Achter de slagboom gelden andere regels

De stoep verdwijnt uit het straatbeeld. Hij drukt op de vraagprijs van huizen en trekt ongenode gasten in woonwijken aan.

Waar is een stoep goed voor? Om te spelen, te leren fietsen, met buren of bekenden te staan kletsen, maar vooral om de veiligheid van wandelaars te garanderen. Hoe kan het dan toch dat de stoep, de traditionele publieke ontmoetingsruimte bij uitstek, geruisloos uit Nederland aan het verdwijnen is?

Dat de stoep op z'n retour is, is niet alleen te zien in de vrijetijdsenclaves die stormenderhand landelijk Nederland veroveren, maar ook in gewone woonwijken en zelfs in de historische binnensteden. Was de stoep in oude steden en dorpen een vanzelfsprekend onderdeel van de stoffering van de openbare ruimte, nu is het een van de facultatieve vormgevingselementen die een ontwerper kan kiezen, afhankelijk van de sfeer die moet worden opgeroepen. Een voorbeeld. Aan de rand van het Zeeuwse stadje Goes ligt de jonge wijk Goese Meren. Slingerende straten met ruime woonhuizen, dubbele garages en verzorgde tuinen op genereuze kavels, ieder met een eigen aanlegsteiger aan slingerende waterwegen.

Het is vandaag mooi weer, overal zijn mensen in de tuin bezig, kinderen poedelen aan het helblauwe water. Als je door je oogharen naar de wijk kijkt is het water net zo bepalend geweest voor de aanleg van de wijk als de straten misschien bepalender nog, want er is wel een rijweg maar geen stoep. Als voetganger zou je hier de keus hebben tussen de straat, die je met al het overige verkeer moet delen, en het lopen over privé-gras. Maar ondanks het weer en het feit dat er veel mensen buiten zijn, zijn er geen voetgangers.

Goese Meren is als moderne variant op het woonerf van de jaren '70 ontworpen op auto's en boten – de stoep is domweg overbodig geworden. Bij de presentatie veroorzaakte het ontwerp voor deze wijk nogal wat plaatselijke commotie. Niet alleen omdat er een polder voor onder water werd gezet, met vingervormige eilandjes erin om aan het benodigde aantal aanlegsteigers te komen. Maar ook omdat die slingerende lijnen als `on-Zeeuws' werden ervaren. Maar ja, de bedoeling van de wijk was om kapitaalkrachtige bewoners naar Goes te trekken, een stad die van oudsher het arme neefje van Middelburg en Vlissingen was. Goese Meren moest niet zozeer een uitbreiding van de stad worden, als wel een enclave waar de welgestelde nieuwe bewoners beschutting en comfort zouden vinden. Dus waar heb je dan een stoep voor nodig?

Nederland lijkt met deze trend Amerika achterna te gaan, waar in woonwijken de stoep allang uit het straatbeeld is verdwenen. Oorzaak is de autocultuur. Die leidt er toe dat mensen die in een buitenwijk op straat lopen, verdacht zijn: ze hebben kennelijk geen auto, dus moeten ze arm zijn, dus hebben ze iets slechts in de zin. De beweging van het New Urbanism, die de menselijke maat in de stedenbouw terug wil brengen, heeft daarom als vaste uitgangspunten dat de carports weer achter de huizen moeten staan, dat er veranda's zijn waardoor je vanaf de straat je buren ziet en weer eens een praatje maakt en dat er stoepen zijn. Maar het is iets minder simpel: wordt op de ene plaats mét stoep inderdaad de voetganger geweerd, op de andere duidt het verdwijnen van de stoep juist op een democratisering van de openbare ruimte.

We reizen door naar het oosten van het land, naar Riverparc in het Gelderse plaatsje Lathum. Achter slagbomen en camera's, en een lcd-scherm waarop staat hoeveel borg je moet betalen om de sleutel van de tennisbaan te mogen meenemen, staan 350 vrijstaande woningen aan het water, met een bordje `uitzichtpunt' erbij; de kopers, die indertijd tussen de vier- en achthonderdduizend gulden hebben betaald, krijgen in de naburige jachthaven voorrang op een ligplaats. Volgens makelaar Bieze Camlott worden sommige woningen doorverhuurd, meestal voor langere tijd, aan buitenlandse werknemers van bedrijven in de omgeving als Ikea en Akzo Nobel. Vrijstaand betekent hier iets anders dan in Goese Meren: de huizen staan dicht op elkaar maar dat is welbeschouwd het enige waarin de `gewone woning' daar zich onderscheidt van de (zogenaamde) vakantiewoning hier.

Want ook in Riverparc zijn er geen stoepen. Voetgangers, auto's, de vuilniswagens van een particuliere ophaaldienst (van de diensten van de gemeente maakt Riverparc géén gebruik, de bewoners moeten alles zelf regelen) en de elektrische karretjes van de hoveniers – allemaal delen ze de multifunctionele straat.

De boodschap lijkt duidelijk: hier hebben we rust, hier zijn we onder elkaar, en ook de automobilist voelt dat achter de slagboom andere regels gelden. Bovendien zal het rekensommetje van de grondexploitatie hebben geholpen bij het overbodig verklaren van de stoep: elke vierkante meter die aan de tuinen en de huizen kan worden toegevoegd, verhoogt de opbrengst.

Zelfs in de dichtbebouwde historische binnensteden en dorpskernen is de stoep op z'n retour. Van Den Haag tot Arnhem en Bergen op Zoom, overal worden de centra opnieuw ingericht, met de bedoeling ze nog meer dan voorheen te laten fungeren als vrijetijdsmilieus voor winkelend en uitgaanspubliek. Dat was al gebeurd in de winkelzones voor voetgangers, nu gebeurt het in de gewone straten en op de pleinen waar het verkeer gewoon blijft rijden. In veel winkelstraten zijn de winkeliers dolblij met het verdwijnen van de stoep, die meestal toch al te smal is, al helemaal voor mensen met een rolstoel, een kinderwagen of een rollator. Geen stoep betekent meer ruimte om hun koopwaar buiten uit te stallen.

Zo wordt in allerlei plaatsen in Nederland van gevel tot gevel een vast tapijt met straatstenenprint gelegd en vervolgens gestoffeerd met designbankjes, roestvrijstalen fietsenrekken, historische of juist hypermoderne straatlantaarns en granieten randen die een visueel onderscheid aanbrengen tussen bijvoorbeeld wandelgebied en fietspad. Op de Dam in Amsterdam strekt het stenen tapijt zich ononderbroken uit van Krasnapolsky tot het Paleis, en daartussen zoeken taxi's, auto's, fietsers en voetgangers tastend hun weg, op hun hoede voor de trams waarvan de sporen onzichtbaar tussen de stenen zijn verzonken.

In het ene geval heeft, net als in de VS, de auto het van de voetganger gewonnen. Maar in het andere geval, in de compacte oude centra, wordt de auto gedwongen zich aan te passen aan de maat en het tempo van de voetganger. In beide gevallen is het resultaat hetzelfde: de stoep is overbodig. Óf omdat een vreemde in onze wijk niks te zoeken heeft, óf omdat iedereen die er komt toch al met de auto komt, óf omdat de inrichting van de openbare ruimte in het teken staat van het behagen van een kuierend, consumerend bezoekerspubliek. De straat wordt een amorfe, multifunctionele verblijfs- en doorgangszone, soms democratisch maar net zo vaak afwerend, en waar je altijd goed moet uitkijken met oversteken.