een 'super-Arabier', terwijl hij stelt dat God de Arabieren als 'superras' heeft uitverkoren als de uitdragers van zijn boodschap. In dit verband waren Saddams oproepen tot jihad tegen de goddeloze indringers uit het Westen dus niet zo opportunistisch als ze in eerste instantie leken. Integendeel, hij betoonde zich

gewoon een goede leerling van zijn politieke mentor.

Het was natuurlijk opmerkelijk uit de mond van Aflaq, een christen, zulke loftuitingen op de islam te horen. Zijn politieke tegenstanders spraken dan ook smalend van 'Mohammed Aflaq'. In feite heeft Aflaq nooit een grote aanhang gehad buiten de enge kring van Ba'athisten. Als politicus was hij een flop. Na zich drie keer tevergeefs kandidaat te hebben gesteld voor het Syrische parlement, gaf hij de moed op. Zijn enige hoop op politieke invloed was meeliften met een van de vele staatsgrepen die in Syrië in de jaren vijftig en zestig plaatsvonden, maar zelfs dat liep uit op een fiasco. Toen de Ba'ath in 1963 in Damascus de macht greep, werd de grondlegger nota bene zijn eigen partij uitgewerkt, terwijl de jonge putschisten onder leiding van Assad met zijn ideeën aan de haal gingen. De Syrische Ba'athisten zijn overigens nooit zo dogmatisch geweest als hun Iraakse kameraden.

Na omzwervingen via Libanon en Brazilië vond de verbitterde Aflaq in 1968 een thuis in Irak, waar zijn discipel

Saddam inmiddels de macht had gegrepen. Met een onderbreking van vier jaar heeft Aflaq tot aan zijn dood in 1989 in Bagdad gewoond.

Het was een opmerkelijke verbintenis. Saddam en Aflaq waren in alle opzichten elkaars tegenpolen. De tengere, wat zweverige bourgeois-filosoof uit Damascus liet zich moeilijk vergelijken met de ruw besnaarde Saddam uit Tikrit, die inmiddels een geduchte reputatie als een meedogenloze moordenaar had opgebouwd.

Voor Saddam was Aflaqs komst politiek handig. De Amerikaanse historicus Edward Mortimer maakte in dit verband een vergelijking met Stalin: 'Saddam zag in Aflaq een levende Lenin die hij bij gelegenheid naar buiten kon rollen om zijn beslissingen te bevestigen.' Van zijn kant belandde Aflaq om puur pragmatische redenen in Bagdad. Na het verraad door zijn Syrische kameraden in 1971 liet Assad hem zelfs bij verstek ter dood veroordelen bleef Saddams Irak over als de enige staat waar zijn revolutie nog kans van slagen had.

Aan het hoofd van het tandeloze Nationaal Commando van de partij had Aflaq echter geen enkele macht.

Achteraf gezien kun je stellen dat Aflaq door zijn aanwezigheid medeschuldig was aan de misdaden die Saddam uit naam van de Ba'ath-revolutie heeft gepleegd. Zo was een van de meest opzienbarende daden van het nieuwe regime de openbare ophanging op 27 januari 1969 van veertien 'zionistische spionnen', onder wie negen Iraakse joden. Het spektakel vond plaats op het Tahrir-plein in het centrum van Bagdad, waar vrijwilligers van de Ba'ath-partij veertien galgen oprichtten met een interval van zeventig meter, zodat

iedereen ze goed kon zien.

De executies vonden plaats in een carnavaleske sfeer. Het regime had een nationale vrije dag uitgeroepen. Bussen werden ingezet om arbeiders en boeren aan te voeren. Honderdduizenden Iraki's vergaapten zich aan de lijken, bespuwden ze, of gooiden stenen. Families picknickten tussen de galgen, terwijl ze luisterden naar de verhitte toespraken van Ba'ath-leiders als Salah Omar al-Ali: 'Groot volk van Irak! Dit is slechts het begin! De grote en onsterfelijke pleinen van Irak zullen worden gevuld met de lijken van verraders en spionnen. Wacht maar af!'

Deze happening is een van de vele voorbeelden van de manier waarop Saddam en de zijnen geweld niet alleen introduceerden in de Iraakse samenleving, maar ook acceptabel maakten. De Iraakse filosoof en opposant Kanan Makiya

beschrijft in zijn boek Republic of Fear (1989) hoe de Ba'ath bewust heeft gepoogd het volk te laten participeren in het staatsgeweld. De angst die dat teweegbracht, was enorm. 'De eeuwenoude boodschap was eenvoudig', stelt Makiya. 'Hij is dood, en dat kun je maar beter geloven, want we kunnen jou hetzelfde aandoen.'

Die institutionalisering van geweld was geheel volgens de ideeën van Aflaq. Hij predikte dat de ware Ba'athist verwikkeld was in een eeuwige strijd. 'In deze strijd moeten we echter onze liefde voor iedereen behouden', stelde hij. 'Wanneer we wreed zijn jegens anderen, dan weten we dat onze wreedheid bedoeld is om hen terug te brengen naar hun ware zelf, waarvan zij onwetend zijn.'

Folteren als therapie

Ofwel, foltering was bij de Ba'ath een vorm van therapie. Saddam begreep niet dat anderen daar een probleem mee hadden. Tijdens een interview in 1989 gaf hij zonder omhaal toe dat in zijn gevangenissen werd gemarteld en geëxecuteerd. Zijn corps van therapeutische folteraars noemden zich trots Suyuf Saddam, de Zwaarden van Saddam. Video's van foltersessies bereidden aspirant-beulen voor op hun verantwoordelijke taak. Zelfs kinderen ontkwamen niet aan de 'liefde' van de Ba'ath. Toen de geallieerden Bagdad innamen, stuitten zij op een speciale gevangenis voor kinderen die hadden geweigerd zich aan te sluiten bij de jeugdorganisatie van de Ba'ath.

Waar therapie in de folterkamer althans nog een deel van de glorieuze Arabische natie kon behouden voor de revolutie, waren anderen volstrekt waardeloos in de ogen van de Ba'ath. Saddam en de zijnen waren rabiate racisten als het om niet-Arabieren ging. Tariq Aziz, Saddams toponderhandelaar, verbaasde in 1983 leden van het Amerikaanse Congres door onomwonden toe te geven dat het Iraakse leger gifgas inzette aan het Iraanse front. 'Iraniërs zijn een stel middeleeuwse

fanatiekelingen', zei hij. 'Als Irak atoomwapens had, zouden we die ook inzetten.'

Zelfs de Iraakse shi'iten, die wel degelijk Arabieren zijn, werden na de opstanden van 1991 beschouwd als onbetrouwbare 'Iraniërs'. De staatspers beschreef ze als een soort Untermenschen met 'aapachtige gezichten'. Toen ik in 1991 de beschadigde tombe van imam Ali in Najaf bezocht, verzekerde mijn Iraakse begeleider mij dat we hier te maken hadden met mensen die niet Arabisch waren en elk begrip van islam verloren hadden. De Iraakse Koerden kwamen er niet beter vanaf. De gifgasaanval op Halabja in 1988 had alles van een

laboratoriumexperiment, compleet met Iraakse artsen die na afloop tussen de doden en stervenden data verzamelden om de effectiviteit van de gebruikte gifgassen te meten.

De boodschap van Aflaq dreunde ook door in Saddams redes, vooral als hij over 'de revolutie' sprak. De revolutie van de Ba'ath was geen gebeurtenis op zich, zoals de Franse of Russische revolutie, maar een strijd die eeuwig duurde en zou leiden tot verheffing, perfectionering en verlossing van het individu. 'Dat is waarom een revolutie geen begin en geen eind heeft', zei Saddam. 'De revolutie is niet als een oorlog, maar iets dat voortduurt, een boodschap voor het leven.'

Dat was dan ook de realiteit in Irak. Vanaf het moment dat Saddam in 1979 president Ahmed Hassan al-Bakr opzij zette en alleenheerser werd van Irak, heeft hij zijn volk geen moment rust gegund. Saddam voerde oorlog tegen Iran, Koeweit en de vs, sloeg opstanden neer, hongerde zijn volk uit om

aan de vn-sancties te ontkomen, en vermoordde en passant 180.000 Koerden. Intussen ging de binnenlandse terreur door. 'Geen natie heeft een ware renaissance doorgemaakt zonder eerst zijn interne vijand te verslaan en diens bases

volledig te vernietigen', had Aflaq geschreven.

Desastreus

Nu blijkt hoe desastreus de toepassing van Aflaqs ideologie is geweest voor de Iraakse samenleving. De eeuwige revolutie van de Ba'ath heeft ertoe geleid dat de burgermaatschappij volledig is vernietigd. Geweld, angst en normvervaging zijn ervoor in de plaats gekomen. Het resultaat is een Hobbesiaanse omgeving waarin iedereen strijdt om te overleven en een oorlog van iedereen tegen iedereen op de loer ligt. De Amerikanen zullen zich daarom goed moeten realiseren dat de transformatie naar een democratisch Irak weliswaar niet onmogelijk is, maar wel een langdurig en moeizaam proces zal zijn, en dat daarin zeker geen plaats is voor de Ba'ath.

Michel Aflaq heeft de teloorgang van zijn revolutie niet meer hoeven meemaken. In 1989 overleed hij in Bagdad. De volgende dag meldden de Iraakse media dat Aflaq zich in de jaren zeventig in alle stilte tot de islam had bekeerd. Saddam liet een mausoleum voor zijn leermeester bouwen in het hoofdkwartier van de Ba'ath aan de Tigris. Tijdens Operation Iraqi Freedom werd het volledig vernietigd door Amerikaanse bommen.

Leo Kwarten is arabist, antropoloog en publicist. Hij is werkzaam als consultant voor bedrijven die opereren in het Midden-Oosten.