Zoals het thuis getikt is

Niets leidt tot zoveel verwarring en tegenstrijdigheden als juist het familieleven, blijkt ook uit de nominaties voor de Libris Literatuurprijs. Familieromans domineren de selectie voor de prijs, die op 7 mei wordt uitgereikt. Het nadeel is dat het genre zo makkelijk een vergaarbak wordt. En altijd duikt er een extra familielid op: de moraal.

`Families, ik haat jullie', zegt een van de personages in André Gide's grote roman Les faux-monnayeurs uit 1925. De uitspraak is beroemd geworden, en terecht. Hoe vaak is de familie of – bescheidener – het gezin niet hét grote obstakel op de weg naar individuele ontplooiing? Je zou dolgraag jezelf willen zijn, maar genen en bloedbanden houden je gevangen. Wurgend kan de druk zijn van ouders, broers en zusters, ooms en tantes, grootvaders en grootmoeders. Hun eisen en verlangens betekenen een permanente morele chantage, waaraan alleen de zeer sterken zich weten te ontworstelen.

Dat is de ene kant van de zaak, de negatieve. De andere kant ziet er heel wat positiever uit.

Gezin en familie zijn nu geen obstakels meer, maar de dragers van een zinvolle traditie. Wat heeft het tenslotte te betekenen, jezelf zijn? Wie je bent wordt toch voor een groot deel bepaald door afkomst en achtergrond. Het is een illusie dat iemand daaraan zou kunnen ontsnappen. En het is dwaasheid om het te willen. Wie zich van zijn of haar familie vervreemdt, staat er voortaan alleen voor, zonder de steun van verwanten en zonder bezield verband. De interne cohesie van een samenleving begint bovendien bij gezin en familie. Worden die niet langer gekoesterd, dan dreigen chaos en ontbinding.

Op welke kant, de positieve of de negatieve, heeft de jury van de Libris Literatuurprijs de nadruk willen leggen? Dat laat zich nog niet zo makkelijk vaststellen. Maar opvallend is wel dat minstens de helft van de nominaties van dit jaar bestaat uit `familieromans', dat wil zeggen: romans waarin de familie veel méér is dan alleen een vanzelfsprekend decor.

Geen enkele twijfel kan bestaan bij de roman 100% chemie van Doeschka Meijsing, die in de ondertitel een `familieverhaal' wordt genoemd. Ook in De hand, de kaars & de mot van debutant Rob van der Linden speelt de familie een cruciale rol. Hetzelfde geldt voor De langverwachte, de tweede roman van Abdelkader Benali, waarin een verteller die op het punt staat geboren te worden de recente geschiedenis van zijn Marokkaans-Nederlandse familie (en nog veel meer) uit de doeken doet.

Iets dubieuzer wordt het al bij Oek de Jong, wiens roman Hokwerda's kind is genomineerd. Gezin en familie zijn weliswaar tot in de titel aanwezig, maar of de relatie tussen vader en kind voldoende is om van een echte familieroman te kunnen spreken, daarover kan men twisten. In de beide overige nominaties is de familie hooguit zijdelings van belang. In De hydrograaf van Allard Schröder (reeds bekroond met de AKO Literatuurprijs) blijkt de familieachtergrond voor de hoofdpersoon weliswaar een niet geringe belemmering, maar het verhaal heeft een veel ruimere strekking. In Marek van der Jagts Gstaad 95-98 maken we kennis met een bizarre verteller, die nooit een normaal familieleven heeft gekend. Misschien is de familie of liever het ontbreken daarvan in deze roman belangrijker dan in de overige nominaties, maar dat wil nog niet zeggen dat Van der Jagt oftewel Arnon Grunberg een familieroman zou hebben geschreven.

Drie, wellicht vier familieromans – dat is nog altijd een hoge score. Het familieverhaal staat kennelijk weer volop in de belangstelling, al betekent dat niet dat bij iedereen de positieve kant domineert. De tegenstelling tussen positief en negatief is in de praktijk zelden zo simpel en overzichtelijk als ik het hierboven heb voorgesteld. Niets leidt tot zoveel verwarring en tegenstrijdigheden als juist het familieleven, waarin alle raadsels van het bestaan zich plegen samen te ballen. Dat laatste verklaart ongetwijfeld de duurzame populariteit van het genre – eigenlijk al vanaf het allereerste begin, want bestaan de meeste mythen niet uit wonderbaarlijke, getroebleerde familieverhalen?

Toch zijn er in die populariteit wel modulaties aan te wijzen, die veel te maken hebben met de afwisseling van de positieve en de negatieve kant. Zo voerde in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw de negatieve kant de boventoon. Het werk van Jan Wolkers (en vervolgens dat van Maarten 't Hart) mag wat dit betreft exemplarisch heten. Families waren er om krachtig afscheid van te nemen. Pas in de jaren tachtig zien we een positieve kentering, bijvoorbeeld bij Frans Kellendonk, wiens Mystiek lichaam óók als een familieroman kan worden gelezen. In elk geval is duidelijk dat Kellendonk voor de zogeheten family values pleitte, zelfs tegen zijn (homoseksuele) eigenbelang in.

Zonder familie geen traditie, zonder familie geen gemeenschap. Deze conservatieve boodschap van Kellendonk (die naast de familie ook het onmisbare belang van de religie onderstreepte) vinden we bij de huidige Librisnominaties niet terug. Wie er nog het dichtst bij in de buurt komt, is Kellendonks vroegere literaire geestverwante Doeschka Meijsing. In 100% chemie betreurt zij het gebrek aan `traditie', dat in het boek direct wordt gekoppeld aan haar onwetendheid omtrent haar familie, zij het alleen haar uit Duitsland afkomstige familie van moederszijde. De familie van vaderszijde is kennelijk van geen belang, wat de nadruk op de traditie toch een beetje curieus maakt. Of gelooft Meijsing dat alleen vrouwen traditie kunnen doorgeven?

De roman bestaat uit een gedeeltelijk fictieve reconstructie van haar moeders voorgeschiedenis, waarbij de open plekken bewust worden ingevuld met behulp van de verbeelding. Moeder zelf houdt hardnekkig haar mond en dat noopt de dochter om haar fantasie te hulp te roepen, in het besef dat een meer solide familietraditie de kinderen een steviger basis in het leven zou hebben bezorgd. Een bezwaar is alleen dat de opgerakelde of verzonnen gebeurtenissen zo particulier blijven en tegelijkertijd zo schimmig. We lezen er vooral aan af hoeveel moeite het de schrijfster heeft gekost om iets aan de vergetelheid te ontrukken, en dat blijft – ondanks de joyeuze stijl – niet een roman lang boeien.

Ook Rob van der Linden schrikt er in De hand, de kaars & de mot niet voor terug de verbeelding duchtig aan te spreken. Het geheel maakt een nogal fantastische indruk, met een tante die 's nachts in een zeemeermin verandert en ooms die tegen de zon in vliegend geen dag ouder worden. Ik moest denken aan García Márquez' Honderd jaar eenzaamheid, waarin de familiegeschiedenis ook vol sprookjes en legenden zit. Bij Van der Linden draait het om één familielid in bijzonder, de Haarlemse Pieter van der Kleij, die zich in zijn familieachtergrond verdiept teneinde zo met zichzelf in het reine te komen.

Waarom is hij zo'n ingewikkeld mens geworden, voortdurend overhoop liggend met vrouwen en geliefden? Het familieverleden moet het antwoord geven. En dat doet het ook, zij het met een ongelooflijke hoeveelheid verhalen, en zelfs verhalen in een verhaal, een chaotische kakofonie met tientallen personages, waarin zelfs de meest aandachtige lezer de weg dreigt kwijt te raken.

Deze Pieter (een alterego van de auteur?) wil van zijn verleden af. Het is te belastend, gelet op het overspel van zijn moeder met een bezopen profeet, dat door hém is verraden. Daarom begraaft hij de aantekenboekjes die hij heeft volgeschreven in Israël in de woestijn. Maar het verhaal gaat zijn eigen gang, en dus zien we hoe een van de personages die boekjes later weer terugvindt, waarna Pieter de goede raad krijgt voortaan maar op zijn fantasie te vertrouwen en in `kabouters' te geloven. Tja.

Rob van der Linden weet zijn alle kanten op springende verhaal energiek te vertellen, met een heel eigen toon, ook al valt het niet mee om in de psychische urgentie van de hoofdpersoon te geloven. Hetzelfde geldt voor de samenhang van alle avonturen en gebeurtenissen. Zonder de familieband zou veel van het vertelde als los zand aan elkaar hangen.

Misschien is dat wel het grootste bezwaar tegen het genre: het wordt zo makkelijk een vergaarbak, je kunt er eigenlijk alles inkieperen, zolang het maar door de familieband wordt gesanctioneerd. We zien het bij Meijsing en Van der Linden, en we zien het in zo mogelijk nog sterkere mate bij Abdelkader Benali in De langverwachte, een roman als een verbale lawine, waarin de lezer onherroepelijk kopje-onder gaat. Zoveel verhalen, grappen en anekdoten worden er met een onstuitbaar retorisch geweld over hem uitgestort.

Eigenlijk is de roman heel simpel van opzet: op de havo raken een jongen en een meisje op elkaar verliefd, ze gaan met elkaar naar bed en het meisje wordt zwanger. Zij is de Nederlandse Diana, hij de Marokkaanse Mehdi, en ondanks hun jeugdige leeftijd besluiten ze met elkaar te trouwen: de langverwachte hoop op multiculturele harmonie! De complicaties zijn het gevolg van de manier waarop dit verhaal verteld wordt, namelijk door het nog ongeboren kind van Diana en Mehdi, dat al in de baarmoeder beschikt over de `gave' om te zien wat er aan zijn (of liever: haar) geboorte vooraf is gegaan. En dan komt die lawine, want om woorden en zinnen, liefst zo lang en kronkelig mogelijk, zit Benali nooit verlegen.

Hij is grappig en hilarisch, bijvoorbeeld wanneer hij over het rij-examen van Mehdi's vader vertelt (het is de 34ste keer dat hij opgaat) of over diens bijdrage aan een radioprogramma over een Marokkaanse schrijver die een Nederlandse prijs heeft gekregen. Of over Mehdi's moeder Malika, die zich alleen bekommert om haar theeglazen en om haar weggelopen dochter Jasmina voor wie zij een geschikte echtgenoot moet zien te vinden. De roman ontleent er zijn opgeruimde toon aan, gedragen door een onvermoeibare geestdrift die de schrijver geen moment verlaat en die de lezer in ademnood brengt. Pas wanneer dit baarmoederlijk spraakwater als een gezonde baby in de wieg is beland, keert de rust weer.

Benali vertelt uitvoerig over de Marokkaanse voorgeschiedenis van Mehdi's ouders, over de multiculturele buurt waar hij opgroeit in Rotterdam, over de confrontatie met de ouders van Diana, onder meer tijdens het kerstdiner (waar zelfs de gangen hun mond niet kunnen houden) – het gaat in deze roman dus niet alléén om familieaangelegenheden. Wil een familieroman literair interessant zijn, dan moet hij zich niet tot de familie beperken, maar ook nog andere thema's aan de orde stellen.

Zo is het ook in Oek de Jongs roman Hokwerda's kind. De familie is geenszins onbelangrijk, als achtergrond en als verklaring voor het raadselachtige gedrag van Lin, de vierentwintigjarige hoofdpersoon, die verstrikt raakt in een uiteindelijk fatale liefdesverhouding met de wat oudere lasser Henri. Alles wordt teruggevoerd tot de verhouding met haar vader Hokwerda, wiens `oogappel' zij was geweest – totdat haar moeder hem met medeneming van de kinderen had verlaten, toen Lin tien jaar oud was. Sindsdien heeft zij, in de relatie met haar tafeltenniscoach en met Henri, eigenlijk steeds gezocht naar een herhaling van de band met haar vader – een band van macht en aanhankelijkheid, van gevaar en overgave.

Zowel in Lin als in haar vader en ook in diens vader blijkt dezelfde duistere `drift' te huizen, zo lezen we. Dat klinkt naturalistisch. Het mysterie vindt zijn oplossing in de logica van de erfelijkheid. Het lijkt wel alsof we psychologisch weer bij Zola zijn aangeland. Psychologisch is dat misschien ook zo, en erg overtuigend klinkt het niet (het lijkt mij vooral psychologie van de kouwe grond), maar vreemd genoeg brengt het de roman als geheel niet om zeep. Dat komt door De Jongs vermogen de intimiteit tussen twee geliefden (Lin en Henri, Lin en haar latere minnaar Jelmer) te beschrijven, zonder dat het ook maar ergens goedkoop of ranzig wordt.

In die ongewoon zinnelijke, bijna tastbaar fysieke intensiteit zit de grote kracht van deze roman, en daarvoor neem je het melodramatische verhaal, uitmondend in abortus en moord (inderdaad als in een klassieke naturalistische roman), graag voor lief. Merkwaardig is alleen dat De Jong het niet zonder deze drakerige plot heeft durven stellen. De `dierlijke' en ook destructieve drift van Lin had wat mij betreft heel goed op zichzelf kunnen staan, als een `elementair' gegeven dat zich nu eenmaal kan voordoen en dat geen nadere verklaring nodig heeft. Als zodanig had het symbool kunnen staan voor de raadselachtigheid van het leven, die zich hier in de lust heel concreet manifesteert.

Ongetwijfeld heeft het te maken met de concentratie op slechts enkele personages, maar van Hokwerda's kind gaat een veel sterker appèl uit dan van de drie familieromans waarin het krioelt van de personages. Het zijn er zoveel dat van empathie nauwelijks sprake kan zijn. Ook bij Allard Schröder en Marek van der Jagt doet dit bezwaar zich niet voor. Dat is overigens wel meteen de voornaamste overeenkomst tussen De hydrograaf en Gstaad 95-98, want voor de rest hebben deze romans vrijwel niets met elkaar gemeen, of het moet zijn dat ze zich beide in het buitenland afspelen.

Allard Schröders hoofdpersoon, de Duitse graaf Franz von Karsch-Kurwitz, bevindt zich op zee, waar hij van plan is onderzoek te doen naar de dynamiek van de golfbeweging. Er komt niets van terecht, in plaats van met de geheimen van de diepzee wordt hij aan boord van de viermaster `Posen' geconfronteerd met zijn eigen gevoelens en verlangens, zodra hij de mysterieuze Asta Maris in het oog krijgt. De verliefdheid verlost de verveelde, beklemde graaf tijdelijk van zijn familiale gevangenis van `plicht' en `welopgevoedheid', zonder dat hij in staat is de barrières werkelijk te slechten. Daartoe lijkt de aan drank en opium verslaafde Asta tenslotte ook niet echt reden te geven. Een illusie armer en een syfilis rijker keert hij terug naar Duitsland, waar hij zijn vergeefse leven in elk geval een andere, zij het niet minder vergeefse wending weet te geven.

Schröder is een vakman. Het verhaal wordt bekwaam verteld, maar je vraagt je af waar deze oneigentijdse (het verhaal speelt zich af in 1913) excursie naar de wereld van Arthur Schnitzler en Stefan Zweig voor nodig is geweest. Wat voegt dit boek toe dat we nog niet wisten? De hydrograaf is als roman een oude vergeelde, keurig ingelijste foto – en daar heeft het ook de charme van. Als zodanig zou je het boek kunnen opvatten als een uiting van verzet tegen andere, meer actuele betekenissen, zoals Schröder suggereert, wanneer hij Von Karsch zich laat afvragen of er in de toekomst nog plaats zal zijn voor `tot niets verplichtende inzichten'.

Ik zal niet zeggen dat Gstaad 95-98 wèl een tot iets (wat dan ook) verplichtend inzicht bevat, maar het is beslist een aanzienlijk verontrustender boek. Tegenover de berustende melancholie van Schröder staat de gillende waanzin van Grunberg/Van der Jagt. In deze roman betreden we een gekkenhuis zonder grenzen, aangezien het perspectief geheel en al wordt bepaald door de geschifte hoofdpersoon annex verteller François Lepeltier, het `monster' van Gstaad, dat zich heeft vergrepen aan een elfjarig meisje.

Het blijkt maar één van de vele wandaden op zijn conduitestaat te zijn. Als buitenechtelijk kind heeft hij zich altijd, samen met zijn moeder, met diefstal en seksuele diensten in leven moeten houden. En dat leidt tot een wel zeer merkwaardige kijk op het bestaan, waarin het heel gewoon blijkt om zonder enig diploma een praktijk te beginnen als tandarts, als skileraar talloze meisjes te ontmaagden, bejaarden te `bewaken' respectievelijk te `ontkurken', en te dromen van de komende `wereld van de anus'. Het verhaal laat zich nauwelijks navertellen, zo zot is het. Maar het belangrijkste compliment dat je Van der Jagt moet maken, is dat het ondanks alle dwaasheid niet nalaat indruk te maken.

Wat bezielt iemand om zijn verbeelding zo tekeer te laten gaan? Ik zou het niet weten. Maar dat schept tegelijkertijd ruimte om er van alles van te denken. Misschien ligt daarin nog wel het belangrijkste onderscheid met de familieroman, waarin altijd de een of andere morele betekenis verborgen ligt, ongeacht of de positieve of de negatieve kant wordt benadrukt. Zowel collectieve traditie als individuele ontplooiing vertegenwoordigen een morele waarde. Als de inzet van literatuur in laatste instantie moreel is, dan dient de Libris Literatuurprijs dit jaar naar Doeschka Meijsing, Rob van der Linden of Abdelkader Benali te gaan.

Maar omdat literatuur en moraal wat mij betreft geen verplichte familieleden zijn (en de eventuele verwantschap het best maar zo stil mogelijk kan worden gehouden), gaat mijn voorkeur uit naar een van de boeken die in hun verkenning van de menselijke mogelijkheden alle geijkte morele grenzen passeren of links laten liggen. Allard Schröders roman vind ik, in weerwil van het vakmanschap, iets te ouderwets en te gratuit, het moet dus gaan tussen Oek de Jong en Marek van der Jagt. Tegenover de zinnelijke intensiteit bij De Jong staat de schaamteloze waanzin bij Van der Jagt. Maar bij De Jong worden we tevens lastig gevallen met een in mijn ogen overbodige naturalistische verklaring, terwijl de idiotie bij Van der Jagt geheel en al op zichzelf mag staan.

Daarom kies ik, na enige aarzeling en omdat gezin en familie in de literatuur altijd een krachtig tegenwicht nodig hebben, voor Gstaad 95-98, een roman waarin alles wat een normaal en gezond familieleven zou kunnen bevorderen zorgvuldig is weggelaten en de moraal zo goed is verstopt dat de lezer die helemaal zelf moet verzinnen.

Abdelkader Benali: De langverwachte. Vassallucci, 400 blz. €20,95

Marek van der Jagt: Gstaad 95-98. De Geus. 316 blz. €22,50

Oek de Jong: Hokwerda's kind. Augustus, 444 blz. €29,90 (geb)/ €24,95 (pbk)

Rob van der Linden: De hand, de kaars & de mot. Familiegeschiedenis met valse profeten. Meulenhoff, 336 blz. €19,50

Doeschka Meijsing: 100 % chemie. Een familieverhaal. Querido, 159 blz. €15,95

Allard Schröder: De hydrograaf. De Bezige Bij, 204 blz. €18,50