Twee stoelen aan een koud tafeltje

Ik had er nog nooit bij stilgestaan, maar toen ik het las moest ik toegeven dat het zo was: `mijn lichaam is niet geworteld'. Ik zit inderdaad niet met wortels vast aan of in de grond. Zo ben ik ook, zonder er ooit over na te denken, in het bezit van een kloppend hart en maak ik achteloos gebruik van twee ogen. Het is allemaal niets bijzonders, maar wel als je een plant bent en je je afvraagt hoe het toch zou zijn om een hart te bezitten, of ogen, en geen wortels. Wislawa Szymborska vraagt het zich ook af, in een gedicht waarin ze probeert in gesprek te raken met de plantenwereld. Dat lukt niet erg. Uit ergernis over het uitblijven van antwoorden (het gedicht heet `Het zwijgen van de planten') gaat zij zelf maar namens de planten wat verzinnen. Het leidt allemaal tot niks, en al zeker niet tot een dialoog, maar de dichteres wordt zo wel gedwongen met een nieuwe, plantaardige bril naar zichzelf te kijken, en wij met haar naar onszelf: naar wezens zonder wortels, maar met hart en ogen.

In een ander gedicht buigt Szymborska zich over de ideeënwereld van Plato. Wij zouden leven in een onvolmaakte wereld, in een gebrekkige afspiegeling van een andere wereld, elders, boven ons. De gedachte is vertrouwd, maar waarom zou het eigenlijk zo in elkaar steken, vraagt Szymborska zich af. Had die wereld van de idee ineens niet meer genoeg aan zichzelf? Was er in deze ideale toestand opeens behoefte aan een minder geslaagde onder- afdeling? `Het had toch eindeloos kunnen voortbestaan, / gehakt uit het donker, gehouwen uit het licht, / in zijn slaperige tuinen boven de wereld?' Blijkbaar had de altijd maar waardig voortschrijdende wijsheid nu eens behoefte aan hinken, `met een doorn in haar hiel'? De harmonie wilde nu wel eens worden `verscheurd door woeste wateren'? Wat zocht de Schoonheid opeens in ingewanden, het Goede in een schaduw, de Naakte Waarheid in de aardse garderobe? De vragen worden met merkbaar plezier gesteld: alsof de dichteres met haar voorliefde voor concrete beelden de abstracte filosofie wil uitdagen.

In het plantengedicht beziet Szymborska de wereld via een omweg, in het Platogedicht via een omkering. In `Enkele mensen' kiest zij voor een andere vervorming: het vergroten van de afstand. Het gaat daarin over vluchtelingen, maar het zijn geen vluchtelingen in een met name genoemd land, ontsnappende naar een veilige haven. Het zijn `enkele mensen op de vlucht voor enkele mensen', en wel `in een of ander land onder de zon / en enige wolken.' Dit alles wordt van een onwerkelijke afstand waargenomen, met een merkwaardig, verstillend, vertragend, vervreemdend en daardoor ontroerend effect. Zie het naamloze groepje gaan: `ze laten achter wat van hen is, een of ander alles, / bezaaide velden, een aantal kippen en honden, / spiegeltjes waarin nu het vuur zich spiegelt.' Onbeheerde bezittingen, onbekende vijand, ongewis reisdoel – alles hangt een beetje los in de lucht. Er is `een of andere weg', er wordt geschoten `ergens', er is `een of ander vliegtuig' dat in de lucht `wat rondcirkelt', er is soms een `iemand' die `iemands brood' weggrist, en zo verder. Wat van dichtbij misschien wel burgeroorlog of gewapend conflict heet, ziet er van een afstand uit als een willekeurige hoop bewegingen van hier naar daar, zinloos gewirwar `in een of ander leven'. Je zou denken dat zoveel afstand tot een koel relaas zou leiden, maar dat is niet het geval. Het effect is eerder dat de lezer beseft dat dit lot iedereen kan treffen, op elk moment. Dit levert niet alleen een portret op van een groep vluchtelingen of van `enkele mensen' – het wordt vanzelf ook een beeld van de menselijke staat: onzeker dolend op weg door het leven, zonder te weten waarom of waarheen.

Alle drie gedichten zijn opgenomen in Het moment, de nieuwe bundel van Szymborska. Een echt nieuw geluid brengt deze bundel niet, in vergelijking met Einde en begin (1999), waarin al een groot deel van Szymborska's poëzie was bijeengebracht. Ook daarin was al een onafhankelijke dichteres aan het woord, met een verwonderde blik, die zich relativerend uitlaat over haar eigen tijd, land, wereld en cultuur en alle bijbehorende opvattingen. Een dichteres die graag een bewering begint met `Het ziet ernaar uit' of `Het is niet uitgesloten dat' of een gedicht afsluit met de wending `naar het schijnt'. Een relativerend, onthecht, universeel standpunt, maar altijd weer opgehangen aan een alledaags gegeven of aan een concreet eigen belang. De mix van nuchtere benadering, onorthodoxe vraagstelling en lichte, montere toon leidt geregeld tot verrassingen. Zo vertelt Szymborska ergens dat de herinnering aan haar eerste liefde verdwenen is. Nogal ongebruikelijk: geen nostalgie, geen tedere gevoelens, geen spijt. `Onze enige ontmoeting na jaren / was een gesprek van twee stoelen / aan een koud tafeltje.' Het lijkt een anekdotisch babbelgedicht, maar de verrassing zit in het slot. Daar blijkt deze eerste liefde voor haar toch nog nut te hebben gehad: het volledig verdwijnen ervan, uit geheugen en gevoel, heeft haar al vroeg vertrouwd gemaakt met de dood.

Levert deze bundel nu belangwekkende inzichten op? Ik kan me voorstellen dat lezers met meer levenservaring of met meer wijsgerige scholing er schouderophalend aan voorbijgaan. Zelf werd ik, ondanks enig vooropgezet beroepswantrouwen, telkens weer verrast door de doordenkerijen en vondsten en driedubbele wendingen van Szymborska. En ook telkens weer door de combinatie van grote onderwerpen (de ziel, het leven, de eeuwigheid en ook nog even, in het slotgedicht, het verschijnsel `alles') en onbevangen toon. Wel vroeg ik mij af of dit eigenlijk nog wel poëzie is. Is het niet eerder een leuke verzameling ideeën en aforismen, proza met lichte toets, preekjes over dingen des levens in een speels arrangement? Maar ook in dat opzicht moest ik steeds terugkomen op mijn aanvankelijke twijfel. Rijm, metrum, vaste regellengte en regelmatige strofering ontbreken in deze gedichten. De zinsbouw en de structuur lijken die van een verteller, of uitlegger. Maar toch laten Szymborska's gedichten zich niet kort navertellen. Een deel van het effect schuilt in moeilijk aanwijsbare, maar dichterlijke middelen als dosering, versnelling en vertraging, zinsafbreking, slinkse overgang en subtiele stilte. Daarnaast is er in haar gedichten terloops ook nog de nodige klassieke beeldspraak te vinden. Zomaar, in een opsomming: `gras dat door de wind vereerd wordt'. Of sterren, heel ver weg, die in een tussenzin even `knipogen'. Op een kinderkerkhof loopt de dichteres langs de kleine graven, stil en beschroomd, `zoals rijken de armenbuurt voorbijlopen'. Wat zouden deze kinderen gezien hebben in hun korte leven? Niet veel meer dan `een handvol lucht met een vlinder die voorbijvliegt'. En wat zouden ze in die korte tijd geleerd hebben? `Een lepeltje bittere kennis, met de smaak van medicijn.'

Deze nieuwe bundel Het moment laat in vergelijking met het vroegere werk dan misschien geen nieuw geluid horen, maar tegelijk valt er ook veel voor te zeggen om ieder nieuw gedicht van Szymborska als een nieuw geluid op te vatten – als een wereld op zichzelf, onvoorspelbaar, vol verrassingen, en dichterlijk genoeg om ze niet navertelbaar te laten zijn. Zeven van deze 23 gedichten heb ik niet eens herkend, terwijl ik ze toch al eens eerder gelezen moet hebben, in 1999, in de laatste afdeling van de verzamelbundel Einde en begin. Nu maar hopen dat dit vergeeteffect inderdaad toegeschreven mag worden aan het dichterlijke karakter van deze prozaïsche poëzie, en niet aan mijn stoffige geheugen. Laat ik daarom nog maar eens het hoge soortelijke gewicht van dit dunne bundeltje prijzen: het lijken dan misschien maar zestien nieuwe gedichten, aangevuld met zeven oude, maar in werkelijkheid zijn het drieëntwintig kersverse werelden op zich, onnavertelbaar en ononthoudbaar.

Wislawa Szymborska: Het moment. Gedichten. Uit het Pools vertaald door Gerard Rasch. Meulenhoff, 48 blz. €15,–

Tegelijk verschenen goedkope herdrukken van Einde en begin (Meulenhoff, 298 blz. €12,50) en van Uitzicht met zandkorrel. (Pockethuis, 174 blz. €8,–)